XII.

Annie had, 's nachts na het bal en den volgenden dag in haar jagende

onrust, haar angstige, stormig verwarde denken, maar één verlangen: hèm

spreken, alleen, hem vragen wat er was gisteren-avond, wat hij bedoeld

had met zijn toost, of hij misschien iets ... wist van Louis..., hoe 't

kwam dat hij twijfelde of ze gelukkig zou worden.... Want dát hij

twijfelde had ze gevoeld, dat wist ze zeker!... Maar waarom?... Ze had

hem toch niets verteld van haar eigen aarzelingen, van het moeizaam

gepeins, de dobberende overdenkingen, die aan haar zelf-overrompelend

plotsling besloten-zijn waren voorafgegaan.... Alleen kon hij weten dat

ze toen acht dagen uitstel gevraagd had.... Maar immers niets van dat

benauwend gevoel van onrust, van de vreemde verkillingen,

verschrompelingen, de angsten die ze ondervond, als ze alleen was met

Louis, als hij zijn arm om haar lijf lei, haar kuste, en liefkoosde ...

óf?... of kon hij misschien toch in haar omgang met z'n broer dat

ontoereikende van warmte en innigheid hebben ontdekt, wat haar zelf zoo

veel bevende zorg en diep-stil leed had gegeven, óf?... of had ze

misschien toch in de wondere vertrouwlijkheid van hun gesprek dien

Dinsdagmiddag--ze kon 't zich niet alles meer woordelijk

herinneren--zelf iets daarvan laten merken..., door den toon van haar

woorden ... of den klank van haar stem ... misschien?...

Ze wist het niet.... Maar ze wou het weten, ze moest het weten. Anders

zou ze er altijd over blijven denken.... Want hij, Paul!... O! hoe

kónden die anderen toch gelooven, dat hij dronken geweest was!... Kenden

ze hem dan volstrekt niet, begrepen ze 'r dan niets van, wie hij was....

Hadden ze dat dan nog nooit gehoord: een man, die spreekt, in hevige

gemoedsbeweging.... Och! ze dachten zeker maar dat iedereen was zooals

zij allemaal, die zich dronken moesten drinken om uit hun nuchtere

verstandigheid, hun zelfzuchtig, berekenende vormelijkheid te komen....

Ja! ja!... Louis ook, Louis ook!... God! Hoe dikwijls had het haar al

gehinderd, haar innerlijk driftig, oproerig gemaakt, dat hij altijd maar

bleef zoo gelijk ... gelijk..., zoo bedachtzaam, zoo heerig bedaard, zoo

vriendlijk waardeerend of goedmoedig berispend..., dat, als hij zich

eens, een enkele maal, een klein beetje opwond, dat hij dan tóch

blijkbaar nog dacht aan 't geluid van z'n stem, de plooien van z'n

gezicht, de gebaren van z'n handen, dat hij dat nooit eens vergat, zich

nooit eens heelemaal gaf, zich eens liet gaan..., liet rennen en draven

als een vurig veulen in de ruime, welige wei!... Maar neen! Louis! als

je dien met een paard vergelijken wou, dan met zoo'n mooi, glad-glanzend

beestje, dat kwasi-fier in tuig loopt voor een opgepoetste coupé....

Maar Paul ... Paul!... Een mensch! een groot mensch, een mensch van

diepten oneindig!... Die dacht niet aan z'n houding, en hoorde niet z'n

eigen stem!... O!... ze kon in haar zelf, haar innigst zelf, de preciese

woorden er nog niet voor vinden--ze was ook zoo vreemd verward en

onrustig--maar ze voelde dat ze niemand, in de verste verte niemand,

niemand nog ooit zoo bewonderd had..., zoo gróót gezien....

En in-eens had ze die gedachte, als een vondst: hoe kon ze zich toch zoo

verbazen, dat hij 't wist, dat hij ontdekt had wat het eigenlijk was die

verhouding van haar en Louis..., hij die keek door je oogen heen en zag

wat daarachter lag, las met één blik de geheimen van je ziel....

Toch wou ze 't hem vragen, wou ze hem spreken, alléén.... Alleen zijn

met hem, dat was haar verlangen, haar enkle gedachte dien heelen dag....

Een gedachte, die zich uitzette, wijder werd, haar geheel-en-al kwam te

omvatten, toen eigenlijk ophield gedachte te zjjn, maar werd een drang,

een willen naar hem, een loutere lust om bij hem te zijn alleen, te

genieten, ongestoord, van zijn aanblik..., en dan te vragen ... ja, wat

eigenlijk?... Ze had soms in-eens een gevoel alsof ze dan niets meer te

vragen zou hebben....

* * * * *

Maar toen Louis haar 's avonds kwam halen om naar de comedie te gaan--de

heele familie stond al klaar, stond handschoenen aan te trekken beneden

in de voorkamer,--toen hij binnengekomen was, in zijn rok, haar met z'n

ijdelen glimlach een nieuwe bouquet aangeboden had en daarop, met een

luchtig lachje, alsof het zoo niets van beteekenis was, vertelde dat

Paul weer in-eens was vertrokken..., toen had ze een oogenblik, alsof

alles wat om haar was van haar af-ging, ver-weg, of het licht,

wegkrimpend, verdween, of ze heel alleen stond, op een dorre vlakte, in

bijna duister, zonder hoop, zonder eenige verwachting, zonder

toekomst-hoe-dan-ook.... Ze wou vragen: waarom?... Ze deed ook den mond

wel open, maar haar keel liet geen klanken door.... Papa en Marietje

deden het, vroegen met ijver, nieuwsgierigen aandrang. Toen hoorde ze

Louis zeggen, op z'n ironisch-lachenden meerderheidstoon, dat het Paul

verveeld had in Rotterdam, dat hij terug had verlangd naar de

Brabantsche boeren, en kikkers.... Ze schrok op, alsof ze iets vergeten

had, boven, en liep naar haar kamer, om een paar minuten in stilte te

zijn, te trachten zich rekenschap te geven van wat dat plotsling vertrek

voor haar was..., en ook ... omdat ze in-eens bang was geworden, dat ze

uit zou barsten ... in snikken...?

Snel liep ze de trappen op, bleef hijgende even staan daar boven,

leunende tegen den rug van een stoel, en als tastend, verward, naar

bewuste gedachten.... De tranen, waarvoor ze bang was geweest, bleven

weg, maar ook de heldere rekenschap. Er was niets dan een vale leegte

rondom, en in haar hoofd een duizlende warreling van duizend

gedachte-beginsels.... 't Was of ze ze zag, in de verte, haar eigen

gedachten, woelend dooreen, als menschen; een vechtende, hevig bewegende

massa..., ze hoorde 't gesuis van hun verre stemmen.... Ze kon er geen

een van verstaan....

Suf en willoos, haast aldoor zwijgende, liet ze zich naar de comedie

brengen. Ze reden er heen--ofschoon 't dicht bij was--werden al gewacht

in den foyer, door 't feestlijk gedoste gezelschap. Ze merkten 't

gelukkig niet op, al die menschen, hoe stil en gedrukt ze er

bijstond..., ze hadden weer ieder z'n eigen gedachten, stemming en

plannen.... Alleen Louis..., hem viel het weer tegen.... Zou iedere

maagdelijke bruid zoo schuchter, zoo saai, zoo bangelijk doen?... Enfin!

het duurde niet lang meer!... Hij bleef zacht, galant en voorkomend met

haar, sprak over het stuk, vertelde anecdotes over de acteurs om haar

aangenaam bezig te houden; totdat ze de zaal ingingen, en 't stuk

begon....

