X.

Den volgenden dag was de hemel boven de stad met een traag-hangende

wolkenlaag geheel bedekt, één egale overweldiging van grijs, waaruit het

af-en-toe, als een telkens weer opkomende, zwijgende droefheid begon te

motregenen, windloos, geluidloos, een dampige rillerig-trillerige

neerslag in een zwak, onzeker licht, dat nergens vandaan scheen te

komen.

De nattig-saamgeschoolde, grijs-zwarte en zwarterig roode huizen van de

zwoegende, grommelende stad stonden gelaten onder de log-zware

wolkenmassa, dat vreemd slap neerhangende, drukkende dak van grauw.

Overal gelijk was het huizenaspect door het overal eendere licht. Huizen

aan huizen, straten aan straten, onbeweeglijk, ernstig, enorm, als een

oude, altijd weer verder uitgegraven kolenmijn stond de stad om het

menschen-beweeg, om die somberheid der eeuwige onrust, dat altijd elkaar

tegemoet en voorbij gehaast der bevolking, hun sjouwen en douwen, hun

hotsende karren, hun kijvende honden, hun afgejakkerde knollen van

paarden. De torens alleen er bovenuit; ze staken zwarte gaten in de

grijze massa; het hoogst dat somber-schoone, recht-opstaande blok

--teeken der stad--de stompe toren van Rotterdam.... En het bleef

hetzelfde, dien heelen Woensdag: die grijze, hangende lucht, veel

regen, meest motregen, soms wat feller, dan weer een poos heelemaal

weg, benauwend zoel, en vroeg donker.... Maar in 't straten-leven der

Rotterdammers, de volte, de herrie langs havens en kaden, het drukke

bewegen door nauwe straten, stegen en sloppen, gaf dat geen verschil met

gisteren, of met verleden week, toen de zon geschenen had, dag aan dag.

Niemand die notitie nam van 't weer. De stad was als één groote machine,

voortraderend zonder wil of bewustzijn, gedreven alleen door

nooit-verslappende kracht van ijzeren noodzaak. Overal deden de straten

mee aan 't zaken-doen. Langs de haven-kaden en de steenen wallen der

breede rivier, en in de handelswijk aan den "overkant", maar ook tot

diep in 't hart van de oude stad dreunden en rammeiden de stoeten

overvulde sleeperskarren, scheurde het vloekend geschreeuw, het "huw!"

en "hrt" der sleepers door de klamme motregenlucht, verkrachtend het

moeie geroep van de straatnegocianten. Aan de rivier en de groote havens

siste de stoom, knarsten, rammelden en gierden de lieren, stonden de

loeiende ossen met lage koppen en de blerrende schapen, opééngedrongen

in ruwe omheiningen, moeilijk ploeterend in de groen-bruine brei van het

straatslijk vermengd met hun vuil, bonsden de tonnen en kraakten de

kisten; het Noorsche hout werd neergekwakt op groote hoopen; hier en

daar heerschte de heete dsjing-klank van het smijten der ijzeren staven

over al de andere geluiden. De vaal-bruine sjouwers en dragers, zakken

over hun hoofd getrokken, de ijzerwerkers en kolenlossers, vergrauwden

in het onzekere licht van den regendag, en somber mompelend gromden hun

vloeken en roepen onder het werk; over de zwarte straat, tusschen de

vaten en kisten, karren en paarden door, haastten zich jachterig de

bleek-neuzige kantoorlui; uit de kroegen sloegen ruziegeluiden, in damp

van drank, en mengden zich met het straatrumoer tot helsche lawaaien,

die laag bleven hangen in de zware, nattige atmosfeer, waarin de grauwe

stad met moeite te ademen lag.

* * * * *

Paul Holman liep telkens tegen iemand aan. Want hij zocht de drukste

havens en straten, en hij ging licht slingerend, z'n handen in z'n

zakken en keek niet altijd goed uit waar hij liep. Om elf uur was hij

van huis gegaan na een onrustigen, koortsigen nacht, alleen in den

morgen wat doffen slaap. Zijn moeder had er om gelachen dat het nu al

uit was met de matineusheid....

O die nachten! hij begon er nu zoo tegen op te zien.... Als alles stil

en rustig is, in huis, en overal, en alleen je gedachten, die dringen op

je aan, groot en ontzettend, belichaamd bijna!...

Hij had niet in bed kunnen blijven, had lang heen en weer geloopen, had

eindelijk loom-zwaar neergezeten, als neergedrukt, in een ouden leeren

stoel--een bureaustoel van zijn vader--zenuwachtig schurkend met zijn

ellebogen langs de versleten armleuningen. Hij was er in verkleumd tot

klappertandens toe; zijn borst en zijn rug voelden klam-nattig van

kilheid. Toen, met het ochtendlicht, had een leege nuchterheid hem weer

in bed gebracht. Dat tobben en zorgen, wat gaf het?... Niets!...

Nu liep hij door de stad; hij was dadelijk naar de handelswijken gegaan,

de Boompjes langs en de Maasbrug over, waar de breede, vlottende rivier

voor hem uitlag, het staal-glanzige, hobbelige watervlak, gansch grauw

door den weerschijn der wolken, met de booten op stroom en de langzame

slierten zwaar geladen schuiten, de reuzig gepeilerde brug, waar de

sissende sleepbootjes onder door kwamen schieten met haast en felle

beslistheid; en op Feijenoord ging hij al de havens af en de nieuwe

straten en kaden. Hij probeerde zich wijs te maken dat hij dat alles

weer eens wou zien. Maar 't was om de drukte, de herrie alleen, die

versufte, verdoofde, dof-dronken deed worden hem die gewoon was te leven

in wijde stilte en eenzaamheid. Hier kón je haast niet denken, 't kwam

alles naar je toe, van alle kanten, je móest er wel naar kijken, en er

was ook een zeker somber genot in je-zelf te voelen gaan, zoo

dood-geslagen en al half begraven, door al dat sterke, stampgaande

leven, dat daverende feest van werkkracht en geldmacht;... zóó,

kleurloos als een schim, het eigen zwakke licht binnenwaarts gericht, je

te bewegen te midden der glanzing en blikkering van natte zwarte, bruine

en hel-vervige dingen, die leefden en bewogen fel-uit naar het

buitene....

Innerlijk was hij bij haar, omgaf hij haar gestalte, fee-mooi in zijn

gedachten, met het mystieke licht van zijn adoreerende liefde; hij

herinnerde zich weer al wat ze gisteren had verteld en vond het nu alles

alleen maar mooi en aanbiddelijk, haar een wezen van louter goedheid en

gratie, zich-zelf een egoïsten genotzoeker....

Toch, als hij dan zijn eigen leven weer liep te besoezen, dan vond hij

er niet veel andere genotzucht in dan 't eeuwig verlangen naar scheppen,

naar slagen, zich-zelven voldoen met het werk van zijn handen.... Zijn

leven, hoe vreemd ging het toch, hoe onverwacht wendde het zich.... Hij

had zoo vast geloofd, in die stilte daar in Brabant, dat hij nu toch

voorgoed zijn evenwicht gevonden had, dat het zóó nu zou doorgaan, in

een richting; breeder, krachtiger, op den duur wat wijzer misschien door

veel te denken.... Na al die onrust en gedurige inspanning, de

zelfoverschatting en de tobberij, het zoeken en ploeteren van de eerste

jaren, was hij daar gekomen tot een toestand waarin hij gedacht had nu

in de eerste plaats een gewoon-goed mensch te kunnen worden, en dan een

bescheiden werker, een bewust strever, maar een die weet hóé ver hij pas

is, hoe weinig hij nog heeft bereikt..., ja, een die weet, wát goed en

wát verkeerd is, en zich-zelf in zijn macht heeft, en daarom nu ook kan

praten en lachen, eten, drinken, slapen en kranten-lezen als ieder

ander.

