Hijg-ademend liep hij voort..., en had een heel eind weegs al
afgedraafd--eerst naar links den Mauritsweg af, de brug over, en den
Westersingel, vol van gelig-groen en zon-gespeel, toen den hoogen weg
naar 't park, maar het park niet dadelijk in; de laan uit, die er langs
loopt, tot aan den Maaskant--voordat hij ook maar één gedachte vormen
kon, zonder dat een woeste stormvlaag van gevoel de golven van zijn
diep-beroerd gemoed er op sloeg, en te brijzel--als woedende
branding--voordat hij andere woorden in zich hooren kon dan gil-geroep,
onsamenhangend, wilde snikken en vervloekingen van iedereen, en van
zich-zelf het meest.... De menschen zag hij niet, de zon, de wolken
niet, en ook de boomen niet; hij voelde 't groen maar vaaglijk om zich
heen; hij woedde, opgesloten in zich-zelf; hij voelde, hoorde, zag niets
anders dan dat ééne in zijn eigen borst, dat wreed besef, dat brandende
gemartel, niet te blusschen meer, noch uit te rukken ... wanhoop van
machteloosheid....
Het heugde hem niet ooit zoo geweest te zijn.... Want wel veel smart...,
en wel 't ellendig einde van kracht en geduld, de geestelijke moeheid
... niet dit opstaan tegen het fatum, niet dit woedend rukken aan de
ketenen van zijn lot wist hij doorleefd te hebben. Dit voelen: slaaf,
een makke, slappe slaaf te moeten zijn, ondanks zijn moed en kracht, de
schijn-volkomen vrijheid van zijn wil!
Eén oogenblik was 't in hem opgeschokt--staande daar, bij dat open
raam,--vrijheid, macht, op anderen neerzien, doen naar wil en neiging,
leven als een god!... Maar o! toen 't wegzonk!... toen daar weer de
gezichten waren van zijn broer en al die anderen..., toen werklijkheid
en 't weten van zijn plicht weer rond hem stonden--kerkermuren--; het
was geweest als 't wakker-worden van een slaaf-gemaakten krijger, die,
in een droom, zijn boeien had vergeten....
Maar Paul liep veel te hard om 't lang zoo vol te houden. Hij ging, den
Maaskant volgend, langs het park tot bij den ouden Heuvel. Toen kon hij
haast niet meer van warmte en moeheid--eerst,--den heelen middag al,
dat staan-te-hangen op die receptie, nu dit jagende gedraaf!--Alles
klopte en gloeide, zijn heele lijf; 't zweet sloeg hem uit, hij
hijgde.... En 't waren warmte en vermoeienis, het was physieke lamheid
die hem eindelijk bedaren deed.... Hij liet zich vallen op een bank in
snakken naar wat koelte en wat rust....
En meer en meer geregelde gedachten-reeksen kwamen.... Toch moest hij
zich bedwingen, telkens nog, om niet weer op te springen, opnieuw te
beginnen zijn stormend geloop.... Er was een sterke drang naar actie in
hem, een afkeer van de lijdzame bedaardheid.... Maar 't moest ... het
moest.... 't Gelukte hem, met kracht, zich in te toomen..., te blijven
zitten ... en te denken....
Toen dorst hij 't luid-uit zeggen in zich-zelf: Hij had de bruid lief
van zijn broer.... Het was niet te verstikken meer, te loochenen, noch
te verkleinen, dit was de liefde in haar breede volheid.... Dit was de
liefde-voor-een-vrouw, zooals hij die wel altijd had gedroomd en
vóór-gevoeld, de hevige hartstocht, 't diep-innerlijk begeeren,
bedwongen door de heiligheid, de zalig-beklemmende,
ademloos-bewonderende aanbidding. Als hij aan haar dacht voelde hij zijn
oogen opengaan, wijd staren, als in extase, op iets
schoons-nog-nooit-gezien; als hij terugzag, in herinneren, een klein
bewegen van haar maagdenlijf, een schokje in haar trekken, of een
blik..., dan ging hem een ril van verrukking kil over den rug....