Toen zweeg hij, zwegen ze allemaal, kon ze eindlijk weer gaan probeeren

door aandacht-naar-binnen-gewend tot klaarheid en kalmte te komen. Ze

hield zich alsof ze oplettend keek naar het lichte tooneel, waar

menschen bewogen in kleurige kleeren uit vroegere tijden--meer wist ze

er niet van....

De schouwburg was vol,--maar zij hield nog dat vreemde gevoel alsof ze

alleen was, geheel verlaten.... Leegte, niets dan leegte, gemis, een

ijle duistere ruimte rondom. Gansch Rotterdam zoo stil ... dood ...

uitgestorven.... Omdat Paul er niet meer was. Ze merkte nu hoe hij die

heele week de stad voor haar had gevuld..., al 't andere verdrongen....

Hij is vertrokken. Paul is weer naar huis gegaan, naar zijn eigen tehuis

in Brabant, fluisterde ze telkens onhoorbaar voor zich heen, om 't

precies te gaan voelen zooals 't immers was, een eenvoudige gebeurtenis,

die alles verder onveranderd liet..., maar het ontsnapte haar telkens

weer, ze voelde dat ze 't in haar innerlijkst wezen nog niet kon

gelooven, ofschoon er geen enkele reden kon zijn om te twijfelen.... Ze

ging dan weer zitten denken aan hem. Ze trachtte zich al de oogenblikken

van z'n bij-haar-zijn te herinneren, en dan zei ze zich weer: dat is nu

uit; het is weer als vroeger, vóórdat hij kwam.... Maar 't scheen of het

met in haar door kon dringen....

Het gaf haar, ofschoon ze er zich niet geheel van bewust was, toch rust

dat niemand zich met haar bemoeide, dat die voorstelling daar hen allen

zoo bezig hield, terwijl zij kon denken aan Paul. 't Was maar half

bewust dat gevoel, zooals haar heele in-de-comedie-zitten ál minder was

in haar weten, want meer en meer gaf ze zich over aan

samen-met-Paul-zijn, in haar verbeelding, in herinnerings-droomen vol

schijn van genot.... En ze wist zelve haast niet, dat ze afgeleid was

door dat roepen daar boven van "zitten, zitten!" en 't gedachten-vol

hoofd wat had opgelicht..., toen eensklaps die schrik, in één schuddende

huivering ál haar droomen verdreef.... Daar stond hij!... daar boven!...

hij keek haar aan!... Paul, Paul!... Na 't eerste herkenningsmoment een

twijfeling: was hij 't wel? kwam 't niet door 't aldoor denken aan hem,

dat ze nu meende hem voor zich te zien.... En scherper, vaster, met

adem-inhoudende, oplettendheid keek ze.... Hij was 't! Hij was 't!... Nu

ging hij in-eens, schichtig, terug ... en was verdwenen.... Ze bleef nog

een paar minuten kijken naar de plek waar ze hem had gezien....

Totdat Louis iets tegen haar zei ... en ze antwoord gaf, met langzame

zinnetjes, moeilijk gekozen woorden. Ze hoorde ze zelf, maar 't was haar

toch of zij ze niet sprak, maar iemand daar op het tooneel.... En waarom

zei ze nu niet aan Louis, dat zij Paul daar gezien had?... Hoe wist ze

zoo dadelijk, dat dit een geheim was, dat Paul was gekomen om haar te

zien, maar door niemand anders gezien te worden?...

Haar denken werd nu veel koortsiger; 't benauwde en jaagde haar, zoodat

ze zich tegelijk zwaar-loomig-vermoeid en erg ongedurig voelde, met een

sterke neiging tot opstaan, ook naar daarboven te gaan, te loopen door

den schouwburg, te zoeken naar Paul....

Hij was dus niet weg.... Hij was hier, hier in de comedie.... En Louis

wist dat niet.... Louis dacht dat hij werkelijk was weggegaan. Dat had

ze wel aan hem gemerkt.... Dus had Paul van hem afscheid genomen, gezegd

dat hij wegging ... en was hij stil in de stad gebleven.... Waarom?...

Warm blozen voelde ze zich ... en een ontroering vol heerlijkheid, toen

ze zich-zelf daar 't antwoord op gaf: "Om mij ... Om mij...." Die klank

was muziek in haar hoofd.... Het was als 't verrassend-melodieuze begin

van een lied-vol-vreugde, voor 't éérst gehoord....

* * * * *

Het werd haar onmogelijk nu zich ook maar eenigszins rekenschap te geven

van al de gedachten en gevoelens, die plotsling druk woelend bevolkten

haar overvol hoofd, haar zwellend gemoed. Ze voelde zich of ze op-eens

was veranderd, herkende zich niet.... Een nieuw leven, o! een glanzend

rijk, vol-warm in haar opgolvend leven had het vale oude, het zware en

zorglijke plotsling verdrongen.... Ze was een schuchter, lief, bedeesd

kind geweest..., nu was ze een bloeiende jonge vrouw!... O! 't kon geen

werklijkheid zijn, 't was een droom, een betoovring, een roes..., ze

wist wel.... Maar toch, ze zag alles, de menschen en de dingen in zoo'n

scherp-helder licht; ze was zich zoo meester; haar woorden, haar stem

had ze zoo in bedwang, ze kon zich een houding geven en plannen bedenken

met zoo'n vér-ziende bedachtzaamheid, dat het toch wèl een heel

bizondere roes moest zijn.... Dadelijk toen 't scherm na 't eerste

bedrijf was gezakt begon ze te praten, Louis te vragen naar alles van

Pauls vertrek, zoo luchtigjes-weg, als was 't haar te doen om wat

amusement met het gekke geval..., ze liet het hem alles precies

vertellen, hoe 't was gegaan, welken trein Paul genomen had, hoe laat

hij dan thuis kon zijn, dat hij wat eten zou aan het station ..., en ze

genoot van 't idee, dat ze 't zelf zoo veel beter wist, maar deed of ze

't kalm accepteerde, het enkel wat mal vond en vreemd.... Ze speelde

gewoon-weg comedie; ze verbaasde zich over zich-zelf, maar schaamde

zich niet; ze moest dat geheim toch bewaren, dat heerlijk en

hevig-geweten geheim.... Toen de voorstelling weer was begonnen lette ze

'r nu en dan ook wat op om den draad niet te verliezen, want ze wou er

straks over mee kunnen praten. Ze moest vooral heel gewoon doen,

vroolijk en net als de anderen, dat niemand iets merken kon.... Maar

intusschen zat ze zich telkens wild-fantastische verhalen te doen, zich

te verbeelden allerlei erge en vreemde dingen, die konden gebeuren met

haar en Paul.... Dat hij haar schaken kwam, met een masker voor en een

geladen pistool in de hand..., dat er brand kwam, iedereen vluchtte, en

hij haar kwam redden, haar opnam, in zijn armen, en tegen zich aan....

Zij zwierf met hem door woeste streken, zij vluchtte met hem over verre

zeeën..., allerlei hoogromantische avonturen wist ze zich te

bedenken.... En zij genoot er van, haar wangen en slapen gloeiden....

Telkens keek ze weer op, naar die plek waar hij had gestaan..., maar hij

kwam niet terug....

In de pauzen praatte ze druk, lachte een paar maal luid-uit, als in

opgewonden plezier. Louis had er pret in; zoo zag hij haar graag, zoo

moest ze nu altijd zijn, dacht hij ... en zoo zou 't ook wel worden!...

Ja! hij wist het toch maar, hij had den slag beet om zoo'n meisje te

boeien!...

Maar 't hinderde hem weer tot ergernis toe dat ze niet met hem in een

afzonderlijk rijtuig naar huis wou rijden, wat mogelijk geweest zou

zijn, daar papa en Willem nog met andere heeren naar de societeit

gingen.... Wat was dat nu? Werd ze coquet?... Enfin! nog een paar

dagen..., nog een paar nachten maar....

