XV.

't Was elf uur op de "groote klok," op de oude grijze stompe-toren-klok

van Rotterdam, toen Paul, snel-stevig-stappende, toch zonder haast, de

grauwe steenen van de stad weer onder zich en naast zich zag, de

stadsgeluiden stommelen en roezen hoorde.... Maar boven hem daar stond

de helderblauwe hemel, de witte wolken, en de zon, die van de vrije hei

was meegegaan naar de opgesloten straten-gangen.... De stad rumoerde,

zwoegde, ploeterde; nooit hield het zware daveren der karren-stoeten op,

noch 't slavig jachten van het man-en-vrouw-volk in de straat; de walm

van vetten rook, van treinen, booten, bracht bederf en stank in de

atmosfeer.... Dwars daardoor ging Paul, met hoogheid in zijn hart, met

overmoed en meerderheidsgevoel.... Toch was hij welgezind aan de oude

stad en al de menschen die er woonden....

Hij had z'n plan, al sporende, goed overdacht. Hij wou niet praten met

mevrouw de Boogh,ten minste niet met haar het eerst, dat zou toch ook

niets geven;... hij ging direct naar 't groot expediteurs-kantoor van

Annie's vader. Hij kwam er, liep een breede trap op, stond in een ruim

lokaal, met veel bedienden, vroeg er naar "mijnheer," en toen hij, met

een vaste stem-vol-klank, z'n naam had genoemd, werd hij terstond van

links en rechts nieuwsgierig bekeken.... De patroon, die in een apart

kantoor bleek te zitten, werd dadelijk gewaarschuwd; haastig kwam hij

naar hem toe, de oude handelsman, verbaasd, gejaagd.... Paul begon met

te verzoeken dat er dadelijk om zijn broer gezonden zou worden, en dat

gebeurde ook. Toen werd hij in 't privé kantoor gelaten dat aan het

grootere lokaal aangrenzende was.

Maar, daar binnen-komend, had hij nog nauwelijks den tijd gehad te

zeggen dat Annie veilig-en-wel bij hem in Brabant was, of de Boogh

sprong, schrikkend, naar de deur, deed die op slot, zei snel met

scherpe, heesche, fluister-stem: "Stil!... Stil!... Zacht spreken!...

Wat?... Wat is er gebeurd?... Wat zeg-je?... is ze.... Hoe komt ze in

godsnaam...."

Hij was egaal-warm-rood en keek hel-flikkerig-scheel.... Hij kon niet

uit z'n woorden komen.... Paul nam bedaard een stoel, ging zitten,

herhaalde toen met z'n gewone, ernstig-vaste stem: dat Annie op 't

oogenblik logeerde bij Van Biesen, den ouden veearts, waar Paul, zooals

hij zeker, wist, ook woonde; dat ze was gevlucht, omdat ze op 't laatste

oogenblik had ingezien niet van Louis te houden, niet genoeg ten-minste

om z'n vrouw te worden, en 't niet had durven zeggen, wel wetend wat een

scène dan zou gevolgd zijn..., en, dat hij dadelijk, als z'n broer er

ook was, alles meer omslachtig en precies vertellen zou....

Toen zwol hij en werd paars van woede in z'n rond gezicht, de kleine

oude heer,--maar hard-op spreken dorst hij niet, om de bedienden, die

natuurlijk toch al op de hoogte waren,--dus ging hij vlak voor Paul

staan, fel naar hem kijkend met z'n eene oog, terwijl het andere

trillerig naar z'n neus toe trok, en eischte onder hoesten, zuchten,

vloeken, stampen door, met moeilijk onderdrukte hooge stem, dat hij

onmiddellijk alles zou zeggen, wat of hij gedaan had met Annie, hoe hij

haar bepraat had, meegetroond..., en nog meer insinuaties van gering

allooi smeet hij hem in 't gezicht, maar Paul bleef zeer bedaard, soms

even met een glimlach, ernstig uit-de-hoogte, langzaam sprekend, zeggend

dat hij werklijk liever even wachten wou tot ook Louis er was, omdat hij

anders immers alles tweemaal vertellen moest.... De Boogh geraakte

buiten zich van drift, hij hoestte, schraapte zich telkens de keel, en

spoog; z'n huid scheen haast te bersten, hij trok zijn

plooiig-baardeloos gezicht tot allerlei grimassen, dreigde Paul met

vuisten, schold hem uit.... Dat alles met die machtelooze fluister-stem.