Maar nu?... Wat wist hij?... Wat wilde hij?... Had hij eigenlijk ooit

iets geweten?... Hij dacht aan de kalmte der verloopen maanden terug met

verbazing en wanhoop.... Want er was nu een warreling, een rijzing en

daling, een gisting en beroering van gedachten en gevoel in hem,

waardoor het onmogelijk was tot een zelfbepaling, tot een plan of een

daad te komen.... Een gewoon-goed mensch ... hij had daar geen begrip

meer van, 't was hem als was hij eigenlijk in 't geheel geen mensch,

niet een als al die anderen, als die daar vóór en die daar achter

hem..., ze leken allemaal zoo massief en kloek van doen, en hij was

enkel een vat, een loos omhulsel van gevoel en peinzerij.... O! 't zou

alles wel weer anders worden!... 't Zou alles wel weer tot bezinken en

vastheid komen. Maar daarvoor moest hij nu maar lang alleen zijn en maar

loopen, loopen, door de drukte en de volte.... Hij zou er zich dan wel

weer één mee gaan voelen....

Hij had ook weer oogenblikken--heel plotseling soms--dat hij niets zag,

niets hoorde en even stil moest blijven staan van warrende ontroering;

dat z'n bloed z'n hoofd deed gloeien, bonzen of 't barsten moest, en dan

in-eens scheen te vervlieten..., dat zijn oogen wijd open stonden, zijn

handen onbewust grijpende bewegingen maakten. Dat was de extase, de

groot-wassende verrukking, het geluksvisioen, en als 't vervloot,

natrillend in al de zenuwen van z'n geslagen lijf, genoot hij van een

diepe, stil-pieuse dankbaarheid voor 't kennen nu, het dan toch hebben

leeren kennen van zoo machtige emotie, van zulk een staat van bijna

blindende aanschouwing, van zoo volmaakte liefde.... Maar smart en

kleinmenschlijke bitterheid om 't wreede denkbeeld dat zijn hoogst

begeeren nooit voldaan zou worden, om 't weten dat zijn leven nu

noodzakelijk onaf, verminkt moest blijven, dat hij daartoe was

veroordeeld onverbiddelijk..., volgde telkens weer op die momenten; en

hij wrokte dan, wrokte tegen 't lot, wou van zich-zelf geen schuld

erkennen, gaf toe aan trotsch gemok, aan voelen zich verdrukt en

ploerten machtig, ploerten gelukkig.... Toch, áldoor loopende, loopende,

heel den middag door, werd hij eindelijk suf van moeheid en zijn

heftigheid verdoft, verzwakt.... Zijn gedachten werden telkens

afgeleid.... Hij keek met, medelijdende aandacht naar menschen die

sjouwden met zware vrachten, wist meer van zijn meevoelen met ernstigen,

met verdrukten vooral, minder van zijn haat voor het grijnzende

ploertendom.

* * * * *

In 't grijze half-licht laat in den middag--fijn en dicht was de dampige

motregen--stond hij te wachten voor de Leeuwenbrug, die was

opengedraaid. Het duurde lang, er moesten wel tien of twaalf

vertrekkende beurtschepen door; met droomerige langzaamheid werden ze

voortgestuwd, de haven uit, tot midden in het wijde water van de Maas.

Met hem hoopte zich een nattig-donkere volte op van menschen en paarden,

sleeperswagens, honden- en handkarren. Hij stond tegen 't ijzeren hek,

op zij, te leunen, kijkend naar een groep goor-groezelige

polderwerkers.... Het waren meest oude mannen, verweerd, aardgrauw,

ruw-ernstig. Gebogen stonden ze in hun erg bemodderde en verbruikte

hooge laarzen, groote, slap-leerige hoeden op van grillige vormen,

waaronder de trekken hunner grove gezichten weg-schaduwden. Onherkenbaar

van kleur, zoo gelapt, vuil en nat was alles wat ze aan de

bonkig-stoere, de hoekige, naar arbeid staande lichamen hadden. Ze

droegen hun zware ruwe spaden en de gebulte blikken waar hun kost in was

geweest; zeker kwamen ze terug van een karwei in den polder dat den

heelen dag had geduurd. Dicht opéén in den motregen stonden ze te

grommen en te mompelen.... Paul ging nog een eindje terug langs de

ijzeren leuning; hij schaamde zich over zijn heeren-kleeren....

En plotseling had hij het heftige verlangen die groep daar uit te

teekenen;... het kon niet, hij had er nu niets voor bij zich; 't was ook

al te donker, te nat en te vuil hier.... Maar hij zou trachten het vast

te houden, het later te doen..., hij wou het bepaald.... Vreemd, want

hij was landschapschilder, had tot nog toe figuurteekenen vrijwel

verwaarloosd.... 't Was of z'n ziel opschokte bij die gedachte; was hij

dan zóó veranderd?... Neen ... toch niet!... want wat hij met zijn

landschappen, met zijn horizons had gewild, o! dat wilde hij nog, maar nu

veel intenser, scherper, directer.... Vroeger had hij wel meelij gehad,

weemoed vooral, om de ellende der armen, nu hield hij van ze, nu leed

hij pas eigenlijk mee, en dat, dát wou hij uitspreken..., wou hij

opvoeren tot schoonheid....

O! als hij hier nu blijven kon..., als hij nu vrij en zich-zelf kon zijn

in deze stad, in deze pracht-stad vol afschuwelijkheid, deze stad van

ploerten en ellendigen, dit somber-schoone hol van handel, geld en

modder..., hoe zou hij er kunnen werken..., want dat, wat hij voortaan

uiten wou, dat zou hier bloeien, dat zou hier daaglijks voedsel krijgen,

zijn ploerten-haat, zijn afschuw van gelddorst, en zijn liefde vooral,

zijn mede-lijdende-liefde voor de behoeftigen, de verdrukten, de

onder-liggenden.... Zoeken zou hij ze voortaan, ook onder die weinigen

die leefden in dat land van hei en bosch en moerassen, waar hij weer

heen gaan zou.... Zóó zou hij zich dan bevrijden van dat gevoel een

egoïst te zijn..., terwijl zij.... Neen..., zich geven zóó als zij zou

bij nooit kunnen....

Mijmerend over dat nieuwe, in-eens zoo vaste, zoo strak omlijnde

kunstbegrip,--terwijl hij juist gemeend had tot helder inzicht niet meer

in staat te zijn!--was hij, een zwarten stroom menschen volgend, het

Haringvliet heelemaal afgeloopen, en den Oostzeedijk op. Het was nu

bijna geheel donker; de motregen, verfijnd tot een zwoel-zwaren damp,

vol muffe stankjes, kwam van alle kanten, van over den zwarten muur waar

hij langs liep, en zijn pad van vastgetrapt kolengruis, van het

rommelige buurtje benedendijks, en van boven uit de enorme massa's van

grijsheid die daar aldoor maar hingen, ondoordringbaar en lichteloos. De

lugubere dijk was vol op dit uur van naar-huis-toe-gaande mannen en

vrouwen. Overal in de straten daar beneden en ook hier aan den dijk in

de verloren-staande huizen-groepen kwamen schijnsels van rossig en

koel-geel binnenlicht, en telkens ging er een tram voorbij, vol met

menschen in rijen bij de olielampjes, een rollend kamertje vol warmte en

innigheid van avond-licht door het lugubere dijkduister.... Maar Paul

lette er niet op, hij was te verdiept, hij liep door, de Gasfabriek,

heel Kralingen voorbij, de kerk voorbij, den spoorweg over, totdat hij

heelemaal in het donker stond bij de Oude Plantage.... En nu zich wel

bewust waar hij was, liep hij toch nog verder door, naar den Maaskant,

en ging zitten op een bank, van waar hij, onder de zware, zwarte

boomkronen door, kon turen over het water. Terwijl hij daar zat werd het

geheel nacht, de Maas glasglanzend, zwart als inkt, de boomen

beweegloos, aflekkende dikke druppels, die tikten op zijn hoed en zijn

schouders met ongeregelde, doffe tikken. Door de rivier kwam af-en-toe

een lange lage schuit, heelemaal zwart, met een lichtje vóór en een

lichtje achter, vlak op 't water, en ook aan den overkant en langs de

Maas zoover hij zien kon, pinkten puntjes van licht, rossig, klein in

den regendamp.... Alleen leek hier en daar over het water nog altijd wat

druilige schemer te wijlen....