O! hij had verliefdheden gekend, vluchtige passies, gemakkelijk
bevredigd dikwijls.... Dit niet ... dit nooit....
Maar zij was niet voor hem, was nooit voor hem.... Zij was de bruid van
een ander, die--o God, o God!--zijn eigen broer was.... En zij hield van
haar bruigom, zij had hem lief.... 't Was niet te denken dat het anders
was.... Hij had het in zijn dollen overmoed, zijn dwaas-verwaten droom
wel van zich af getrapt als iets onzinnigs en gerings, maar dat was maar
zoowat geraas geweest, zoowat gedweep en zelfvergoding.... Want zij was
zij, in onverleidbare onschuld, onfeilbaar door haar eenvoud, door 't
spontane van haar doen.... Wat hij bedacht had van haar willen vluchten,
van dat ze per se weg zou willen zijn uit haar ouders' huis, omdat ze 't
er niet langer uit zou kunnen houden..., dat kon niet zijn zoo.... Nooit
zou ze 't ideaal daarvoor geofferd hebben, nooit had ze zonder liefde
zich gegeven....
Daar greep zijn levenskracht nog grif de snel gerezen gedachte vast: zij
hééft zich ook nog niet gegeven..., alleen beloofd!... Maar
onmiddellijk voelde hij ook zelf de armzaligheid, het haar onwaardige
van dat idee....
Dat was immers enkel een kwestie van tijd, van enkele dagen; zij was
niet vrij meer....
Zij had zijn broer Louis lief..., iets anders was ondenkbaar.... Wie was
hij toch, dat hij betwijfelen zou of 't mogelijk was, of 't echt,
waarachtig, groot en diep kon zijn!...
Wat opgeblazen trots, wat zeer bespotlijke verwaandheid!... Zij, met haar
blik die recht de ziel in ging, zij met haar kind-gemoed, ontvankelijk,
gevoelig, had zeker schatten in zijn broer ontdekt, die hij door 't
altijd kennen nooit had leeren zien, misschien ook, afgestompt door 't
staren op zijn zelf-gevormde wereld, niet meer zag....
Zij had Louis lief....
O! als 't eens niet zoo was geweest! Of als hij haar ontmoet had vóór
zijn broer!... O! stomme ezel die hij altijd was geweest..., een boer,
een hannekemaaier, een landlooper, een polderjongen!... Wat deed hij
eigenlijk hier in de stad, in de beschaafde maatschappij! Hij moest zich
maar op 't land een wijf uitzoeken, een meid van achter den ploeg, waar
je zóó mee in 't hooi kon rollen, of kon zwijnen in een stal!... In bête
afzondering zat hij maar op de hei bij den een of anderen modderigen
poel te smeuren en te kladden, liet zich 't menschelijk geluk stom weg
ontgaan.... Gelijk hadden ze die hem uitlachten.... Nu moest hij boeten,
boeten voor zijn dwaasheid....
Zij had Louis dus lief, en hij aanbad haar!... Hoe zou dat anders
mogelijk kunnen zijn?... Ze hadden elkander lief en gingen trouwen ...
over negen dagen.... Ze zouden dan op reis gaan, in den middag ... 's
avonds ergens aankomen..., in België of Duitschland ergens..., een groot
hotel..., de kamer al vooruit besproken.... En als ze samen op die kamer
zouden zijn..., dan zou Louis, glimlachend.... Neen!... neen! neen!...
daar niet aan denken!... daar nooit aan denken, nooit!... O God! hij
proefde 't al, 't opvretend leed dat dan beginnen zou...; de haat, de
brandend heete haat zou niet te keeren zijn..., want dan de fantasie, de
wreede, spottende verbeelding.... Zijn leven was verbitterd ... ging in
gal verteren!... O God! wat daaraan doen?... Hij moest zich redden met
zijn eigen geesteskracht ... of weg zijn.... Nog negen dagen!... Wat te
doen om na dien tijd te leven.... Wat te doen!...?
