't Was elf uur op de "groote klok," op de oude grijze stompe-toren-klok
van Rotterdam, toen Paul, snel-stevig-stappende, toch zonder haast, de
grauwe steenen van de stad weer onder zich en naast zich zag, de
stadsgeluiden stommelen en roezen hoorde.... Maar boven hem daar stond
de helderblauwe hemel, de witte wolken, en de zon, die van de vrije hei
was meegegaan naar de opgesloten straten-gangen.... De stad rumoerde,
zwoegde, ploeterde; nooit hield het zware daveren der karren-stoeten op,
noch 't slavig jachten van het man-en-vrouw-volk in de straat; de walm
van vetten rook, van treinen, booten, bracht bederf en stank in de
atmosfeer.... Dwars daardoor ging Paul, met hoogheid in zijn hart, met
overmoed en meerderheidsgevoel.... Toch was hij welgezind aan de oude
stad en al de menschen die er woonden....
Hij had z'n plan, al sporende, goed overdacht. Hij wou niet praten met
mevrouw de Boogh,ten minste niet met haar het eerst, dat zou toch ook
niets geven;... hij ging direct naar 't groot expediteurs-kantoor van
Annie's vader. Hij kwam er, liep een breede trap op, stond in een ruim
lokaal, met veel bedienden, vroeg er naar "mijnheer," en toen hij, met
een vaste stem-vol-klank, z'n naam had genoemd, werd hij terstond van
links en rechts nieuwsgierig bekeken.... De patroon, die in een apart
kantoor bleek te zitten, werd dadelijk gewaarschuwd; haastig kwam hij
naar hem toe, de oude handelsman, verbaasd, gejaagd.... Paul begon met
te verzoeken dat er dadelijk om zijn broer gezonden zou worden, en dat
gebeurde ook. Toen werd hij in 't privé kantoor gelaten dat aan het
grootere lokaal aangrenzende was.
Maar, daar binnen-komend, had hij nog nauwelijks den tijd gehad te
zeggen dat Annie veilig-en-wel bij hem in Brabant was, of de Boogh
sprong, schrikkend, naar de deur, deed die op slot, zei snel met
scherpe, heesche, fluister-stem: "Stil!... Stil!... Zacht spreken!...
Wat?... Wat is er gebeurd?... Wat zeg-je?... is ze.... Hoe komt ze in
godsnaam...."
Hij was egaal-warm-rood en keek hel-flikkerig-scheel.... Hij kon niet
uit z'n woorden komen.... Paul nam bedaard een stoel, ging zitten,
herhaalde toen met z'n gewone, ernstig-vaste stem: dat Annie op 't
oogenblik logeerde bij Van Biesen, den ouden veearts, waar Paul, zooals
hij zeker, wist, ook woonde; dat ze was gevlucht, omdat ze op 't laatste
oogenblik had ingezien niet van Louis te houden, niet genoeg ten-minste
om z'n vrouw te worden, en 't niet had durven zeggen, wel wetend wat een
scène dan zou gevolgd zijn..., en, dat hij dadelijk, als z'n broer er
ook was, alles meer omslachtig en precies vertellen zou....
Toen zwol hij en werd paars van woede in z'n rond gezicht, de kleine
oude heer,--maar hard-op spreken dorst hij niet, om de bedienden, die
natuurlijk toch al op de hoogte waren,--dus ging hij vlak voor Paul
staan, fel naar hem kijkend met z'n eene oog, terwijl het andere
trillerig naar z'n neus toe trok, en eischte onder hoesten, zuchten,
vloeken, stampen door, met moeilijk onderdrukte hooge stem, dat hij
onmiddellijk alles zou zeggen, wat of hij gedaan had met Annie, hoe hij
haar bepraat had, meegetroond..., en nog meer insinuaties van gering
allooi smeet hij hem in 't gezicht, maar Paul bleef zeer bedaard, soms
even met een glimlach, ernstig uit-de-hoogte, langzaam sprekend, zeggend
dat hij werklijk liever even wachten wou tot ook Louis er was, omdat hij
anders immers alles tweemaal vertellen moest.... De Boogh geraakte
buiten zich van drift, hij hoestte, schraapte zich telkens de keel, en
spoog; z'n huid scheen haast te bersten, hij trok zijn
plooiig-baardeloos gezicht tot allerlei grimassen, dreigde Paul met
vuisten, schold hem uit.... Dat alles met die machtelooze fluister-stem.