Paul voelde nu wel dat hij doodlijk vermoeid en zijn innerlijk maar half

verantwoordelijk was voor de diep sombere, lugubere dingen waar hij

voortdurend aan zat te denken. Hij wist wel dat die omgeving, het

zwarte duister, de regen, het herhaald, in de verte, schril-gillend

gefluit,--die onheilspellende storing der stilte--daar mede in waren

betrokken. Toch gaf hij er aldoor aan toe, met graagte zich martelend,

volop zich gevend aan smart en ellendigheid, als wilde hij zich er

geheel mee drenken, om er daarna tegen bestand te zijn. Hij ging aan het

water staan, luisterend naar het zacht-klokkend gekabbel daar vlak bij

z'n voeten, en voelde de waterkou rillig omhuiveren zijn kil-natte

lijf.... Maar toen was er in-eens een gedachte in hem aan de

mogelijkheid van ziek te worden, en een plotslinge wrevelige onwil

daartegen.... O neen! dat heelemaal niet!... geen ziekelijkheid, geen

interessant zijn, geen opgepast worden..., och-god, neen, asjeblieft

niet!... En haastiger dan hij gekomen was liep hij terug en ging in een

tram zitten die naar de stad reed. Bij de Hoogstraat stapte hij uit en

liep een cafétje in om een borrel te drinken als remedie tegen de

vochtigheid en de kilte, die hij voelde op z'n huid, van armen en beenen

vooral, waar zijn natte kleeren bij plekken aankleefden.

Heet-prikkelend, branderig viel de jenever zijn wee-leege maag in. Toch

hielp het, gaf het wat warmte z'n lijf door, en een dof-roezigen gloed

óp naar zijn suffend hoofd.

Naar huis kon hij nu niet meer gaan om te eten, hij wou 't ook niet, hij

wou geen verklaringen geven. Hij had ook eigenlijk geen etenstrek....

Toch zou hij wat nemen ... dat was beter.... In een grooter café, daar

op de donkere Hoogstraat ergens, bestelde hij een broodje met vleesch,

en een glas Pilsener. Langzaam en moeilijk zat hij 't er te verorberen;

het dunne bier smaakte hem niets, het was rinzig en al te koud ... hij

liet het half staan....

Hij zat aan een tafeltje tegen den muur aan den kant van de straat, en

hij keek naar de menschen, die haastig passeerden, bij donkere groepen

of spichtig alleen. Onverbroken gingen de stroomen elkaar tegemoet,

nooit kwam er een einde. De meesten gingen gebogen.... En toen hij wat

achterover ging zitten, turend met doffe oogen--als door een waas--zag

hij ze vaster aaneen, een wriemelende, golvende massa, de een aan den

ander somber gelijk, als waren het altijd dezelfde die kwamen en

gingen.... O! al die menschen, die zwarte massa, en al die huizen in al

die straten, dat drukte op je van alle kanten. Te denken als je die

drommen zag deinen, dat iedere enkle voor zich toch de wereld was en

centrum der werelden, dat ieder zich-zelf alleen voelde leven, in

zich-zelf culminatie van leven vond ... en dat dan ook eigenlijk ieder

maar lijden kon zijn eigen leed alleen.... Het leek zoo vreemd, maar 't

was wel goed zooals het was.... Want wie zou van twee de smart kunnen

dragen!...

Mijmerend ging hij de straat weer op, en hij liep weer, en liep weer.

Hij voelde soms dat zijn voeten gezwollen waren, zijn beenen als volle

koffers zoo zwaar. De Hoogstraat liep hij, die vreeslijke straat, waar

hij nooit had begrepen hoe iemand er wonen kon, die duistere gang, zoo

hoog en zoo zwart, zoo troostloos leelijk en smerig besmeurd als een

vettige oven na lang gebruik.... Van jongsaf had hij die straat

verwenscht, hij haatte de stoffige, slordige winkels, vooral de

magazijnen van goedkoope heerenkleeding, die waren er zoo veel.... Hij

liep de Gedempte Botersloot over, waar, onder walmende vetkaarsen,

wagens staan met allerlei koopwaar, onfrisch en beduimeld.... O ja,

mooi, mooi, maar vol weemoed dat walmige toortslicht in den dampigen

avond.... Hij liep maar, liep maar; óveral kwam hij dien avond, de heele

donkere stad door, de Zandstraat, de Raamstraat, waar 't zeevolk lolde

in kroegen en danshuizen; nu en dan keek hij, bij den armelijken schijn

van een straatlantaarn, op zijn horloge, of hij al naar huis kon gaan,

zonder veel kans zijn moeder of broer daar nog op te treffen....

Onder het viaduct, op de Gedempte Binnenrotte gaf hij een gulden, die

los in zijn zak lag, weg, aan een oude, armoedige slet, die fleemerig

fluisterend vroeg met haar mee te gaan, met cynische gemeenheid in haar

stem, maar angst in haar oogen.... Hij keek nog eens om en zag dat ze er

vlug mee weg liep. Misschien naar een kroeg, dacht Paul..., maar

misschien ook niet..., en hij was vijf seconden bijna gelukkig....

Hij zat ook weer een heelen tijd lang in een bierhuis met een glas bier

voor zijn borst, dat niet op wou.... En voor de zooveelste maal in dien

eeuwigdurenden dag zat hij aan Annie's verbaal te denken.... Hij had het

alles te voren wel vermoed..., ja, bijna geweten.... Dat nijdige,

gallige volk, die beestige egoïsten ... hij zou ze kunnen ranselen!...

Waarom had ze 't hem eigenlijk verteld, hij kon haar immers toch niet

wreken!... O! maar dat wou ze ook niet, ze kon 't alleen maar niet

langer uithouden.... Louis zou haar redden.... Hij niet, hij kon niets

voor haar doen..., niets!...

Dan, achterover geleund, herdacht hij opnieuw, met genot vol van

bitterheid..., herdacht hij....

Om één uur kwam hij thuis, gansch en al uitgeput, ziek van hoofdpijn en

koorts. Bij een boom op den Eendrachtsweg had hij staan braken. Hij had

goddank den sleutel en ze waren naar bed.... Zijn moeder doorschreed

misschien al in droomen de partij-lichte zalen van morgenavond....

Rillend en pijnlijk kroop hij z'n bed in, maar z'n moeheid was zoo

groot, hij sliep haast dadelijk, en aan één stuk door tot den anderen

dag, half elf.

Toen hij op was voelde hij zich toch nog onwel, leeg, wee en koortsig.

Maar hij wou er vooral niet over spreken. Hij dwong zich wat te nemen

voor ontbijt.... Hij zag er slecht uit, maar gelukkig was zijn moeder

zoo vervuld van haar feest, dat ze bijna niet op hem lette. Ze vroeg wel

even naar gisteren, maar hij zei dat hij uit was geweest met oude

vrinden. Toen schudde ze 't grijze hoofd met ondeugend dartele oogen.

's Middags sloot hij zich op in zijn kamer, ging op z'n bed liggen. Want

hij moest er natuurlijk weer bij zijn van avond. Hij trachtte zich af te

leiden met kijken naar al de oude dingen die daar stonden in de weinig

gebruikte logeerkamer..., ze deden hem telkens even denken aan zijn

kindertijd, aan 't huis op den Schiedamschen Singel..., aan z'n

vader....

* * * * *

Annie bleef dien regen-duisteren Woensdag thuis..., den heelen dag....

Ze ging, doende haar bezigheden, door de vertrekken en gangen, ze werkte

op haar eigen kamer met de naaister, en 's middags zat ze beneden bij

mama, die 't zóó hebben wou, voor als er visite zou komen. Er kwamen ook

een paar dames, met wie ze 'n poosje praatte, al

voortbordurend,--monogrammen op kussensloopen, telkens weer zoo'n H en B

fraaielijk in één geslingerd.--Ze schoot er goed mee op dien dag; haar

uitzet was nu bijna klaar....