* * * * *

Dadelijk toen Annie op haar kamertje kwam, deed ze, met haastig bewegen,

de deur achter zich dicht, en op slot. Ze was blij dat ze eindelijk

alleen was, alleen op haar eigen vloer, tusschen haar eigen muren en

meubelen. Die mochten 't wel weten..., wisten 't ook al..., ze stonden

alle naar haar te kijken, zwijgend gemeenzaam, als waren ze erg

benieuwd wat ze nu zou gaan doen.

Vlug ging ze recht naar haar waschtafeltje, waarboven de grootste

spiegel hing, en staarde zich aan met een gretigheid als had ze

zich-zelve nooit nog zoo gezien. Haar blikken omgleden haar hoofd en

haar hals, haar schouders en buste kritisch-opmerkzaam, bijna

bewonderend.... Dat was zij nu.... Zóó was zij nu.... Zij ... Annie de

Boogh, 't meisje om wie Paul Holman heimelijk in de stad was gebleven en

naar den schouwburg gekomen.... Om haar te zien!... Wat stond hij daar

voorover geleund in scherp-aandachtig turen.... 't Was of ze zijn blik

had gevoeld, daardoor opgekeken.... O! en daarom riepen de menschen van

zitten!... Hij benam hun daar 't gezicht op 't tooneel.... Zij begreep

het nu pas heelemaal....

Ze bleef voor den spiegel staan soezen, maar keek er niet meer zoo strak

in.... Wiegelend op één been, en met een glimlach, stond ze weer te

overdenken die dagen sinds Zaterdag.... Al zijn blikken en houdingen,

Zondag op de receptie, Dinsdag-middag..., en Donderdag-avond..., en zijn

woorden, den klank van zijn stem, die opwinding gisteren, 't was of ze

nu alles begreep, ofschoon ze nog bijna niet dorst....

Ze nam nu ook haar handspiegel op, hield zich dien achter het hoofd, en

links, en rechts, bekeek zich 't profiel, bracht haar hoofd en haar lijf

in verschillende standen. Toen maakte ze zich de haren los, liet ze

golven en kroezen over haar schouders en rug, schudde ze, speelde er

mee.... En ze bleef weer éven droomerig stilstaan, zich aldoor bekijkend

met vollen blik..., en liet langzaam de hand met den spiegel zakken,

neer langs haar lijf!... "Mooi!... Ik ben mooi!... Ik geloof dat ik mooi

ben!" fluisterde ze toen heel zacht en verrukt voor zich heen, keek

schichtig om naar de deur, als was ze toch bang dat iemand het had

kunnen hooren....

Maar ze was alleen. Alleen met haar rijkdom van nieuwe gedachten, haar

gloeiend nieuw leven..., en met de stille dingen rondom. Haar kastje,

haar stoelen, haar bed, goeie kameraden van het vroegere.... De tafel

lag vol met toiletgerei, over de stoelen hingen haar kleeren; ze had

zich zoo vaak en zoo haastig moeten verkleeden de laatste dagen....

Een witte ruche, die daar ook lag, nam ze op; ze wist wel die stond haar

zoo goed; ze ging er mee naar den spiegel.... Maar in-eens bleef ze stil

staan..., luisterde aandachtig.... Buiten ging iemand voorbij, een

mannestap, zwaar in de nachtlijke stilte.... Hoorde ze een kuch?... Ze

ging snel naar 't raam, schoof 't open, stak in 't dun-luchtige buiten

haar gloeiende hoofd met de donkere haren, golvend neer langs wangen en

ooren met kittelend gekroes.... Een mannefiguur liep een eindje verder

al ... keek ook niet op.... Neen! Hij was het niet. En ze sloot het raam

weer, met een licht gevoel van teleurgesteld zijn.... Ze rilde even en

sloeg zich de armen om 't lijf; er was nachtkilte binnen gekomen.... Ze

ging zitten, was plotsling ernstig en ietwat beklemd.... Die ijle kilte

en duistere leegte daar buiten!... Het was haar in-eens alsof er iets

dreigde, iets donkers en zwaars.... Zelf kuchte ze een paar maal, en

huiverde opnieuw van halve ontnuchtering, en vage vrees.... Waar dacht

ze ook weer aan?... O ja!... Paul, natuurlijk Paul!... Maar ze ging

immers trouwen met Louis, z'n broer, aanstaanden Dinsdag al..., over

vier dagen.... God! God!... al over vier dagen.... Ze schrok er

plotsling van.... Een angstgevoel bonsde dof op in haar keel.... Dan

geen gedachten aan Paul meer!... Over vier dagen.... vier dagen ... vier

dagen....

Maar ze ging toen nog even, die ruche om haar hals, voor 't heldere,

geslepene spiegel-glas staan.... En daar golfde 't weer op, het nieuwe,

wijde, gloed-volle leven; de angst vaagde weg; ze liep door het stille

vierkante vertrekje met een veerenden tred, waar ze vreugde in

voelde..., alleen ze bleef zich nu vaag bewust dat die vreugde verboden

was....

Nu stond ze bij 't gaslicht, hield zich den handspiegel vlak voor 't

gelaat, zóó dicht dat ze 't glas bijna raakte, de koelte er van voelde,

terwijl het besloeg door haar adem. Wat zijn oogen toch prachtig,

mijmerde ze, wat 'n mooie, groote, levende dingen, zoo diep-glanzend,

zoo onbegrijpelijk.... Maar die andere, de zijne, waren veel mooier

nog.... Daar was álles in, meer dan je wist dat bestond... o! de

oneindigheid ... de gelukzaligheid....

Langzaam, dralend, begon ze zich eindelijk uit te kleeden..., soms even

huiverend....

Maar telkens hield ze op, bracht haar oogen op nieuw tot zoo vlak bij

dien spiegel, en dan week de benauwende dreiging der werklijkheid weer,

was ze dadelijk bij hem, bij het wijde en hooge, het mooie en

mysterieuze....

Waar zou hij nu zijn?... Als ze daaraan dacht, luisterde ze

onwillekeurig.... Maar er ging enkel nog nu en dan zoo'n eenzame

mannestap snel voorbij.... Als hij nu toch eens werkelijk weg was ...

met een lateren trein..., nu al ver weg, in Brabant misschien....

Ze geloofde 't niet. Morgen zou ze hem weer wel zien....

Maar morgen kwam, en ze zag hem niet. Er werd telkens gescheld, maar hij

was het nooit. 's Middags ging ze uit, zocht ze een paar uur lang op

straat--in de winkelstraten, in 't park--maar hij was er niet. Louis

kwam 's avonds weer, sprak niet over hem. Hij was er niet meer, hij was

nu weg, voor goed weg....

En dat nieuwe leven..., waar was 't nu?... die gloed, die kracht van

gisteren-avond?... Was 't dan toch enkel een tijdelijke roes geweest,

een koortsige opgewondenheid?... Neen, neen!... soms was het er weer,

in-eens, een vlaag, maar ... vreemd! de vreugd was er af, het was bijna

een pijn nu, als de na-schrijning van een te fel genot, dat slecht is

geweest....

Er was weer ruzie in huis dien Zaterdag, den ganschen drukken,

rumoerigen dag. Telkens zoo'n dreunende slag van een deur, en

schettering van schelle stemmen door de kamers, en over de gangen en

trappen, waar de hakken hamerden het harde hout,--op Zaterdag lagen er

geen loopers. Veel gebel aan de voordeur, allerlei kooplui en menschen

met kwitanties; de meiden boos en gejaagd. Aan de koffie sloeg de oude

de Boogh in woede een bord kapot, waar Marietje nerveus om lachte. Hij

gaf haar een klap om de ooren. En zij huilen; mama er toen fel tegen in,

lamenteeren en hatelijkheden zeggen.... Willem liep er uit, bleef weg

dien dag, dineerde bij Stroomberg.