* * * * *
Die vraag herhaalde Paul zich onophoudlijk nu.... 't Verdoofde hem....
Hij hoorde aldoor maar de woorden van de vraag maar kon onmogelijk aan
een antwoord denken.... Het werden klanken zonder zin, een hol
geroep.... En aan iets andere denken kon hij ook niet meer.... Want met
eentonigheid--het was als de metaalklank van een hamer op een aanbeeld
beukend, rythmisch, zonder rust--kwam altijd weer die vraag terug: Wat
dan te doen?... Meer en meer vervlotten zijn gedachten.... Hij kon ze
maar niet vatten, werd er los van, bleef, versufd, maar zitten,
achterover, voelde niet meer dat hij zat.... Het ging ál verder,
alles..., heel ver was 't nu, en klein, en lang geleden.... Er was geen
toekomst meer..., niets meer ... dan altijd daar maar zitten suffen....
* * * * *
Zijn lichaam kwam tot rust nu. Hij was ook niet zoo warm meer. Hij zat
in 't koele van een na-den-middag in 't laatst van September; van over
't breede water kwam het aan, tegen zijn knieën, zijn borst en zijn
voorhoofd aan.... Stil was het in de wijde lucht, nog altijd bijna zonder
wind; soms ruischten de boomen, zacht, met fluisterend geritsel van hun
dorrende blaren.... De rivier lag rustig, flauwtjes kabbelend aan den
steenen oever.... Hier en daar op stroom, een schip, in Zondagsstilte;
aan den overkant een paar gesloten loodsen en een drijvend dok, in
onbruik.... Wat verder rijde een lange groene laan, niet af te zien....
Blauwig grijs en rimpelig het breede water als beslagen spiegelbeeld van
't hooge, glanzige etherische....
Wijd ... hoog ... stil ... was 't hemelblauw; weinig wolken, maar die
heel groot, en langzaam, haast onzichtbaar langzaam drijvend en
veranderend van vorm.... De zon stond laag, doorgloeide rossig geel het
wazige westen....
* * * * *
Eindelijk--'t zien was niet het eerste, veeleer 't voelen, 't zich er in
gaan voelen opgenomen--kwam toch Pauls bewustzijn tot het wijd-heelal
rondom hem, hoorde hij ook 't suizelen van 't gebladert, zag hij 't
breede watervlak, en dan den overkant..., en keek naar boven, staarde
naar het blauw dat aldoor wijder werd en glanzender--van verten
tintlend--onder zijn blik.... Hij keek de wolken na die dreven in
statigheid, over zijn hoofd....
En dit werd langzaam-aan stil-innerlijk genot, een soort-geluk, zeer
zuiver en zeer ernstig, ernstiger dan hartstocht is....
Toen viel op-eens het antwoord op die vraag, het eenige, recht in zijn
ziel en prevelde hij 't na: Wees groot....
Hij bleef toen nog geruimen tijd zoo zitten, door zijn wijde ontroering,
zwaar en langzaam ademend, zijn leven overdenkend, overziend.... En
telkens voelde hij zich sterker worden, vaster staan; een diep besef van
onverwinlijkheid kwam hem doorgloren. Het levensinzicht, waar hij in
zijn eenzaamheid toe was genaderd--na veel smartelijk zoeken--en dat hem
tot een leer en richtsnoer, tot zijn bloed-warm-eigen toevlucht en
hou-vast geworden was, kwam krachtig tot zijn hulp. En ook zijn werk,
zijn kunst, gedacht hij weer met trouw en fierheid....
Hij had een vrouw lief, rein, heilig, hartstochtelijk lief. Dat was goed
en mooi, een schoone opbloei van zijn beste neigingen.... Dat niet
trachten uit te roeien, noch te ontvluchten. Geen angst, geen laf,
vreesachtig schuilgaan. Blijven. Zien. Leven in hoogheid en
bewondering....
Maar als 't geen opbloei was, maar brand, een martlend en verterend
vuur?... Dan zou hij dat trotseeren. Hij was sterk en groot. 't Kon
jaren duren....