Maar wat was er toch met haar gebeurd?... Wat had ze toch in haar

oogen..., wat had ze in haar ooren?... Het huis was toch het huis, er

was niets aan veranderd, de gangmuren strekten zich in het er langs

gaan, even star-zwijgend als altijd; de oude kamer-vierkanten waren haar

zoo bekend, al zoo door-en-door en lang bekend ... en daar stonden de

glimmende meubels, en het kastje, dat had ze opgewreven, oneindige

malen.... En de familieportretten er naast, en aan den anderen kant het

groote schilderij van Koekkoek, en het kleine landschap van neef Henri,

in hun oude vergulde lijsten, die niet meer schoon te krijgen waren...,

en de japon die ze aan had ... dat was immers doodgewoon die van 't

voorjaar ... van Bönnenkamp en Mähler.... Haar bordurende handen.... O!

haar handen, daar schrok ze van..., dat waren haar handen niet meer, dat

waren mooi-rozig-witte, vreemd bewegende dingen aan haar lijf.... Zij

was 't niet, die ze liet bewegen....

En al dat andere, de kamermuren en de meubels, waren heel ver, en van

vroeger..., en mama, en die dames, 's middags, die zaten op zoo'n

afstand van haar, dat ze niet begreep hoe ze kon verstaan wat ze

zeiden.... Ook was het witte linnen, waar ze aan werkte, geen

linnengoed..., het was de straat, de weg dien ze geloopen had met

Paul..., iedere steek was een stap, en het kleine geluid van de naald

droomde tot menschentaal op, tot echo's van zijn woorden, van zijn

lieve, gekoesterde woorden, dat kleurige fleurige volk van haar ziel,

haar blijde speelnooten, haar troostende gezellen, haar trouwe zusters

en broers....

Wat was dat ook waar ze zich nu naar toe voelde gaan?... een nieuwe

ontmoeting?... O ja! die partij van morgenavond, dat bal dat gegeven

werd omdat ze ging trouwen.... Trouwen ... trouwen ... trouwen ...

trouwen.... Zoovele ... en nog meermalen, zegde ze dat woord over in

haar hoofd, maar 't wou niet doordringen in haar bewustheid..., 't gleed

schimmig weg..., ze voelde er niets werkelijks aan.... Wat was er in dat

woord?... Ze kon er niet over denken, want ze was niet in morgen, ook

niet in vandaag, ze was in gisteren, in dien grooten, vol-ademenden dag,

dien over-vol-rijken, dien over-vloeienden dag, dien dag als een

mooi-ondergaande zon, warm-donkerrood, fonklend geel en oranje,

teer-blauw..., zoo ruischend en stuivend van licht, zoo gloeiend en

glanzend van kleur!... O die heerlijke, heerlijke dag!...

Wat was de wereld toch groot en mooi!... en zijn oogen!... Het leven,

wat was het toch boeiend en prachtig, net een groote grot vol groene

kristallen, die diep-stil flonkeren om je heen..., en zijn stem daarin,

o! zijn sprekende stem!...

Er was in vandaag nog licht van gisteren; ja ... dat licht van de

ondergaande zon was nog niet weg; deze dag hoorde nog bij den vorigen;

er was ook nog mets gebeurd sinds zij zich gescheiden had van hem, hier

aan de voordeur.... Je kon denken dat het zooeven was geweest, niet

gisteren, want de nacht, wat was de nacht eigenlijk?... niets!..., in

den nacht droom je en over-dag droom je..., er is haast geen

verschil!... Het was ook wel een goede dag, deze..., maar vreemd,

onwezenlijk..., 's middags aan tafel was 't moeilijk de anderen te

verstaan, en te begrijpen wat ze bedoelden....

Het veranderde pas 's avonds om halftien, toen Louis binnenkwam....

Eigenlijk nog niet dadelijk. Eerst dacht ze: daar heb je Louis..., Louis

met wien ik ga trouwen.... Daar was ook wel iets vreemds, ver-afs in...,

maar dat was nu toch maar verbeelding, zo wist immers wel dat ze met hem

ging trouwen, en hij was eerst nog meê in 't licht van dien dag, het

mooie warm-rossige licht.... Maar toen kwam Louis zoo heel dicht bij

haar, en hield haar hand zoo lang in da zijne, die warm was, en hij keek

haar zoo aan, en praatte ook dadelijk veel over allerlei dringende

dingen, waar zij niet aan gedacht had, den heelen dag niet.... Jammer,

jammer, hoe kwam dat nu?... 't Was niets voor haar!... Zoodat ze een

beetje vervelend-wakker werd, een nare ontstemming en vage verwarring

gevoelde.... De muren kwamen ook in-eens dichterbij, alles werd gewoon,

de stemmen in de kamer scherpten op, ratelden hard en zenuwachtig....

Och! wat was er nu weer, konden ze weer geen vrede houden?... Ze wist

ook plotsling niet meer hoe 't alles daarnet nog geweest was,

wèl--doodgewoon--dat ze gisteren boodschappen had gedaan met Paul,

inkoopen voor hun huis, en dat ze daar nog verslag van doen moest aan

Louis.... Ze vond dat erg moeilijk, 't verontrustte haar, ze trachtte er

zich af te maken, praatte er vlug-druk over heen, ze had ook in-eens een

gevoel alsof ze zich iets te verwijten had tegenover Louis.... Toch was

er niets, niets.... Dat ontstemde haar tegen hem. Toen ze hem weer

aankeek en haar hand nog altijd voelde in de zijne, die zoo warm was,

huiverde ze even.... Zachtjes trok ze haar hand terug.... Ze keek Louis

lang aan, deed moeite hem weer te zien in dat licht waarin ze hem had

zien binnenkomen, maar 't ging niet meer, ze zag hem scherp-precies,

zijn geschoren kin, de punten van zijn snor; en zijn stem bleef te luid.

Vermoeiend luid en hard ook de andere stemmen in de kamer nu....

Louis vroeg waarom ze zoo stil was, of ze hoofdpijn had.... Neen, zei

ze, maar ze was wel erg moe, ze wist niet hoe ze zoo moe kwam, maar

alles was als lood aan haar.... O! haar beenen, en haar hoofd!... Ze wou

maar vroeg naar bed gaan.... Dat ried Louis haar ook sterk aan, want

morgenavond was het bal, dan moest ze frisch zijn en onvermoeid. Ja, ze

moest vooral maar heel vroeg naar bed gaan, en ook morgen-ochtend

desnoods maar wat blijven liggen.... Ze beloofde dat, en bleef verder

stil zitten, weinig zeggend, maar innerlijk erg gejaagd door de

onmiddellijke nabijheid van Louis, dien ze niet goed aan dorst te

kijken. Om halfelf ging hij weg; zij liet hem uit, en voelde op haar

wang zijn zoen als iets wee-zacht-vochtigs....

* * * * *

In bed ging ze stil liggen, met haar rug naar den muur en haar oogen

dicht, zooals ze gewoon was, niet anders denkend dan dat ze wel

net-als-altijd gauw zou slapen. Maar ze bleef maar wakker..., ze bleef

maar wakker..., ze werd zelfs hoe langer hoe helderder..., totdat ze,

haar oogen openend, schrok van haar eigen koortsig-scherp gespannen

helderheid.... Turende, langs den zacht-geligen schijn van haar

nachtpitje, keek ze haar kamertje in, en ze was verbaasd, een beetje

beangst, zoo licht was het er; ze kon alles zien, kleinigheden die op

het tafeltje lagen, de koorden van de venster-gordijnen en van de platen

aan den muur.... Plotseling schoot ze recht op in haar bed. Ze meende

iets gehoord te hebben, ze was bang, ze luisterde met ingehouden adem.