En 't hielp niets....

Maar eindelijk werd er hard geklopt.... De Boogh deed schielijk open,

trok Louis naar binnen bij een mouw, de deur weer driftig in het slot

gooiend. Paul stond op, hij stak z'n broer, wat langzaam, maar

vriendschaplijk toch, hem aanziend, vol en recht, de hand toe, maar

Louis die, dadelijk toen hij zag hoe opgewonden de oude heer was, half

begreep--hij had al aan de mogelijkheid gedacht--deed of hij dat niet

zag, vroeg koel-verbaasd, met iets geaffecteerd-minachtends: "Jij

hier?... Wat is er aan de hand?... Wat kom je doen?... Weet jij

misschien ook iets?..."

"Ze is bij 'm!" fluister-schreeuwde de oude man, hij heeft 'r

weggetroggeld..., hij heeft 'r verleid ... de ploert, goddome!... De

deur is toch wel goed op slot?..."

"Wát!... Heb je haar?..." Louis trad dreigend, met groot vertoon van

heerige waardigheid en erg-beleedigd-zijn, breed stappend, naar z'n

broer, die kalm bleef staan en zei: "Blijf nou bedaard, Louis..., blijf

jij tenminste nou bedaard en luister.... Hier meneer heeft zich al zoo

boos gemaakt dat-ie dingen zegt!... enfin!... Wanneer je luisteren wilt,

zal 'k je alles zeggen."

En terwijl Louis, de armen theatraal gekruisd, de pose hield van in z'n

"point d'honneur" getast zijn, bleef z'n broer een paar minuten lang

alleen aan 't woord. Hij sprak op z'n gewonen toon van ernstigen

eenvoud, trachtte zakelijk te zijn, 't geval zoo duidelijk mogelijk uit

te leggen, te verklaren hoe het kwam dat Annie zich zoo vergist had. Hij

zei ook dat hij haar den eersten avond al had lief gekregen, daarom

weggegaan was, zonder iemand, iets te laten merken, zonder zelfs maar

te vermoeden dat ... ook zij ... om hem wat gaf....

Maar toen hij zoover kwam--hij merkte, sprekende, al op met hoeveel

moeite beiden zich bedwongen--barstte 't los. De Boogh aan 't

schreeuwen, vloeken, krijschen weer--aldoor gedempt natuurlijk, telkens

angstig omziend naar de deur--; hij schold, hij dreigde met politie en

"de kast," vroeg of hij soms stapelgek was, Paul, of hij dan nou

waarachtig dacht dat ze 'm niet in de ramen hadden, óf hij beklaagde

zich, meer tot Louis gericht,'op kinderachtig-huilerigen toon, hield

zich wanhopig.... Z'n goeie naam was weg! hij kon z'n zaken wel

sluiten!... Louis, daar tusschen door, steeds met die houding die voor

waardigheid moest doorgaan, deed zijn best minachtend-ijskoud, vlijmend

scherp, venijnig hatelijk te zijn; hij hield zich ook alsof hij Pauls

verhaal volstrekt maar niet naïevelijk zoo aannam, alsof hij overtuigd

was--maar 't niet wou zeggen, omdat het hem te min was--dat Paul van

middelen gebruik gemaakt had, waartegen hij, een degelijk heer-van-eer,

een gentleman, niet op kon; listige foefjes van in zulke zaken

doortrapte menschen, die daar den tijd voor hadden..., hij had wel

andere dingen aan z'n hoofd....