Maar Annie deed niets, zei niets. Zwijgend, apathisch zat ze er bij. De

anderen keken wel telkens naar haar; maar, met zekeren

schroom,--eindelijk wat eerbied misschien voor de sfeer harer

bruidsgedachten--vermeden ze haar in 't 'krakeel te betrekken, trachtte

ook niemand haar bijval te winnen. Ze voelde het wel. Maar vroeger zou

dat haar dankbaar en zacht, tot sussend bedaren hebben gestemd. Nu

niet....

Het kon haar niet schelen. Het was wel heel erg, maar zij had iets

ergers. Paul was weg; was weg voor altijd. En zij had hem lief. Niemand

dan hem!...

En als een gevaar, dat niet was te keeren, als iets ontzettends dat zij

alleen wist, die er niets tegen kon, dreigde nu, dichter en dringender

iedre minuut, die gebeurtenis, rauw, noodzakelijk, noodlottig, dat feit

in de onmiddellijke toekomst; en die dag, het harde licht van dien dag

kwam daverend aan, met woesten drang en meedoogenloos lachen, de dag van

haar trouwen met Paul z'n broer, dien Louis, van wien ze--als ze ooit al

van hem gehouden had--nu bijna afkeer gevoelde....

O! Ze had nooit geweten, dat het zoo vreeslijk kon zijn....

Ze had het tot nog toe altijd maar in de verte gezien,--en dan wel vaak

als iets zwaars en duistere, nog onbegrepens en vagelijk angstigs--maar

nu was 't vlak bij en zag ze 't in-eens als een monster, afzichtelijk,

enorm ... dierlijk, dierlijk ... wreed en geweldig ... en zij was zoo

zwak, zoo klein, zoo alleen.... Wat moest zij beginnen?!...

In 't weg-wazende middaglicht was het vooral dat ze 't voelde met

trillenden angst.... Iets ontzaglijks!... De schaduw lag over haar.....

's Avonds bij 't rossige schijnsel, dat binnenskamers alles vermooide,

de muren sloot en nabij-bracht, toen Louis kwam, de ruzies verstomden,

de stilte in het huis stond, toen ze zag dat het toch enkel Louis maar

zou zjjn, dien ze zoo goed kende, haar ouden,

aanhankelijk-en-lief-doenden jongen, toen werd het wel minder

schrikwekkend en ruw.... Maar lang, lang, en altijd eender, onafzienbaar

... dor en troostloos.

En toen hij weg was begon 't weer te groeien met hevige schokken van

schrik.... Zonder liefde zich geven ... zij ... o! zij!... aan een

vreemden man.... Hem moeten toestaan....

Telkens schrikte ze wakker dien nacht, éénmaal zelfs met een schrillen

gil, die lang nog naklonk in 't nachtlijk-stille. Ze sliep haast niet.

Ook keerde haar angst-voor-duister terug, verbeeldde ze zich

herhaaldelijk stappen en stemmen te hooren, figuren te zien, die slopen

en kropen.... En ze herkende weer vele gedachten, vele gezichten en

sentimenten van uit dien zwaren, donkeren tijd, de vorige najaars- en

wintermaanden....

Lang lag ze droogoogig te staren, dorst ze niet huilen, uit angst voor

geluid....

Zondags was er een diner bij een van de ooms. Annie was stil en

abstract, zag er slecht uit, vermoeid. Het was opvallend; het drukte op

de partij, de gasten spraken er over, onder elkaar, op gedempten toon,

maar zóó dat Louis het moest merken.... Toen voor 't eerst maakte hij

zijn bruid, terwijl hij haar thuis bracht, kregel-korte verwijten

daarover: Wat moesten de menschen toch wel denken!

En dadelijk toen hij er over begonnen was, op dien toon, dien ze niet

van hem kende, en die haar prikkelde, haar beleedigde, voelde Annie, dat

nu net moment was, dat ze 't zou zeggen, het gedurig verborgene, 't zoo

moeizaam en lang onderdrukte;... ze voelde 't met angstigen schrik, want

ze dacht het zoo diep en zoo veilig begraven, ja bijna verstikt in haar

binnenst; voor hem had het altijd geheim moeten blijven!... Maar 't

wilde er nu uit; onbedwingbaar drong het haar naar de lippen, ze zei het

ondanks zich zelve, in wilde schokken van telkens enkele woorden: 't Kon

haar wat schelen, wat of ze dachten!... Wat was 't voor die menschen!

niks! niks! die vonden 't wel aardig, wel interessant!... Maar voor

haar!... Voor haar was 't verschriklijk.... En voor hem ook, voor hem

ook!... Maar 't was nu eenmaal zoo!... Ze kon het niet helpen!... Ze zag

er zoo tegen op!... tegen Dinsdag ... o God! vreeslijk zag ze er tegen

op!... Omdat ... omdat ze niet wist.... Omdat ze niet dacht.... O God! o

God!... dat ze genoeg van hem hield.... Ze had altijd gehoopt ... en zoo

stellig verwacht, dat het wel zou veranderen.... En 't moest ook, het

moest, het moest!... Want anders zou 't al te gruwelijk zijn!... Maar 't

was nu nog net als dien dag, toen hij haar had gevraagd en zij 't

eigenlijk wel had gevoeld, al dadelijk, dat het niet heelemaal goed was

... maar had gehoopt, had gehoopt.... Want dan zou 't immers zoo mooi

geweest zijn, zoo heerlijk, zoo.... O! ze wist niet hoe 't kwam! Hij was

altijd zoo lief en zoo goed voor haar.... Maar hij was--ze zou 't hem

alles maar zeggen nu--hij was ook eigenlijk nooit 'is natuurlijk, nooit

zich zelf heelemaal, nooit wáár.... Altijd gedwongen, gemaakt ... en dan

zoo bedáárd...? zoo vrééslijk bedaard!... Ze geloofde dat hij, als een

diplomaat, vooruit z'n woorden woog, z'n zinnen klaar maakte ... en dat

hij eigenlijk altijd dacht aan z'n stem, z'n manieren, z'n houding....

O! ze wist wel, 't was gemeen van haar hem dat alles te zeggen ... maar

't moest er nu uit, ze kon het niet langer verkroppen.... Ze zou 't zoo

heerlijk hebben gevonden ... als ze van hem had kunnen houden, als van

... als van ... als van iemand, die boven haar stond..., die haar

heelemaal vervulde van bewondering, van....

Maar kort, met een scherpe, krakende stem, viel hij haar in de rede....

Hij zei niet veel, maar 't had een kouden, ironischen klank, het had

iets van een hoonend bevel.... Hij zou maar aannemen, dat ze wat erg

nerveus was, ze moest thuis maar wat Hoffmann nemen, in een glas koud

water.... Hij sprak net tegen haar zooals--ze had 't eens, met

verbazing, gehoord--tegen een van zijn jonge bedienden, dien hij met

minachting placht te behandelen....

Louis was zeer geërgerd, gehinderd, meer niet.... Zij voelde wel, 't gaf

toch allemaal niets met hem, hij deed nooit moeite haar te begrijpen....

Ze zweeg maar, liep schokkend te snikken.... Even later waren ze

thuis....

* * * * *

Toen hij alleen was sloeg Louis een paar maal met driftige kracht zijn

dun-gerolde parapluie tegen 't straat-plaveisel; de taats vloog er

af.... Die kuren moest ze nu niet gaan beginnen, dat was vervelend!...

Als 't zoo moest gaan....