De kastdeur kraakte; ze rilde van angst...; daarop was het langen tijd

heel stil.... Maar toen ze, langzaam aan, zich weer liet zakken, turend

naar de deur van haar kamer, die een eindje openstond, verbeeldde ze

zich dat de knop bewoog, dat de deur verder openging, en duidelijk

meende ze 'n zacht brommende stem te hooren achter de deur.... Ze sprong

uit haar bed, huivrend van schrik, dadelijk scherp voelend de kou op

haar borst en langs haar beenen, als liep ze in den wind.... Ze ging

haastig de deur dicht doen. Toen dronk ze, aan haar waschtafel, een glas

water; 't glaswerk rinkinkte met gewoon geluid; ze dacht dat alles nu

wel over zou zijn, ging weer naar bed.... Vastberaden blies ze 't

nachtpitje uit; in 't donker zou ze wel gauw in slaap komen....

Maar ze voelde dat water, een vasten plas, zwaar in haar maag; ze had te

schielijk gedronken; ze lag klam-koortsig te rillen, trok vruchteloos

het dek zich al dichter om 't lijf; ze bleef koud, erg wakker, en de

angst kwam ook weer terug, toen al de geluiden, die ze zelf had gemaakt,

weer weggestorven waren. Haar oogen wenden zich aan het duister; ze zag

donkere figuren over den grond kruipen, ze verbeeldde zich het gordijn

dat over haar kapstok hing te hooren bewegen....

Daar ze nu toch niet kon blijven liggen, omdat ze aldoor luisteren wou,

besloot ze in-eens dan maar recht-op te gaan zitten--tot ze in slaap zou

vallen. Ze deed het, maar 't was of ze armen en beenen in koud water

stak, toen ze zoover boven het dek uitkwam....

Het was nu langen tijd fluister-stil in huis, en geheel gewend aan het

donker kon ze haar heele kamer weer zien.... Maar in de gang natuurlijk

niet, waar de deur was dicht.... En toch..., tóch zag ze daar plotseling

Paul staan tegen den witten muur geleund, haar ernstig aanziend.... Een

gil smoorde in haar keel. Groot-staar-oogend naar de deur, met een kille

huivring over rug en nek, trok ze de dekens op, met beide handen, tot om

haar keel, die brandend pijn deed....

Het bleef stil ... en ze zag de muren van haar kamertje.... O! ze

begreep nu wel dat ze koorts had.... Zeker kou gevat of zoo iets, dacht

ze.... Maar ze kon toch dien angst nog niet van zich afzetten.... Ze

bleef recht-op zitten.... En telkens als ze, knikkebollend, bijna was

weggedut, was er weer een geluid--het ver-weg fluiten van een spoor of

boot, roepen of zingen van menschen buiten--wat haar wakker hield,

opnieuw scherp luisteren deed....

Maar eindelijk scheen ze toch in slaap gevallen te zijn, want met een

schokkenden schrik werd ze wakker..., en zag haar kamer in morgenlicht.

* * * * *

Dien heelen dag rilde de angst van den nacht nog in haar na, en ze dorst

niet goed aan Paul te denken, want dan zag ze weer dat beweeglooze staan

van hem en dien somber-ernstigen blik.... Het was een akelige, rustlooze

dag. Ruzie in huis van den ochtend af tot aan het verslonsd-ongeregelde

middagmaal. De humeuren deden zich gelden. Niemand gaf toe. En Annie was

te moe en te warrig in 't hoofd om er iets aan te doen.

Ook toen ze, geholpen door Neeltje, zich kapte en kleedde voor 't bal

was ze nog weeïg en duizelig van gejaagdheid. Flauw-lusteloos, met een

vage beklemming van angst, en voorgevoel van erge dingen, deed ze

telkens even de oogen dicht--haar gezicht had iets zorglijks, iets

pijnlijks..., zoodat Neeltje wel dacht dat de juffrouw zware hoofdpijn

had.... 't Was me dan ook weer een dagje geweest, nou!...

Louis kwam haar halen toen de anderen al weg waren. Ze was nog niet

heelemaal klaar, moest zich ten slotte nog haasten. Vriendelijk bedankte

ze Neeltje toen, ging lijdzaam mee....

* * * * *

Mevrouw Holman gaf haar partij in een nieuwe gelegenheid op den

Eendrachtsweg. Er was een danszaal, net groot genoeg voor 'n zeventig

gasten, en een aangrenzend ontvang-zaaltje, veel kleiner, eigenlijk wel

wat heel klein; de menschen in hun feestkleeren stonden hinderlijk dicht

opéén, terwijl ze wachtten op het bruidspaar, dat een kwartiertje later

zou komen--maar 't werd wel haast een half uur....

Het was weer een regenachtig-zoele avond, en in dat zaaltje werd het al

gauw heel warm; de gasten verwenschten de warmte en het wachten in dat

kleine zaaltje, terwijl ze, beleefd glimlachend, stonden te praten of,

voorzichtig voorbij elkaar schuivende, kennis maakten, kennis

hernieuwden, de gastvrouw eens aanspraken, en herhaalden hoe

alleraangenaamst ze 't gevonden hadden van de vriendelijke invitatie te

kunnen profiteeren;--het was ook zoo'n echt lief, zoo 'n in-sympathiek

paar, Louis en Annie, zeiden ze met diepe grijnzen en kwasi-verrukt

groote oogen.

Het was hoofdzakelijk een jongeluispartij. Maar er waren toch, behalve

de ouders van de bruid, nog eenige ooms en tantes en oude huisvrienden.

Verder was Jan de Boogh er met een keuze uit zijn societeitsvrienden,

allen rijke, wel-doorvoede heeren van tusschen de dertig en veertig,

meerendeels dik, blozend en kaalhoofdig, enkelen, die kwalen hadden,

gelig bleek en beenig; ze hokten samen, keken brutaal naar andere gasten

en grinnikten dan, maakten opmerkingen, kraak-lachend; zetten ook wel,

in een hoek van 't zaaltje, hun gesprekken voort van gisteren-avond. Ze

vonden blijkbaar niet, dat ze al werk van de meisjes behoefden te maken;

het was trouwens voldoende dat ze 'r waren--die kranige jongelui met hun

wel-bekende namen--dat ze 'r stonden, tot luister van 't feest de

schittering uitstallend van hun breede en fraaie overhemden, bij

sommigen ietwat hol-ingedrukt boven de aankomende embonpoints.

Dan was Willem er ook met eenige andere Leidsche studenten, die

vormelijk-deftig, verwijfd glimlachend, voortschoven tusschen de

meisjesgroepen door, invullend met hun dunne gouden potloodjes op de

geglaceerde balboekjes hun namen--niet minder imponeerend dan die van

da beurslui--dan buigend, voorzichtig weer verder gaand. Zij bemoeiden

zich, in hun ijverig trachten naar correctheid, bijna in 't geheel niet

met elkaar, maar keken soms met stroeve ergernis en dédain naar de groep

van Jan en zijn vrinden,--niet te lang, want zij verbeeldden zich

meermalen dat er om hen werd gelachen in dien hoek, en ze waren, bij al

't besef van hun superioriteit, een beetje schuw voor die sterk

geblaseerde lekkerbekken, die al-weters van het heeren-fuifleven.

De meisjes waren beducht voor hun kapsels en voor hun tint in de warmte

van 't zaaltje, zij glimlachten niet zonder moeite, en er waren er die

zeer recht en stuursch keken, wanneer ze niet werden aangesproken. Ze

stonden erg te wachten, zich loom-langzaam bewaaiend met hunne waaiers,

spraken tot elkaar, in kwasi-wanhoop, over de warmte, en met de heeren,

coquetjes lachend, over den feestlijken avond en het sympathieke

bruidspaar. Ze waren meest nichtjes en kennisjes van de bruid, maar ook

wel zusters van de vrienden der broers; er waren er ook die de bruid

hoogstens van aangezicht kenden; één was er, een zeer rijke, die vroeger

een blauwtje had gegeven aan den bruigom, en een paar anderen die dat

rond-fluisterden.