En 't hielp niets....
Maar eindelijk werd er hard geklopt.... De Boogh deed schielijk open,
trok Louis naar binnen bij een mouw, de deur weer driftig in het slot
gooiend. Paul stond op, hij stak z'n broer, wat langzaam, maar
vriendschaplijk toch, hem aanziend, vol en recht, de hand toe, maar
Louis die, dadelijk toen hij zag hoe opgewonden de oude heer was, half
begreep--hij had al aan de mogelijkheid gedacht--deed of hij dat niet
zag, vroeg koel-verbaasd, met iets geaffecteerd-minachtends: "Jij
hier?... Wat is er aan de hand?... Wat kom je doen?... Weet jij
misschien ook iets?..."
"Ze is bij 'm!" fluister-schreeuwde de oude man, hij heeft 'r
weggetroggeld..., hij heeft 'r verleid ... de ploert, goddome!... De
deur is toch wel goed op slot?..."
"Wát!... Heb je haar?..." Louis trad dreigend, met groot vertoon van
heerige waardigheid en erg-beleedigd-zijn, breed stappend, naar z'n
broer, die kalm bleef staan en zei: "Blijf nou bedaard, Louis..., blijf
jij tenminste nou bedaard en luister.... Hier meneer heeft zich al zoo
boos gemaakt dat-ie dingen zegt!... enfin!... Wanneer je luisteren wilt,
zal 'k je alles zeggen."
En terwijl Louis, de armen theatraal gekruisd, de pose hield van in z'n
"point d'honneur" getast zijn, bleef z'n broer een paar minuten lang
alleen aan 't woord. Hij sprak op z'n gewonen toon van ernstigen
eenvoud, trachtte zakelijk te zijn, 't geval zoo duidelijk mogelijk uit
te leggen, te verklaren hoe het kwam dat Annie zich zoo vergist had. Hij
zei ook dat hij haar den eersten avond al had lief gekregen, daarom
weggegaan was, zonder iemand, iets te laten merken, zonder zelfs maar
te vermoeden dat ... ook zij ... om hem wat gaf....
Maar toen hij zoover kwam--hij merkte, sprekende, al op met hoeveel
moeite beiden zich bedwongen--barstte 't los. De Boogh aan 't
schreeuwen, vloeken, krijschen weer--aldoor gedempt natuurlijk, telkens
angstig omziend naar de deur--; hij schold, hij dreigde met politie en
"de kast," vroeg of hij soms stapelgek was, Paul, of hij dan nou
waarachtig dacht dat ze 'm niet in de ramen hadden, óf hij beklaagde
zich, meer tot Louis gericht,'op kinderachtig-huilerigen toon, hield
zich wanhopig.... Z'n goeie naam was weg! hij kon z'n zaken wel
sluiten!... Louis, daar tusschen door, steeds met die houding die voor
waardigheid moest doorgaan, deed zijn best minachtend-ijskoud, vlijmend
scherp, venijnig hatelijk te zijn; hij hield zich ook alsof hij Pauls
verhaal volstrekt maar niet naïevelijk zoo aannam, alsof hij overtuigd
was--maar 't niet wou zeggen, omdat het hem te min was--dat Paul van
middelen gebruik gemaakt had, waartegen hij, een degelijk heer-van-eer,
een gentleman, niet op kon; listige foefjes van in zulke zaken
doortrapte menschen, die daar den tijd voor hadden..., hij had wel
andere dingen aan z'n hoofd....