Maar Paul zag klaar hoe veel comedie er in de woede en de wanhoop was

van 't oude heertje; en proefde in woorden en houding van Louis ónder

z'n trots, aanstellerij en wijs-doende opgeblazenheid, de machtelooze

spijt, de jaloezie die niets meer mocht verwachten, de in-landerige

lamheid van het overwonnen zijn..., wat alles zoo begrijpelijk was....

zelfs innigheid van medelijden gaf.... De Boogh's keel-schor-geschreeuw

ging aan z'n hoofd-vol-ernst voorbij als wind; alleen Louis, al stond

hij daar nu tegen beter weten in te praten..., die moest beantwoord en

bevredigd worden.... Plotseling,--nadat hij 'n paar minuten lang

gezwegen, de anderen aan het woord gelaten had,--deed Paul een bruusken

stap; Louis schrok even en week uit; maar krachtig pakte Paul z'n broer

bij den arm en sprak met manlijk-forsche stem, vol broederlijke

hartelijkheid hem aan: "Kom kerel, zet die kleine boosheid van je af,

schik je in het onvermijdelijke!... Het is beroerd voor jou, denk niet

dat 'k dat niet snap, maar 't kon je toch waarachtig niet bespaard zijn

gebleven!... Dat voel je ook wel.... Je weet ook wel dat 't alles waar

is wat ik zeg, dat 't zoo gegaan is als ik je verteld heb.... Kom, Lou,

kom, denk dan na, je zoudt toch immers nooit gelukkig zijn geworden met

een vrouw, die ... ja!... die nu eenmaal van een ander is gaan

houden!..."

Maar nijdig brak Louis z'n woorden af: "Verrek toch met je mooie

praatjes, zeg." Hij rukte zich, niet zonder moeite, los. "Wat 'k weet,

dat is, dat ik, en ik alleen, de dupe ben, van de heele geschiedenis....

Wou je me dát soms heeten liegen?... Me schikken in het

onvermijdelijke!... Dat onvermijdelijke is prachtig!... Het nootlot meen

je zeker, hè? ... Want jij!... jij hebt er niets geen schuld aan.... O!

Wel nee!... in jou wereldje heet zoo'n behandeling misschien nog netjes,

fijn!... Meneer de artiest!... Nou maar wij denken er hier dan anders

over, wij verachtelijke beurslui, hoor! Wij noemen zulke dingen

ploertenstreken!..."

"Louis!..."

"Och man! ga weg!... ga naar je land terug en naar je boeren!... Hier

hoor je niet!... Hier wordt je niet begrepen!..."

Louis liep driftig naar de deur, riep enkel nog: "Tusschen ons is 't

uit!... voor goed, hoor!... en 'k twijfel zeer of ook je moeder je nog

ooit zal willen zien!"

"Louis!" riep Paul nog eens, en dringend....

Maar vergeefs....

* * * * *

Een halfuur later zat hij in den trein. En hij moest maar veel aan Annie

denken, aldoor aan Annie denken, aan haar blik, haar lieven lach, haar

kussen en haar warme stem, om zich te heffen uit de somberheid, den

grijzen weemoed die na 't weggaan van Louis, zoo wijd in hem was

neergewolkt....

Er was geen bruiloftsfeest toen Paul en Annie trouwden. Alleen zijn

moeder was er voor over gekomen, na een ruzie met Louis die 't haar

verboden had, maar zij moest er 't hare toch van hebben: ze was eerst

ook wel erg teleurgesteld en boos geweest, maar langzaam-aan was zij 't

geval toch eigenlijk wel aardig, wel romantisch en pikant gaan

vinden.... Intusschen, 't viel niet mee op 't dorp; ze scheen niets geen

overbluffenden indruk te maken; ze verveelde zich erg, ging gauw weer

terug....

* * * * *

Paul Holman schilderde nadien nog wel veel landschap, maar ook

portretten, en ook menschen-in-hun-doen, bij voorkeur armen, lijdenden,

verdrukten.... Z'n ziels-genot, z'n over zich en 't eigen groot geluk

zoo heerlijke verwondering en vreugde uitte hij in licht van zon op

kleur en schittering van natuur het best; in landschap evenzoo z'n ouden

weemoed, maar dat toch óók in mensch-figuur--want manlijker, want

minder vaag, een forscher resignatie was 't geworden--;in mensch-bewegen

ook dat andere in z'n hart, dat door zijn samenleven met z'n vrouw

vol-groeide tot een schat, een rijke mijn van tintelend gevoel....

Hij maakte ook haar portret, telkens weer opnieuw, wel vijftigmaal....

Toch werd het nooit zooals hij 't zag, in tooverschoon, in wondere

werkelijkheid....

Hij wist ook wel: je kunt de ziel in verf niet vatten....

Zoo min als in woorden....

't Is àl illusie....

De bruidstijd van Annie de Boogh · 第 19 / 20 题