Mevrouw Holman stond, een beetje zenuwachtig, maar erg blij, en in een

frisch-fiere, bijna uitdagende houding te midden van haar gasten. Alles

was prachtig in orde gekomen. Ze was zeker van 't slagen van haar partij

en volkomen voldaan met haar eigen verschijning. Ze deed

schalks-vertrouwelijk tegen de heeren, dreigde hen, kwasi-bestraffend,

met den vinger, als hield ze hen voor onverbeterlijke Don Juans, en

prees alle dametjes dol-elegant, reine du bal..., om zoo ook zelf veel

complimentjes te oogsten over haar uiterlijk.

En ook het echtpaar De Boogh zette de voor de gelegenheid vereischte

gezichten. Mijnheer scheel-oogde, grijns-lachte en schetterde

luid-lustig met eenige jongelui, mevrouw, verzamelde met zwijgenden

glimlach allerlei aanmerkingen, en schoot er mee op, wat haar een

placide, bijna gelukkige stemming gaf.

Zoo dacht ieder daar alleen aan zich-zelf, aan, eigen houding en

uiterlijke verschijning, en maakte z'n opmerkingen om er z'n voordeel

mee te doen.

Intusschen was aan allen die binnenkwamen door Marietje de Boogh een

sterk gesatineerd papier in de hand gegeven, waarop, door 't glimmen

bijna onleesbaar, een gedichtje gedrukt stond, dat gezongen moest worden

bij 't binnenkomen van Bruid en bruigom; en in een hoek van de danszaal,

vlak bij de deuren van 't ontvangvertrek, stond een piano, waaraan een

stil, net heertje zat, ook in rok, net als de heeren-gasten, maar met

bloote handen en een vermoeid, effen gezicht. Dit heertje zou 't

welkomstlied accompagneeren en verder muziek voor de dansen maken. Op 't

laatste moment werden door Jan, die ceremoniemeester was, nog wenken

gegeven over dat zingen, in bewoordingen waaruit bleek dat hij zelf niet

begreep hoe 't eigenlijk gaan moest. Toen er nu een gerucht liep dat ze

er waren, en Jan was gaan kijken--jawel hoor! daar waren ze!--werd den

gasten nogmaals verzocht een kring te maken, wat hen achteruit deed

loopen, samenproppen in de hoeken, en een luid geruisch, gepraat en

gegichel gaf, een quasi-vroolijk geprotesteer tegen dat opdringen.

Paul, die juist gekomen was, stond heel achteraan, tegen den muur. Maar

over een paar gekapte meisjeshoofden heen kon hij Annie zien, toen ze

binnenkwam.

Er was even stilte. Jan, gaf het sein en de pianist sloeg de introductie

aan. Aan 't binnenkomend bruidspaar, dat al dadelijk wou handen-geven,

werd door haastig fluisteren en wenken beduid, dat ze 'n oogenblik stil

moesten blijven staan en luisteren.... De bruid zag bleek; haar smal

gezichtje stond ernstig; er was iets vermoeids in haar houding; de hand

die den bruidsbouquet hield, hing neer langs haar witzijden bruidsjapon;

maar de bruigom, een weinig geéchauffeerd, wat hem roodige vlekken gaf

in hals en gezicht, glimlachte sterk, stralend den blijden, zekeren

triomf uit zijn klein-getrokkene oogen. Het kostte hem blijkbaar moeite

zoo stil te staan; hij knikte al telkens naar dezen en genen, en wuifde

geaffecteerd met de stijf gehandschoende hand....

Het zingen was iets te laat ingevallen, maar dat herstelde zich. Een

paar goede, geschoolde stemmen en de geestdriftige van den student, die

op Willems verzoek de woorden gedicht had, waren bovenuit te hooren; de

meeste meisjes piepten bedeesd, en sommige societeits-mijnheeren bromden

maar zoowat mee, anderen hoestten, of vielen alleen nu en dan in, bij

een hoogen uithaal.... Het geheel klonk valsch....

Maar Annie hoorde er niets van. Zij had dadelijk Paul zien staan met

zijn geel-bleek gezicht en zijn koortsig-toornige oogen, die hij

neersloeg toen ze hem aankeek, en ze was doof van verwarring geworden.

Hij zong niet mee.

Een van de oude kennissen die hij Zaterdag op de societeit had ontmoet,

zei zachtjes, hem aanstootend met den elleboog: "Kom kerel, vooruit!...

meeblerren!" Maar Paul antwoordde: "Ik kan niet zingen."

Toen het uit was kwam iedereen handjes geven, de gastvrouw fier-vroolijk

voorop, en toen de ouders De Boogh. De oude heer knipoogde, veinzende

aangedaan te zijn; al de gepoeierde oudere dames brachten hun zakdoekjes

voorzichtig tot even voor hun oogen.... Daarna stelden de feestgenooten

zich op voor de polonaise. Jan ging vooraan met mevrouw Holman, dan kwam

het bruidspaar....

En het bal begon. Dansen volgden op dansen, afgewisseld alleen door een

paar voordrachten in een hoek van de zaal. Er was geen tooneel. Dus

konden ook bruid en bruigom telkens een tijdlang meedoen als gewone

gasten. Alleen de oudere dames vonden het blijkbaar plicht hun altijd

weer toe te knikken, en toe te lachen, of even aan te spreken. De

jongeren bekommerden zich niet veel om hen, ieder had z'n aandacht bij

eigen plezier, intrige, figuur....

Annie leefde, nadat ze de balzaal was binnengegaan, in een gedurig

verwachten. Ze wist eigenlijk zelf niet wat. Maar er was iets, er zou

iets komen, haar borst was beklemd. Soms dacht ze dat het dit zou zijn:

Paul, naar haar toekomend om een dans te vragen.... Maar zou hij 't wel

doen?... Ze twijfelde.... Kon hij dansen?... Ze keek telkens naar hem

uit maar zag hem dan doorgaans niet. Dat gaf haar een gevoel van

verwondering en leegte, maar toch ook een kleine verlichting, want ze

wou het wel, dat hij komen zou..., maar eigenlijk was ze 'r wat bang

voor....

Paul bleef bijna voortdurend in het kleine zaaltje zitten, waar nu

gelucht was, en waar ook de oudere heeren kwamen praten en--heimelijk,

aan de deur--een enkel trekje doen, de rookwolkjes wegslaand met hun

groote, onbedekte handen, want ze waren niet zeker of 't wel mocht,

rooken in dat zaaltje, en ze grinnikten er over tegen Paul, zeiden dat

hij 't niet aan mama moest verklappen. Hij keek hen bot-verbaasd aan,

alsof hij doof was; hij begreep niet, geheel abstract.... Aan dansen

dacht hij geen oogenblik.... Hij wist het soms zelf niet, waar hij wel

aan dacht.... Aan alles!... Aan niets!... Het was gedaan.... Hij kon

het niet meer uithouden.... Hij zou maar weggaan.... Of eigenlijk....

Waarom? ... Wat kon 't hem schelen waar hij was.... 't Was overal

ellendig.... 't Was overal hetzelfde, 't ging met hem mee....

O! haar binnenkomen!... Die aarzelende stap, die zoekende oogen!... Haar

denkende mond, haar hals met het wonder-teer-intieme van het

keelkuiltje, dat hij had voelen kloppen op den afstand waar hij was;

haar heele staan door de witzijden japon!... Die glans!... Die witheid,

die haar beschutting was tegen de handen en 't aandringende lijf van

hem, die daar naast haar ... brutaal triomfeerend....

Louis was z'n broer, zijn jongere broer....

Toen vader gestorven was had hij, tegen Paul aan, uit zitten huilen, in

den kamerschemer.... Zoo iets bindt zoo.... 't Was z'n broer.... Zijn

eenige broer....