Maar hij haalde er al gauw z'n schouders over op, ging voor een verzetje

nog even in 't Zuid aan; daar zaten wat kennissen. Hij dronk een paar

sterke grokken, speelde ook nog een partijtje biljart....

Maar Annie liet zich, zóó als ze was, op haar bed neervallen, om te

huilen ... om uit te huilen ... het hoofd in haar kussen.... Zoo lag ze

daar, uren, en vond ze zich-zelf in den killen morgen, met huivring

ontwakend.... Had ze geslapen?... O! slapen was goed; gauw weer terug in

den slaap!... En ze deed alleen haar japon en corset uit, en 't haar

los, ging toen weer in bed en sliep een zoet-verdoovenden slaap tot

Neeltje op de deur kwam kloppen.... Negen uur! Werktuiglijk stond ze

toen op, doodmoe en suf in haar hoofd....

Dit was dus Maandag, de laatste dag....

Zij moest haar koffer pakken voor de reis.

's Morgens maakte mama haar een standje om haar bespotlijke,

aanstellerige, stil-zijn van gisteren, ál maar om interessant te

schijnen.... Maar dat was niets; zij hoorde het amper, gaf heelemaal

geen antwoord, des te gauwer was 't uit....

Hoe vreemd, die dag!.... Zij was toch wakker, zij droomde niet meer,

hoorde geluiden, zag menschen en dingen. Toch wist ze niet wat ze deed,

wat ze zei. Ze gaf antwoorden, die op de vragen niet sloegen, sprak

onzin, zag dat haar huisgenooten elkaar er bij aankeken en er om

lachten.... Tegen den middag nam mama haar apart--de ergernis scheen wat

op zij gezet nu, want de toon was goedmoedig-beschermend.--Ze zei, dat

ze 't wel had gezien, dat Annie, gehuild had...; ze moest zich toch

heusch zoo van streek niet maken, ze moest zich daar toch tegen in

zetten!... Ze begreep wel, mama, wat het was, waar Annie zoo erg tegen

op zag. Maar, och!--mama deed haar best ondeugend te kijken--ze moest

maar niet bang zijn!... het was zoo verschriklijk niet als ze wel dacht,

en 't hoorde nu eenmaal zoo bij het getrouwde leven, niet waar?... "Wat

bedoelt u?... o!... ja!... ja!... dat's goed," zei Annie verstrooid....

Ze pakte dien koffer al veel te vroeg en zwoegde er zelf toen mee naar

beneden, de trappen af, tot in het portaal. Juist kwam haar vader

thuis: "Maar mijn God, kind, wat is dat nou voor nonsens, ben je nou

zelf met dien koffer aan 't sjouwen, dat's nou toch gekkenwerk! Dat

kunnen de meiden toch doen!... En dat ding kan toch hier niet blijven

staan tot morgenmiddag!"

Toen was het haar in-eens alsof ze ontwaakte; uitbarstend in snikken

liep ze als een gejaagde de trappen weer op, naar haar kamer, viel daar

weer neer op haar bed....

De oude De Boogh trok zijn wenkbrauwen op, glimlachte minachtend, bromde

nog door van nonsens en gekkenwerk, en die zenuwen tegenwoordig. Hij

vertelde het geval aan Willem en Marietje, die er een dolle pret in

hadden, vooral 't jonge meisje; die schaterde 't uit! "Die malle Annie!

ze is heelemaal d'r hoofd er bij kwijt!" gilde ze....

Toen 't etenstijd werd gebeurde er ook iets geks, iets dat "nog nooit

was vertoond," zei mama. Annie riep haar naar boven bij zich, vroeg

koortsig rillende of ze voor ditmaal alleen op haar kamertje mocht

blijven eten; ze had zoo'n vreeslijke hoofdpijn.... Mama was verbaasd,

ze begreep het niet, zei ze; een ander zou er nu juist prijs op hebben

gesteld den laatsten dag voor haar trouwen nog aan de familietafel te

eten.... Maar enfin! ze wou 't haar natuurlijk niet weigeren vandaag!...

Ze moest dan ook maar vroeg naar bed gaan, áls ze zoo'n hoofdpijn had,

want morgen moest ze frisch zijn en flink, dat begreep ze zeker wel,

geen kwalen, en geen zenuwachtigheid, de menschen lachten daar maar

om.... Goed, zei Annie, ze zou dadelijk na 't eten naar bed gaan.... Ze

zei dan haar moeder maar vast goeden nacht; ze gaf met haar bevende

lippen een zoen op de droog-strakke wang, die haar toegedraaid werd....

't Was Neel dis haar 't eten bracht. "Je kunt de boel morgen-ochtend wel

weg halen, hoor," zei Annie, "laat het van avond maar staan...."

"Goed juffrouw!... Is u niet wel, juffrouw?"

"Nee, ik heb erge hoofdpijn...."

Het meisje bleef nog even aan 't schalen verzetten, trok het tafelkleed

recht, keek nog eens of er wel water was in de waschtafelkan en de

kraf..., gluurde intusschen angstig naar Annie.... Wat zag die er uit in

de laatste dagen!... Ze schrok er van, telkens als ze de juffrouw

zag.... God! Zou 't toch 't rechte niet zijn!... Maar de juffrouw keek

haar niet aan. Toen ging ze dralende weg, hoorde achter zich dadelijk

den sleutel draaien in 't slot....

* * * * *

Annie dacht niet aan eten; 't was haar enkel te doen om alleen te

zijn.... Ze had een soort van besluit genomen, heel plotseling, naar het

haar toescheen, in één onvergeetlijk levensmoment van den hoogsten

ernst, in heftige spanning van wil.... Maar ze dorst het nog haast in

zich-zelve niet zeggen.... Denken moest ze, denken, lang en geregeld er

over denken..., en dat kon ze maar niet.... Als ze haar gedachten wilde

bepalen, gleden ze weg, als schimmen; ze kon ze niet vasthouden....

Het besluit was, dat ze het niet zou doen.... Het mócht niet, het kón

niet.... Zooals ze 't nu zag, zooals ze 't nu vóór zich voelde, begreep

ze hoe slecht het zou zijn.... Nooit vroeger had ze het zoo gevoeld, zoo

geweten wat het eigenlijk was.... Kwam dat door Paul alleen?... Of ook

doordat ze 't altijd nog zoo ver af had gezien, zich er nooit nog

volledig in weg-gedacht had, doordat er altijd iets dadelijk-noodigs te

doen was geweest, en nog zóóveel om aan te denken, zóóveel om voor te

zorgen, voordat die trouwdag kwam.... Als ze 'r vroeger aan dacht, 't

zich verbeeldde, 't getrouwd zijn met Louis, dan had ze wel altijd

gevoeld--een armelijk gemis, een leegte onpeilbaar--dat het niet worden

zou, zooals ze gehoopt had, gedroomd, in visioenen gezien, in zalige

bevingen vóórgeproefd..., maar dan was ook weer altijd gestegen in haar,

gegroeid, tot haar ziel er van vol was, die hooge vereering voor

God-de-liefde, dat innig geloof aan die groote macht, de al-omvattende,

onbaatzuchtige, opofferende liefde.... En dan had ze de kracht

gevoeld.... Maar als ze nu die ideeën in zich oproepen wou, ze in zich

noemde die hooge begrippen, wier namen alleen-al haar vroeger zoo

dikwijls hadden gesterkt..., dan hoorde ze niets dan leege woorden,

matte geluiden, zonder ziel en zonder bezieling.... net was weg ... Paul

had het weggenomen.... Paul had alles veranderd in haar.... Zij voelde

nu niets dan haar eigen verlangen, naar hém!... Dát gloeide, dat

brandde, dat was het eenige werkelijke.... En ze huiverde telkens als ze

aan morgen dacht.... Morgen! morgen! het was zoo ontzettend dichtbij, en

o! zij gruwde ervan, zij had er een afschuw van ... neen, neen! het kon

niet, het mocht niet; vast was ze besloten!... 't Zou een misdaad zijn

aan haar zelve, en aan Louis....