Maar Paul zag klaar hoe veel comedie er in de woede en de wanhoop was
van 't oude heertje; en proefde in woorden en houding van Louis ónder
z'n trots, aanstellerij en wijs-doende opgeblazenheid, de machtelooze
spijt, de jaloezie die niets meer mocht verwachten, de in-landerige
lamheid van het overwonnen zijn..., wat alles zoo begrijpelijk was....
zelfs innigheid van medelijden gaf.... De Boogh's keel-schor-geschreeuw
ging aan z'n hoofd-vol-ernst voorbij als wind; alleen Louis, al stond
hij daar nu tegen beter weten in te praten..., die moest beantwoord en
bevredigd worden.... Plotseling,--nadat hij 'n paar minuten lang
gezwegen, de anderen aan het woord gelaten had,--deed Paul een bruusken
stap; Louis schrok even en week uit; maar krachtig pakte Paul z'n broer
bij den arm en sprak met manlijk-forsche stem, vol broederlijke
hartelijkheid hem aan: "Kom kerel, zet die kleine boosheid van je af,
schik je in het onvermijdelijke!... Het is beroerd voor jou, denk niet
dat 'k dat niet snap, maar 't kon je toch waarachtig niet bespaard zijn
gebleven!... Dat voel je ook wel.... Je weet ook wel dat 't alles waar
is wat ik zeg, dat 't zoo gegaan is als ik je verteld heb.... Kom, Lou,
kom, denk dan na, je zoudt toch immers nooit gelukkig zijn geworden met
een vrouw, die ... ja!... die nu eenmaal van een ander is gaan
houden!..."
Maar nijdig brak Louis z'n woorden af: "Verrek toch met je mooie
praatjes, zeg." Hij rukte zich, niet zonder moeite, los. "Wat 'k weet,
dat is, dat ik, en ik alleen, de dupe ben, van de heele geschiedenis....
Wou je me dát soms heeten liegen?... Me schikken in het
onvermijdelijke!... Dat onvermijdelijke is prachtig!... Het nootlot meen
je zeker, hè? ... Want jij!... jij hebt er niets geen schuld aan.... O!
Wel nee!... in jou wereldje heet zoo'n behandeling misschien nog netjes,
fijn!... Meneer de artiest!... Nou maar wij denken er hier dan anders
over, wij verachtelijke beurslui, hoor! Wij noemen zulke dingen
ploertenstreken!..."
"Louis!..."
"Och man! ga weg!... ga naar je land terug en naar je boeren!... Hier
hoor je niet!... Hier wordt je niet begrepen!..."
Louis liep driftig naar de deur, riep enkel nog: "Tusschen ons is 't
uit!... voor goed, hoor!... en 'k twijfel zeer of ook je moeder je nog
ooit zal willen zien!"
"Louis!" riep Paul nog eens, en dringend....
Maar vergeefs....
* * * * *
Een halfuur later zat hij in den trein. En hij moest maar veel aan Annie
denken, aldoor aan Annie denken, aan haar blik, haar lieven lach, haar
kussen en haar warme stem, om zich te heffen uit de somberheid, den
grijzen weemoed die na 't weggaan van Louis, zoo wijd in hem was
neergewolkt....
Er was geen bruiloftsfeest toen Paul en Annie trouwden. Alleen zijn
moeder was er voor over gekomen, na een ruzie met Louis die 't haar
verboden had, maar zij moest er 't hare toch van hebben: ze was eerst
ook wel erg teleurgesteld en boos geweest, maar langzaam-aan was zij 't
geval toch eigenlijk wel aardig, wel romantisch en pikant gaan
vinden.... Intusschen, 't viel niet mee op 't dorp; ze scheen niets geen
overbluffenden indruk te maken; ze verveelde zich erg, ging gauw weer
terug....
* * * * *
Paul Holman schilderde nadien nog wel veel landschap, maar ook
portretten, en ook menschen-in-hun-doen, bij voorkeur armen, lijdenden,
verdrukten.... Z'n ziels-genot, z'n over zich en 't eigen groot geluk
zoo heerlijke verwondering en vreugde uitte hij in licht van zon op
kleur en schittering van natuur het best; in landschap evenzoo z'n ouden
weemoed, maar dat toch óók in mensch-figuur--want manlijker, want
minder vaag, een forscher resignatie was 't geworden--;in mensch-bewegen
ook dat andere in z'n hart, dat door zijn samenleven met z'n vrouw
vol-groeide tot een schat, een rijke mijn van tintelend gevoel....
Hij maakte ook haar portret, telkens weer opnieuw, wel vijftigmaal....
Toch werd het nooit zooals hij 't zag, in tooverschoon, in wondere
werkelijkheid....
Hij wist ook wel: je kunt de ziel in verf niet vatten....
Zoo min als in woorden....
't Is àl illusie....