't Namiddaglicht verbleekte en werd mat, terwijl hij aldoor nog maar
zitten bleef en soezen.... Maar plotseling zag hij al de dingen in de
verte grijs omwaasd, de schaduwen om hem heen verflauwd en
uitgerekt;--de schemering viel in.... Hij schrok er van, stond op om
gauw terug te gaan. Maar zwaar van peinzerij en loomheid kon hij zich
niet dwingen hard te loopen.... Hij ging het park door.... Het was er
stil; een kraakstap hier en daar in 't kiezel, en wat kinderpraat, was
alles wat hij hoorde, behalve 't vogeltjielpen en het windgeruisch, maar
dat waren geen geluiden die stoorden. Hij voelde zich moe, en vreemd
licht in z'n hoofd alsof hij geslapen en druk gedroomd had....
Hij kwam nu langs de vijvers, had zijn weemoeds-vol genot van 't zien,
het stil beoogen van dat ongerimpelde, geheimen volle watervlak.... Zóó,
ja! zóó moest hij ook zijn, stil en diep..., zich nooit verraden..., in
zich-zelf besloten blijven..., zich enkel uiten in zijn kunst..., zijn
liefde in zijn kunst ... en ook zijn smart.... Niet dadelijk dat nog...,
ook niet gauw nog..., later ... als hij 't heelemaal, voor altijd, zou
bemeesterd hebben.... Dan zou hij--mocht dat wel, was 't niet
profaan?--uit zijn smart zich wondere harmonie van stemmingen en kleuren
scheppen en die dan, zichtbaar voor hem zelf alleen, in ademlooze
aandacht, op zijn doek verdubbelen, een tweede, langer blijvend leven
geven.... Als dat gelukte zou 't iets heerlijks zijn!...
Maar 't was verkeerd daar nu al aan te denken, zoo vol
zelfverheffing.... Hij moest bescheiden zijn, trouw maar blijven werken
naar natuur. Bescheidenheid is wijs, en trouw is goed....
Zoo liep hij door, z'n hoofd nog van die droomerij en vage wijsheid
vol.... Hij waande zich in evenwicht, in kalmte philosophisch.... Toch
kwam al telkens meer gedenk-aan-haar zijn stap versnellen, 't verlangen
jagen door zijn warmer wordend lijf....
Hij naderde alweer, hij was nu op den Westersingel.... Nog een eindje en
hij zou het huis al kunnen zien....
Toen werd hij weer gejaagd en erg onrustig; zijn hoofd was gloeiend,
zijn slapen brandden onder zijn vilten hoed, en klopten met korte, doffe
bonzen. Zijn voeten waren koud;--en hij bleef even staan met een gevoel
alsof hij stikken zou van drukking op z'n borst.... Het was bij
zessen.... Ja, hij moest nu gaan.... 't Was tóch al opvallend zoo lang
als hij was weggebleven.... Ze zouden verwonderd zijn en vragen: Waar
ben jij geweest.... Hij zou dan maar zeggen dat hij had gewandeld, dat
het hem zoo goed gedaan had, dat hij nu eenmaal buitenman was en
behoefte had aan veel beweging in de open lucht.... En 't huis van
Louis..., nu dat zou hij morgen dan wel zien, dat liep niet weg.... Maar
dan kwam 't diner.... Hij zou natuurlijk zitten tusschen dames..., jonge
zeker..., of een oude en een jonge ... en dan zou hij moeten praten....
Eten kon hij niet, maar dat was minder; praten was veel noodiger.... Met
enkel stil-zijn, in zich-zelf besloten blijven zou 't niet gaan..... O!
't vreeselijke praten!... Maar stil-zijn, dat was te eenvoudig!... Zóó
gemaklijk was het niet.... Zeker zou hij ook veel te zien en te hooren
krijgen, en moeten voelen, dat hem martelen zou..., maar dan zou hij
toch maar aldoor moeten praten, lachen, vroolijk doen....