Dat hij ook altijd zoo lief en haast al te gedienstig, zoo vriendlijk en

zacht voor haar was geweest!... Behalve dan gisteren-avond. Want toen

had hij hard en minachtend gesproken! Zoo kon hij dus toch ook zijn!...

O! maar begrijpelijk was 't! wat had zij 'm ook allemaal niet

gezegd!... Wat 'n vreeslijke dingen; hoe ruw en wreed was dat van haar

geweest!... Hoe zou hij nu wel over haar denken! Het was afschuwelijk

dat ze hem zoo'n verdriet moest doen.... Ja, dat was wel 't ergste, het

allerergste.... En toch, als ze trouwden, zou ze hem bedriegen, ze wás

hem niet trouw..., en zou hij toch ook ongelukkig worden ... Louis

ongelukkig!... Ze kon zich niet voorstellen hoe dat zou zijn.... Maar 't

moest toch wel.... En dat zou dan toch nog veel vreeslijker zijn....

De vrouw van Louis..., met hem alleen, met hem samen op een

slaapkamer..., terwijl hij zich uitkleedde, en zij zich uit moest

kleeden.... En dan zou hij naar haar toekomen met dien lach en dien

blik, die ze al wel kende.... O! nu ze eenmaal besloten had dat ze 't

niet doen zou, nu kon ze er haast niet aan denken meer, scheen het

onmogelijk, grotesk, een afzichtlijke leugen.... Louis op haar kamer,

een vreemde.... Want ja, een vreemde was hij voor haar nu, een bijna

vijandige vreemde.... Als ze zoo aan hem dacht voelde ze 'n driftigen

toorn tegen hem, zou ze hem kunnen slaan in 't lachend gelaat.... Waarom

had ze 't toch vroeger nooit zoo gevoeld;... hoe bot, hoe stomp..., hoe

laf en week..., nee, dát toch niet..., maar hoe vreemd abstrakt en

onpersoonlijk, hoe weinig zich-zelf was ze altijd geweest, vóórdat Paul

was gekomen.... Nú zag ze zich-zelf, nu leefde ze pas haar eigen

leven.... Hij had haar ontdekt aan zich-zelf, Paul!... Paul!... Hoe had

ze 't zich toch kunnen verbergen, dagen lang, dat ze hem lief had! Dat

begreep ze maar niet. Want ál wat ze in zich had riep nu om hem, rilde

van liefde, verlangen naar hem!... Aan zijn goed, groot lijf, zijn

dof-donker mannelijf wou ze nu hangen, aan zijn schouders, aan zijn

hals, hem zoenende, zoenende..., op z'n borst op z'n armen..., z'n

lichtend gezicht, z'n oogen waar ál haar geluk in lag....

Vreemd was dit:--want ze was nu toch zoo ongelukkig, wanhopig, ze wist

niet wat te beginnen--toch!..., als dat groote gevoel zoo in haar kwam

zwellen, haar geheel doordringend, zoodat ze 'r zich van gedrenkt, haar

borst, haar hoofd, haar keel, haar polsen, haar gansche lijf er zoo vol

van voelde..., dan was 't haar als stond ze in een golvende zee van

geluk, dan voelde ze 'n zalig omklemmenden waan van genot, een

zoet-doovenden, drukkenden drang, een hijgend verlangen naar kussen van

hem, een smachten naar willoos en machtloos zijn, in zijn armen.... Dan

was ze vergeten ál het lijden van zooveel jaren....

O! Ze wist nu wel: ze had het dadelijk gevoeld, het opgolven van de

verrukking, toen ze voor 't eerst hem zag.... Maar zoo lang ze hem bij

zich wist, of hem verwachtte, telkens opnieuw, had ze een bedrieglijke

emotie gehad, alsof het geluk er al was, alsof hij nooit weg zou gaan;

het begon pas, ze had niet gedacht aan een einde.... Hij had dus heen

moeten gaan om haar te doen voelen wat hij voor haar was geworden, dat

ze hem niet meer missen kon, dat de gansche wereld droef-donker en leeg,

het leven een lange, stom-treurige gang, en alles en iedereen leelijk en

slecht was, zonder hem!...

Wat moest ze nu doen?... Ze wist niet of Paul van haar hield.... Ze

hoopte ... ze geloofde!... maar ze wist niet.... Waarom was hij zoo

plotsling weggegaan ... en toch nog even, ter sluiks, gekomen in de

comedie!... Waardoor was hij dien avond van 't bal, zoo driftig, zoo

hevig bewogen geweest..., en al vroeger eigenlijk ook, al dadelijk na de

receptie.... Waarom? als 't niet was, dat hij van haar hield?...

Tóch....

Ze wou 't nu morgen dadelijk zeggen. Aan Louis en haar ouders. Dat ze 't

niet deed. Dat het niet kon. Aan Louis 't eerst. Ze zou hem alleen zien

te spreken, 't hem uitleggen, zacht, zacht, en hem dan bidden, op haar

knieën, haar te vergeven....

Dan aan haar ouders.... 't Gelukte Annie ook daar zich in te denken, 't

zich voor te stellen.... Ze hoorde 't zich zeggen.... Maar toen schrok

ze hevig, begon te beven, van 't hoofd tot de voeten, en hijgend te

snikken.... Ze had gevoeld dat ze 't nooit durven zou....

Het was al laat in den avond geworden. Eerst, om zeven uur, zeker toen

't eten beneden was afgeloopen, had ze haar moeder aan hooren komen, de

trap op.... Die had gepeuterd aan de deur, toen geklopt, gevraagd of ze

sliep, ze had geen antwoord gegeven, zich stil gehouden. Toen was ze

weer stommelend teruggegaan, mama....

Ze hadden haar verder met rust gelaten.

't Was laat nu; alles was stil in huis, het eenige geluid in de kamer

waren haar zachte snikken.... O God! o God!... het zou nooit gaan! ze

zou het niet uit durven spreken!... Line en Marietje zouden komen om

haar te kleeden.... Dan Louis!... dan de familie, de rijtuigen, al de

officieele deftige drukte.... Ze zou niet durven.... Onmogelijk!... haar

borst zou dicht geschroefd zijn.... Ze zou zich mee laten nemen in 't

ratelende rijtuig.... O God! o God! wat te doen....

Zij lag op 'r bed, overmeesterd van wanhoopsgedachten, machtloos er

tegen.... Eén denkbeeld, duister, ijl en leeg, maar toch van een

vreemd-zachte stilling, was telkens voorop in haar geest: het zwarte

water, hier voor de deur.... Ook had ze in de kast nog een doos, bijna

vol, van die poeders, haar toen door den dokter gegeven, voor

hoofdpijn.... Maar één tegelijk nemen, 't is vergif, had de dokter

gezegd.... Als ze die nu allemaal achter elkaar nam, zou ze dan dood

zijn?...

Maar met een siddering herdacht ze dan weer haar heilig verfoeien, van

kind af gevoed, haar afschuw van zelf-een-eind-aan-je-leven-maken..., en

krimpend inéén tot een knielende houding, bad ze van God haar daartegen

toch te beschermen.... En ook was er die verre gedachte van hoop--waar

ze eerst nog geen redding in zag--dat Paul van haar hield, dat hij

misschien ... in-ééns ... door een wonder....