O! maar die anderen, ál die anderen, die mocht hij haten, heet haten,

vervloeken naar willekeur. Zij met hun laffe, verwijfde smoelen, hun

stom-aanmatigend, ijdel gezwets, die blootborstige vrouwen met hun

lokkende, lekker-lachende monden, die kerels met hun onreine oogen, hun

wreede, lachende tanden, met hun gedachten ... gemeen ... gemeen.... Hij

kon ze wel zwiepen, er uit allemaal, dat het striemde, snerpte,

scheurde.... O! dat te denken, daarin te berusten, dat zij moest blijven

daar in die omgeving, in die atmosfeer...; zij, zij met haar

onschuld-adem, zij met haar hart vol geloof, zij met haar handen van

heilige....

Het dof-donkere haar, het droge, springende, willende haar, dat nu was

samengesnoerd, en opgesierd met een bosje onechten oranjebloesem..., o!

als hij het los mocht maken..., dat het kon zwieren, leven, bewegen!...

O! als hij het kussen mocht!...

* * * * *

De bruigom deed ijverig z'n best om lief en attent voor zijn bruid te

zijn. Hij glimlachte haar zonder ophouden toe, omgaf haar met z'n

verheugde blikken. Hij wou met geen andere dansen, was aldoor vlak bij

haar, zat naast haar, deed trotsch en blij, was blijkbaar wel in zijn

beste stemming.... Hij had haar ook tot-nog-toe niet gezien als

van-avond..., zoo'n beetje gedécolteerd; aardig, hè ... mooi, hè!...

Maar wat of ze weer had van-avond; ze was zoo stil, zoo vreemd, ze

ontmoedigde hem werklijk bijna, want wat kon hij meer doen dan hij

deed!... Enfin!... Er was zeker thuis weer wat geweest, een ruzietje;

zoo'n kleinigheid kon haar zoo zenuwachtig maken...; ze was dikwijls zoo

stil.... Afwachten maar, niet forceeren!... Maar hij vond het eigenlijk

wel beroerd, want in zijn hittig verliefd-zijn, dat nog niet zoo sterk

was geweest als dezen avond, groeide nu een behoefte, een ongeduldige

drang naar beantwoording van z'n verlangens, naar zich-zelf begeerd

gevoelen.... Tot nog toe had hij dat niet erg gemist, maar nu begon het

ontbreken ervan hem hinderlijk te worden, ofschoon hij er zich nog niet

heel helder bewust van was.... Maar hij troostte zich telkens weer door

een, zich hevig verbeeldend, denken aan den aanstaanden trouwdag ... en

wat dan zou volgen.... Nog maar vijf dagen!... Hij verkneukelde zich als

een smulpaap, genood op een fijn diner....

Later op den avond begon hem Annie's abstracte houding méér te

ontstemmen.... Hij trachtte zich toen wat af te leiden door veel naar de

andere meisjes en jonge vrouwen te kijken, naar de halzen en armen

vooral, en dat hielp ook wel, telkens vergat hij zijn ergernis, maar

zijn zinnelijkheid werd ook te sterker geprikkeld, hij werd gejaagd en

zeer nerveus, hij maakte stiekeme plannen....

* * * * *

Annie hield maar voortdurend dat gevoel of er iets zou gebeuren.... De

angst van dien nacht kwam telkens weer even terug met een soort van

schrik, en die dofheid, dat machtelooze, dat haar den heelen dag had

bezeten, was nog niet weg, hoe ze ook poogde vroolijk te zijn, mee te

doen.... Ze danste bijna iederen dans, met Louis meest alle, maar ook

een paar met zijn beste vrinden, die zich dan uitputten in

complimentjes..., maar zij luisterde niet, en de dansmuziek nam haar

niet mee, noch de snelle, deinende maatgang; zij bleef passief, in

zich-zelf gekeerd, abstract....

Daar ging Paul langs den muur aan den overkant. Waarom keek hij niet

eens naar haar?... Hij kon zeker heelemaal niet dansen, maar waarom kwam

hij niet eens met haar praten?... Zou hij soms ziek zijn?... Hij was zoo

bleek.... En z'n oogen!... Hij was veranderd sinds Zaterdag.... O ja!...

Z'n oogen vooral, die lagen veel dieper.... Hij kon er zeker niet tegen

zoo lang uit z'n werk te zijn, rond te loopen hier in Rotterdam, en zich

te vervelen bij die feestjes.... Het was ook niets voor hem!... O! daar

keek hij even.... Maar nu leek het toch wel of hij boos op haar was....

Z'n gezicht stond net als toen Louis van-de-week had gevraagd of hij die

boodschappen wilde gaan doen met haar....

Toen Paul, den avond door, al maar niet kwam, werd zij erg onrustig; de

angst werd beklemmender en week niet meer.... Ze hoopte 't nu ook

volstrekt niet langer, dat hij zou komen, integendeel, soms was ze

bepaald bang, dat hij plotseling voor haar zou staan.... Er was nu weer

iets tusschen hen gekomen..., iets vijandigs, iets ... dat hen meer en

meer van elkander verwijderde.... Wat was het toch?...

O God! die lach van Louis van avond!... Zij kon bijna niet meer naar hem

kijken.... Ze zou hem bepaald vragen, later, z'n gezicht toch ernstig en

recht te houden....

Het eenige dat haar soms een oogenblik afleidde was de stralende pret,

het dolle, opgewondene doen van andere meisjes. Dat gaf haar dan een

hartelijk gevoel van genoegen, bijna iets moederlijks.... Maar dat was

dan maar even, de angst kwam dadelijk terug, beklemde haar, deed haar

loom en traag zich bewegen, en denken; ze kon haast geen woorden vinden

als ze praten moest.... De avond werd eindeloos lang, en hinderlijk het

felle licht, de dansmuziek en de glans der kleurige toiletten....

* * * * *

Eindelijk: het souper. Er waren drie tafels gezet in de danszaal,

terwijl de gasten zoolang in het andere vertrek werden beziggehouden met

een paar voordrachten.

Paul had bijtijds aan zijn moeder gevraagd hem niet aan de officieele

tafel te zetten, maar aan een van de andere, tusschen hem onbekende

menschen. Zij had het wel gek gevonden--maar hij was nu eenmaal een

wonderlijke, en, in zulke minder gewichtige dingen, was 't verstandig

zijn zin maar te doen; dat was een steun in gevallen waar meer aan

gelegen was.

Dus zat hij tusschen een paar hem geheel vreemde meisjes, en toen hij

merkte dat zij zelfs heelemaal niet wisten dat hij schilder was,

beweerde hij een "en gros" zaak in krenten te hebben, in Dordt te wonen,

en hij praatte van het toenemend krentenverbruik in Nederland, en over

de vele kwaliteiten die je had, maar 't was jammer dat tegenwoordig nu

letterlijk in alles de klat was; er was ook zoo verbazend veel

namaak.... Die meisjes, vereerd naast een broer van den bruigom te

zitten, luisterden vriendelijk, gaven hem gelijk, met ernstige

gezichtjes, vertelden dat hun vaders ook in zaken waren, en ze wisten

wel dat er tegenwoordig "malaise" was, daar klaagde papa ook zoo

dikwijls over....

Toen, wee van die onzinnige flauwiteiten, zei Paul niets meer, alleen

maar ja en neen, als het moest.... Er werd nu ook getoost, ze moesten

stil zijn.... Hij wou eerst niet luisteren, maar de vijandige klanken

drongen zich aan hem op....

Annie zat met haar rug naar zijn tafel gekeerd, aan de volgende....

De oude heer De Boogh stond op en stelde 't geluk van het bruidspaar in.

Hij zei dat hij overtuigd was, dat ze in elkaar zouden vinden wat ze

zochten, en dat hij zijn dochter met fameus veel plezier had ...

geschonken aan zoo'n flinken, hij mocht wel zeggen zoo'n eminenten

koopman als Louis Holman.--De bruigom lachte verheerlijkt; er ging een

gebrom van applaus door de zaal.--De Boogh zei verder, dat hij zijn

eigen dochter niet wou flatteeren, maar waar was het, dat ze een

engeltje was, het zonnetje van z'n huis..., mama niet te na gesproken

natuurlijk.... 't Was niet zonder weemoed dat hij haar zag heengaan....