Maar ... God! Waarom dan toch, waarom niet weggaan, dadelijk en voor
goed, voor altijd weg?...
Omdat hij groot wou zijn en sterk, zich zelf beheerschen....
Omdat hij leeren wou te lijden met een lach....
En ook ... omdat ... hij nog niet scheiden kon....
* * * * *
Maar, ál naderkomend voelde Paul 't ontzaglijk moeilijke, het haast
onmogelijke van zijn houding meer en meer.... Het maakte hem koortsig
van opgewondenheid....
Hij moest zich meester zijn, niets laten merken ... aan niemand!... Maar
hóé ... hoe zou hij zijn?... Hij moest dat maar verstandelijk vooruit
bepalen, dat was 't beste; het zou toch al comedie zijn..., een rol!...
maar wat voor rol zou hem 't gemaklijkst afgaan?... Een misanthroop, een
somber zwijger?... of iemand die zich dronken praat?... Een redeneerder
die met grooten ernst zich druk maakt over niets?... een clown, een
paardenspel-pias, die 't volk doet juichen als hij enkel grijnst, hun
botheid cynisch exploiteert.... Ja, dat was wel het beste masker, maar
hij zou 't niet kunnen.... Zijn mensch-verachting was niet groot
genoeg.... O neen!... In godsnaam waardigheid!...
Maar, och! wat kwam 't er eigenlijk op aan! Als zijn groot geheim maar
verborgen bleef.... Als niemand daar maar iets van kon raden.... Zij het
minst.... O, zij wel 't allerminst.... Want haar zou 't leed doen, de
anderen zouden lachen of zich op z'n best wat ergeren....
Hij zou dus maar zijn zooals 't viel!... vandaag zus, morgen zóó....
Vandaag druk, praatziek, opgewonden, morgen stil, bedrukt, overmorgen
iedereen verlakkend, dan bijvoorbeeld weer eens, aldoor glossen makend
vol kwaadaardigheid, en dan zoo lief-goedmoedig als een ouwe-meu....
Zoodat ze allemaal zeggen zouden, dat uit hem niet wijs te worden
was..., dat hij een zonderling, een gek was!...
Als dan eindelijk alles zou gedaan zijn..., als hij weg mocht gaan....
O! als dan niemand maar iets wijzer was geworden over hem, als hij dan
maar niets gezegd had wat hij liever zwijgen wou!... Dan mochten ze hem
voor gek verslijten!... Hij zou van-zich-zelf gebleven zijn en alles in
zich bij elkander hebben gehouden ... tot zijn eigen troost en
bitterheid, als hij alleen zou zijn....
Het viel hem mee; ze vroegen niet veel. Ze schenen hem nu al voor veel
zonderlinger te houden dan hij wist, ze schenen maar blij te zijn, dat
hij weer binnen was, dat ze niet hoefden te wachten.... Ook leidden de
andere gasten-voor-'t-diner in ijvrig praten de aandacht van hem af....
Annie keek hem aan, bezorgd, aandachtig, ze zag bleek van moeheid--maar
ook zij vroeg niets....
Zijn tafeldame was bruidstante Bertha, een beminnelijke dame,
kort-ademig van dikte, maar toch lang van stof, en heel gemaklijk te
onderhouden. Aan zijn andere zij zat nichtje Line, 't druk-vroolijke
bruidsmeisje. Die zat op een hoek; en aan den smallen kant van de tafel
waren neergezet: Johan, een vriend van Willem, met Margotje, de
vertrouwde van Rie de Boogh, een droomstertje, met groote oogen,
ernstig. Nu had nichtje Line, langs het stil Margotje heen, voortdurend
drukke pret met dien Johan. Paul was daardoor op tante Bertha
aangewezen, maar die zat ook herhaaldelijk te praten met Louis, haar
rechter-buurman.... Zoo kon hij nu en dan een poosje stil zijn...,
luisteren, door 't praten van de anderen heen, naar Annie's stem..., wat
hem benauwde soms, tot stikkens toe....