Ze had nooit aan wonderen geloofd.... Maar nu bad ze er om, geloofde er

aan.... Het was haar telkens alsof wat ze bad toch ergens gehoord werd,

of er boven haar, boven het huis, boven de stad, een heilige

schemer-sfeer stond, waar witte engelen onhoorbaar in zweefden. Die

konden redden. Tweemaal keek ze in haar exaltatie naar 't kamerplafond,

of 't niet werd weggenomen, door engelenhanden, als de steen van Jezus'

graf, en zij verlost, en gevoerd door het groeiende licht naar hem, haar

bruigom, Paul ... Paul!...

* * * * *

Diep in den nacht, in den plechtigen nacht.... Ruischende stilte....

Soms even, zwak in de verte, 't eenzaam huilend gefluit van een boot of

een trein....

't Bleef hangen in haar mijmerend hoofd, dat nu rustiger werd, als aan

wanhoop gewend....

En in-ééns: wát een gedachte was dat!... Zij schoot er van op,

recht-op!... Vluchten ... vluchten ... morgen heel vroeg ... naar hem,

naar Paul in Brabant....

Maar ze wist immers niet....

O! zou hij haar tóch niet beschermen, haar helpen....

Vluchten naar hem!...

Langen tijd was 't haar onmogelijk 't plan te overdenken,--hoe het te

doen was--, zoo vol was ze van het idee alleen, zoo vol overstelpend

gevoel, dorstend verlangen.... Bij hem zijn weer! uitsnikken tegen hem

aan..., en dan misschien wel mogen blijven, stil, als z'n schaduw....

Maar eigenlijk begon ze 't idee te bemachtigen, kwam ze tot eenig

gedachten-bepalen.

Een spoorboekje had ze niet.... O ja!.... tóch ... nog een oud van

verleden-jaar-zomer; 't lag onder in 't kastje bij brieven en andere

dingen, die verscheurd konden worden; ze had het nog pas in 'r handen

gehad.... Ze ging het zoeken, sloop op haar teenen door 't angstogend om

haar heen staand vertrek.... 't Gaslicht brandde nog altijd, gaf hittige

warmte....

Daar had ze 't ... Brabant.... Waar was 't nu.... O! de kaart ...

Eindhoven..., 't moest daar in de buurt zijn..., hij had het haar eens

gewezen.... Maar op dit kaartje stond het niet.... Toch, Eindhoven, als

ze daar maar was.... Nu in 't boekje zoeken.... Nummer negen.... Den

vorigen zomer was er een trein om vijf uur dertig 's morgens.... Vijf

uur dertig, spoortijd..., dat's tien minuten voor zessen.... Dan sliepen

ze allemaal nóg, hier in huis.... Als die trein er maar weer was...,

dat zou gaan....

Haar hart bonkte zoo hevig op, dat ze bang was dat het geluid gaf....

Het was nu twee uur. Om half zes zou ze op straat moeten zijn.... Slapen

kon niet, natuurlijk, dan versliep ze zich.... Ze zou 't ook niet

kunnen!... Haar wijd-open oogen staken, haar lippen brandden, haar

voorhoofd klopte, gloeide, maar de doffe loomheid van slaap was niet in

haar leden....

Nu geld!... Dat had ze!... Niet veel meer, ze had er Louis een cadeau

van gekocht, maar toch wel genoeg.... Boven in 't kastje.... Ze nam het

er uit, telde; 't waren guldens..., zes ... zeven ... o genoeg,

gelukkig!... acht, negen.... De negende glipte uit haar angst-klamme

vingers tegen een anderen aan, met even rinklend geluid.... Ze

luisterde, ademloos.... Maar de stilte ruischte weer voort....

Toen lei ze de guldens uit op haar bed, en stopte ze één voor één in

haar portemonnaie en die in haar zak.... Ze hield telkens den adem in,

luisterend, want ze werd nu angstig, dat ze toch plotsling leven zou

maken ... en er iemand zou komen....

Iets anders meenemen nog?... Nee, nee ... o! als ze maar weg was!... Nu

brandde de grond, de minuten kropen....

* * * * *

Eén plicht had ze nog. 't Was moeilijk, maar 't moest! Een briefje aan

Louis om uit te leggen, vergiffenis te vragen, gerust te stellen, hem en

de anderen.

Ze schreef het met potlood in ongelijke, leelijke letters. Dat ze,

gelukkig nog niet te laat, gevoeld had hem niet genoeg lief te hebben,

en dat ze nu weg was, en misschien wel nooit terug komen zou, maar ze

hoefden zich niet ongerust te maken, ze zou voor zich-zelve wel zorgen,

en ze ging naar iemand die haar wel helpen zou. Dan kwam er nog: Beste

Louis, Ik ben schuldig, ik heb je bedrogen, zal je me kunnen

vergeven?... Ik heb werkelijk heel ernstig geloofd je gelukkig te kunnen

maken.... 'k Zou het zoo heerlijk hebben gevonden, als ik maar genoeg

van je had kunnen houden! 'k Heb er zoo mijn best voor gedaan!... 'k Heb

je niet willens en wetens bedrogen. Dat zweer ik je. Annie.

Het briefje lei ze op 't glimmend witte, schoon-gebleven bord, naast het

gerolde servet. Draaide toen 't gaslicht uit....

* * * * *

Nog drie trage uren waakte ze door, in de kamer-duisternis starend, zich

haast in-'t-geheel-niet verroerend, zwaar-benauwd door angst die haar

hevig hamerde in 't hoofd, telkens haar adem deed stokken. Als toch mama

eens wakker lag.... Ze sliep zoo slecht, klaagde ze altijd....

Maar de stilte duurde, verzwolg den tijd.... En tusschen de plooien der

overgordijnen kwam grijzig 't onzekere morgenlicht. De kamer geraakte in

schimmige schemering....

De sleutel van de voordeur lag beneden in 't mandje, dat op het buffet

stond.

Om kwart over vijven zette ze 'n hoed op, deed haar manteltje om. Ze

beefde als van koorts, haar tanden rammelden tegen elkaar, ze kon 't

niet beletten.... Langzaam, voorzichtig, draaide ze den sleutel om...,

toch knarste die even.... Dan de deur open-doen..., weer even een

piepend geluid.... Ze wachtte een paar minuten; 't was of ze haar hart

hoorde kloppen, maar in huis niets dan een heesche kuch, die van achter,

van 't meidenkamertje kwam....

Toen langzaam, stap voor stap, de gang in, de trap af..., die al

stonden, leeg, in het kil-trillige ochtendgeschemer. Beneden aan de trap

wachtte ze weer even. Ze kon niet meer denken, 't bloed drong haar fel

naar de oogen en bonzende slapen. Ze haalde een paar maal diep adem,

want 't was of ze stikken zou....

De grijzige schaduwen om haar heen schenen te beven....

Maar alles was stil.... Dan naar de eetkamer, vlug, om den sleutel te

halen.

Maar toen ze dien had en weer haar de deur wou gaan, hoorde ze duidelijk

een stap op de trap. Loodzwaar, als verlamd, stond ze stil, wachtte....

't Was iemand die ook heel zachtjes liep, ja, scheen te sluipen, evenals

zij....

De deur kwam langzaam open.... "God!... Neeltje!..." "Och, juffrouw,"

zei 't bleeke meisje, angstig fluisterend,--ze was in haar nachtjapon,

en op kousen, de gelige haren samengedraaid tot korte vlechtjes--"wat

gaat u doen?... U gaat u toch niet.... Och God! ik ben zoo bang ... Ik

heb er den heelen nacht niet van kunnen slapen.... U zag er zoo

vreeselijk slecht uit, gisterenavond...."