Hier werd zijn hoofd nog vuriger rood dan anders; zijn loenschend oog

scheen van binnen te branden....

Maar iedereen wou z'n geluk, dat was nu eenmaal zoo 's werelds loop! Hij

feliciteerde zijn vrouw en zich-zelf dus nogmaals met z'n

voortreffelijken schoonzoon, en hij hoopte....

Een weinig verward rakend, brabbelde hij nog iets van veel blijven komen

in 't gastvrije ouderlijk huis, waar liefde hen altijd omringen zou....

Maar dat werd niet goed meer verstaan, want iedereen schoof met z'n

stoel, en stond op, en kwam naar het bruidspaar toe om te klinken.

Toen volgden de toosten van de ooms, en van Jan en Willem; ze hadden het

allen, uit kennelijk plichtsbesef, over de liefde en het geluk, de ooms

met schalksch zinspelen op de groote vermeerdering der familie waarop

gerekend scheen te worden, de broers prijzend hun aanstaanden zwager,

zijn degelijkheid, en zoo.... Telkens als er werd gewaagd van zijn

koopmanseigenschappen, verscheen op 't gelaat van den bruigom dezelfde

gauwdieven-glimlach, en wisselden vrinden en verwanten veelbeteekenende

blikken. Een maakte zelfs lachend de beweging van geldtellen na.

Plotsling--Annie schrok hevig, dorst zich niet verroeren--vroeg Paul met

een hoogheesche stem om het woord, en kreeg het dadelijk. Zij dorst niet

om te zien, Annie. Haar borst werd als toegeschroefd, haar tanden

rammelden over elkaar, stijf waren haar beenen en armen. Ze voelde dat

Louis naast haar zich omdraaide met zijn ijdelen glimlach, verwachtend

den nieuwen lof. Zij zag het niet. Het was stil. En toen de stem van

Paul....

Hij sprak, rechtop-staande, zijn glas in de hand: "Ook ik hoop het van

harte, dat mijn broer ... zijn vrouw ... het geluk zal geven dat haar

toekomt!...

Dit klonk als een uitdaging; de glimlach trok weg van Louis' gelaat.

"Ik verwacht het ook van hem.... Neen! ik ... ik vorder 't van hem!..."

"O! O!" riepen de meisjes die naast Paul zaten, want hij morste erg uit

z'n glas, hield het heelemaal scheef in zijn trillende hand.

"Zijn vader is dood.... Ik ben zijn broer.... Als hij het niet doet, dan

... dan is ... dan is-t-ie 'n ploert!... een schurk, ja, verdomd!..."

Het glas knapte af van den steel, viel op tafel, brak daar opnieuw, in

een plas van wijn. Er was een algemeene beweging, een soort paniek. Men

riep "Ho! ho!" en "sst! sst!", men hoestte, men stond op. Velen wilden

wat zeggen. De oude De Boogh schreeuwde, schetterende, nijdige woorden;

dat het een schande was, en zoo.... Mevrouw Holman, zelf ontdaan,

trachtte hem te kalmeeren. Jan kwam naar Paul toe, meenende dat hij

dronken moest zijn. Ook Louis was opgestaan. Hij zag bleek; een

oogenblik blikten de broers elkaar in de toornige oogen. Toen keek Paul

vóór zich, vaag voelend wat hij gedaan had.... Hij ging niet meer

zitten, begreep wel dat hij nu weg moest, wachtte toch nog tot Jan vlak

naast hem stond, fluistrend hem toebeet: "Wat mankeert je, zeg?... Je

bent dronken.... Ga gauw weg!... Zal ik je brengen?... Zeg!..." Paul gaf

hem geen antwoord, duwde hem achteruit, vrij ruw, ging langs hem,

wankelde werkelijk even.... Hij had twee of drie glazen wijn gedronken,

den heelen avond....

Hij ging naar de deur.... Annie keek niet naar hem om.... Hij voelde de

heele zaal eerst nog om zich heen, toen achter zich, dwazelen, rumoeren;

het licht was rossig en fel; hij zag geen mensch, alleen een paar roode

hoofden in wazigheid. Gelukkig ging niemand mee in de gang.

Een kelner vroeg met glimlachende strijkage of hij mijnheer aan zijn jas

zou helpen. Hij verstond het niet, greep naar zijn hoed, rende de straat

op....

De bruid was blijven zitten, onbeweeglijk; zij vermeed iemand aan te

kijken. Het erge was gebeurd. Zij had het wel geweten. Maar wat had hij

bedoeld.... Paul....

* * * * *

Er werd uitgemaakt dat de schilder dronken geweest moest zijn. Hij was

sinds lang aan zoo weinig gewoon, hij kon er niet meer tegen. En dan ...

een artiest!... men moest zoo kwalijk niet nemen; die menschen..., niet

waar?... och!... allemaal hetzelfde!... opgewonden standjes!...

De partij herstelde zich.... Anderen toostten weer, grappiglijk

zinspelend op het geval; men lachte.... Louis bedankte, deftig, correct.

De jongelui dansten nog even in het kleine zaaltje....

't Liep heel gezellig af.... Alleen de oude De Boogh bleef nijddasserig,

ofschoon hij z'n uiterste best deed vroolijk te schijnen; hij ruziede

heimelijk met zijn vrouw, die eerst een tijd-lang stom van verbazing en

ergernis de lippen op elkaar had geklemd, maar toen aan haar galligheid

lucht gaf door hatelijkheden aan zijn adres.... Hij ergerde haar nu het

meest. Dat die man zich weer zoo kwaad had gemaakt, zich zoo

aangesteld!...

In 't naar huis rijden had Louis 't nog tegen Annie over Pauls gedrag.

Al was hij dan dronken geweest, het kwam niet te pas; hij moest dan zijn

maat maar kennen!... Louis zou hem morgen er over à faire nemen, daar

kon hij van op aan.

De bruid gaf geen antwoord. Zij had zoo'n vreeslijke hoofdpijn, zei ze.

Toen hij haar had thuis gebracht ging Louis nog even naar de soos, dat

had hij in de gauwigheid nog met de vrienden afgesproken. Ze moesten nog

wat na-fuiven. De studenten waren er ook, geïntroduceerd door Jan. Ze

ontvingen den bruigom met luid spektakel, zetten hem op tafel, droegen

hem rond; ze bedronken zich allemaal.... Alleen hij zelf niet, Louis.

Hij was niet in de ware stemming om zich te bedrinken. De champagne

smaakte hem niet.... Hij was jachterig, erg geprikkeld; het rumoer van

de lui stond hem eigenlijk tegen, maar hij wou er zich niet aan

onttrekken.... Hij zag aldoor maar vrouwenaakt in zijn heete

verbeelding, hij verlangde sterk naar het heimelijk genot, dat hij

zich-zelf al beloofd had van-avond op 't bal.... Drinken kon hem nu den

roes niet geven waaraan hij behoefte had....

Toen de vrinden eindlijk naar hun huizen en hotels gingen zwaaien,

bracht hij het kleinste troepje een eindje op, maar zorgde er voor dat

hij gauw alleen was. Het was drie uur. Toen hij wist dat hij niet meer

gezien kon worden--hij keek schuw om zich heen, hij was hijgerig, erg

gejaagd--liep hij terug, haastig stappend, de Blaak af, de Spaansche

kade, een eind Nieuwe Haven, toen een straatje naar 't Haringvliet in.

Daar, op den hoek, was een groot bordeel.... Hij keek nóg eens naar

links en naar rechts, ging er toen in....

Maar vijf kwartier later kwam hij thuis, op zijn kamer; geeuwde

herhaaldelijk luid, ontkleedde zich bedaard, en begaf zich te bed, en

hij sliep vast en gerust tot negen uur in den morgen. Toen stond hij

dadelijk op en haastte zich met z'n toilet. Want hij moest gauw naar

kantoor, 't zou een drukke belangrijke dag zijn....

De bruidstijd van Annie de Boogh · 第 14 / 20 题