"Sst, sst!... hou je stil!..." kwam Annie nu, snel, beslist. "Ik ga weg,

Neel, ik vlucht.... Maar zeg het aan niemand!... Nou je toch op ben kun

je me helpen.... Doe de voordeur achter me dicht, dan hoef ik die niet

met een bons toe te trekken..., maar niet op 't nachtslot, hoor! want

dan zouden ze begrijpen dat ik geholpen was...."

Neeltje dorst niet meer te vragen. Ze huiverde, trok zich de nachtjapon

stijf om de beenen. Samen slopen ze toen de kamer weer uit, de vestibule

door, recht naar de deur.... Annie deed er de ketting af. Die rammelde

niet, gelukkig.... Toen 't slot en de knippen.... En langzaam draaide de

deur naar binnen.... Ochtendlicht, kilte, vogel-getjielp....

"Och God! juffrouw, wees u toch voorzichtig!..."

"Ja!...Dank je!... Dag Neel!..."

Ze stond op straat. Ze wou dadelijk hard gaan loopen, maar ze kon niet.

Haar beenen waren zwaar en stijf, als in een droom. Ze vorderde maar

langzaam. Het weinige morgenlicht was hard-nuchter, de stille,

vreemd-leege stad had iets onheilspellends. Bijna wanhoopte Annie

weer....

Maar ze kwam bijtijds aan het Beursstation, en ja, die trein bestond

nog, ging iets vroeger, stond juist boven....

Dat plotseling slagen was haar bijna te machtig.... Ze voelde zich een

oogenblik licht in 't hoofd, duizelig, wankelig.... Maar de man aan 't

loket zei: "U mag je wel haasten!..."

Toen liep ze werktuiglijk door, gejaagd,... naar boven, de wachtzaal

door, het perron op. Leegte, stilte overal. Een conducteur deed snel een

portier open, zei: "Morgen, juffrouw!... kalm maar ... bedaard aan ...

zóó ... mag 'k uw kaartje?..."

Ze zat alleen in den wagon, bevende, huiverig. En de geluiden van die

stemmen, van den conducteur en den man aan 't loket, spookten nog na in

haar hoofd, met onwerklijken klank, toen de trein met langzaam gestamp

al begonnen was te bewegen....

* * * * *

En Annie was Dordt al voorbijgespoord, was al in Brabant, toen er

ontwaken kwam in de stad, in de straten van Rotterdam. Eerst waren 't

alleen nog de donkere groepen van bootwerkers, sjouwers en sleepers en

allerlei andere werklui, die met hun moe-zwaren stap en hun stemmen als

stormgeloei de stilte kwamen verstoren; maar de bakkers, de karren met

klappende deksels, de melkboeren met hun goedmoedig geroep, de

vuilnismannen en krantenbezorgers volgden al gauw, en daarop kwamen de

zware wagens, begon het gedaver, het rammelen en dreunen, het

straat-geschreeuw en 't schelle gebel van de trammen. De kantoormenschen

liepen haastig aan, heeren en knechts met hun vierkante pakjes in

krantenpapier of in zakjes, de schoolkinderen en de onderwijzers, de

juffies die naar hun betrekking gingen. En na negenen kwamen de

dienstmeiden buiten om kleeden te kloppen. Toen was 't weer de gewone,

roezige drukte, het ratelend geraas van gisteren en van verleden week en

verleden jaar, het altijd terugkeerend zwaar zwoegend straten-leven der

rustlooze zaken-stad.... De veel-oogige huizen stonden het aan te

zien....

Maar van het ontwaken, binnen, in de half-lichte kamers en trappen en

gangen, daar wist de straat niet van....

Toen klonk het daar op den Mauritsweg bijna naar buiten, de hevige

ontsteltenis, 't in jachtende verlegenheid heen-en-weer geloop, het

luide geroep, 't gegooi met de deuren, de vloeken, het hard-op gehuil en

gelarmoyeer.... Ze zonden om Holman, den bruigom, die aan kwam draven,

hijgend, bezweet, toch altijd correct in de kleeren. Men maakte hem

standjes, scherpe verwijten met nijdige stemmen, wanhoopsgebaren; De

Boogh en zijn vrouw waren door 't woedende heen, konden al gauw niet

meer spreken van heeschheid, benauwdheid. Louis, schijnbaar bedaard,

scherp-raak in zijn antwoorden, de vormen ontziend, was toch te

verbaasd, te ontsteld en verward om tot eenigen maatregel over te

gaan.... Men wou maar dat hij er meer van zou weten, men eischte maar

aldoor dat hij 't zou verklaren. Of hij al herhaalde, tallooze malen,

dat hij niets wist, niets begreep, het briefje liet lezen.... Men hoorde

niet, men geloofde hem niet.... Zoo ging de morgen voorbij in doelloos

gehol en getwist.... De familie kwam, dames in ruischende zijden

japonnen, gerokte getuigen.... Mevrouw verkoos zich niet meer te

vertoonen.... Marietje lag huilend van spijt op haar bed, Jan ging

telegrafeeren aan menschen buiten de stad, waar zij heen kon gegaan

zijn.... Aan Paul dacht niemand, geen oogenblik....

Willem, de student--beleefd glimlachend, wenkbrauw optrekkend--deed al

wat hij kon om tegenover de ontstelde familie een draai te geven aan 't

gekke geval; hij verzon allerlei mogelijkheden, maar de oude De Boogh

bedierf dat dan weer door zijn jammerend cholerisch geschreeuw, zijn

malle excuses. Purper van opwinding liep hij maar rond van den een naar

den ander, telkens weer opmerkingen hoorend die 'm nog kwaadaardiger

maakten; toch dorst hij er niets van te zeggen..., hij stikte soms haast

in een hevige hoestbui, hij moest met zijn armen maaien om lucht te

krijgen; ten slotte bemoeide zich iedereen met hem, om hem te kalmeeren,

bevreesd voor beroerte....

Louis zei ten slotte niet veel meer, deed koel-uit-de-hoogte, zag bleek

met klam zweet op z'n voorhoofd. Het lukte zijn moeder met smeeken en

zuchten eindlijk hem mee te troonen naar huis, maar daar sloeg hij

dadelijk aan 't razen en tieren, smeet met de meubels, vloekte, schold

op Annie, haar ouders, haar heele familie.... Z'n moeder, nu gansch en

al suf van verslagenheid, stil huilende, liet hem begaan....

Maar de stad roesde voort, onverschillig; de handelsdrukte, waar zij van

leven moest, gonsde maar door als een reuzenmachine. De orgels deunden,

de straatjongens floten. Het was bloemenmarktdag, een kermisachtige

drukte achter 't museum....

En 's middags galmde het Beurslawaai weer langs het steen van de muren,

scherp resonneerend. Men kocht en men verkocht, z'n koffie, z'n granen,

besprak z'n bevrachtingen, schreeuwde de prijzen uit van z'n

effekten....

Tóch, onder al dat droog-ernstig, geld-rammelend zaken-doen door, ging

er dat aardige praatje van mond tot mond, verspreidde zich snel de

bekendheid van dat mal-leuke gevalletje.... Men zocht

--ondoordacht--naar Holman, De Boogh.... zij waren er niet.... Van de

Beurs ging 't verhaaltje de Blaak langs en zóó door de stad.... Men

glimlachte.... Sommigen gierden het uit.... Ouden en wijzen ergerden

zich en schudden het hoofd....

En 's avonds in de koffiehuizen en societeiten, in de comedie en op de

soireetjes wist ieder er van, en had 't er over. In langen tijd was er

dan ook niet zoo iets extra-pikants gebeurd in de stad.... Een getrouwde

vrouw, dat gebeurde wel meer, maar een bruid, een bruid op den loop, één

dag voor haar trouwen!... En met wien, dat wist nog geen mensch, dat

vroegen ze elkaar allemaal....

De bruidstijd van Annie de Boogh · 第 16 / 20 题