Hij had een paar zeer moeilijke oogenblikken. Tante Bertha merkte
eensklaps op, dat hij haast heelemaal niet at, en maakte daar, met
goedige verbazing, drukte over. Het werd een heel relletje, iedereen
keek naar hem.... Maar Paul, met--uiterlijk--volkomen kalmte, hield maar
vol dat zij zich inderdaad vergiste....
En, aan 't einde van den uitgebreiden maaltijd, toen al de oude heeren
hadden getoost en zaten na-te-gloren, blij dat 't goed was
afgeloopen--papa De Boogh, oom Hendrik--die voogd over Paul en Louis was
geweest,--oom Koo de Boogh, en daarna zelfs Jan en Willem ook al...,
toen zaten ze blijkbaar te wachten op een toost van hem.... Hij zag het
aan de oogen die nu en dan nieuwsgierig bevreemd zijn kant op keken, hij
hoorde 't aan het telkens hortende gepraat.... Hij dacht er ook een
oogen blik wel over..., een toost..., maar gaf het dadelijk weer op. Dat
kon niet. Ze moesten dan maar denken wat ze wilden. Dat hij niet wist
hoe 't hoorde....
Mama deed al haar best zijn blik te vangen..., kuchte.... Maar hij deed
als merkte hij daar niets van..., sprak nichtje Line aan.... Er kwam
zelfs even algemeene stilte aan tafel.... Misschien hadden ze van hem
juist iets zeer fraais verwacht.... Mijnheer De Boogh trok, grappiglijk,
zijn wenkbrauwen hoog op en fluisterde met mevrouw Holman, die zijn
tafeldame was; toen keken beiden, hard-op lachende, naar Paul.... Maar
hij hield zich kalm..., toostte niet....
Neef Herman kwam dan aan de beurt, met een komischen, berijmden
heilwensch--lange lijzige regels, het duurde wel een goed kwartier.--Ze
waren allen blij toen het uit was; moe van 't zitten maakte elk
bewegingen van willen opstaan.... Louis bedankte kort, correct....
Na het diner werden diverse aardigheden vertoond, door, Willem en
Marietje, met Johan, Margotje en Line; een paar andere vriendinnen van
de bruid zongen en reciteerden fraaie verzen over liefde en trouw ...
rozen en doornen.... Het werd gauw laat.... Men converseerde, dronk
wijn, keek naar de vertooningen.... De jonge meisjes praatten wel van
dansen, maar de gastvrouw ging daar niet op in.... Haar man, die van
dezen naar genen ging, kwam ook even met Paul praten. Maar hij was lang
niet zoo overstelpend vriendelijk als den vorigen avond.... Er lag zelfs
nu en dan wat meerderheidsgevoel in zijn manier en toon. Zij raakten
over politiek aan 't praten.... Het oude heertje, nijdig roerend in zijn
kopje thee, gaf, in zijn fel en krakerig geluid, zoowat opinies van
laisser-aller ten beste, ouderwets-liberale ideeën, gebruikte termen
waar hij zelf klaarblijkelijk de porté niet van begreep.... Paul maakte
zich niet warm, maar zei, spontaan en leuk, wat zinnetjes die recht
daartegen in, en erg socialistisch klonken. Toen draaide de oude heer
zich kwasi lustig-lachend, inderdaad hoogrood van woedende ergernis,
in-eens om, liet hem zitten.... Zijn vrouw, die z'n beweging zag,
glimlachte met haar pijnlijke berusting.
Tot Annie had hij haast nog niet gesproken, enkel nu en dan een woord of
wat, met zooveel mogelijk afgewenden blik. Maar toen bemerkte hij 't
gevaar dat ze ging denken: hij is boos om 't een of ander; ze keek wat
angstig-ongerust zijn kant soms uit. Dat mocht niet. Dus ging hij even
zitten bij Louis en haar, en praatte wat, op hartlijken, vertrouwelijken
toon.... Louis scheen een beetje stroef--omdat hij niet getoost had
zeker!...
Toen hij naar huis ging had hij een kleine blijdschap van tevredenheid
over zich-zelf. Hij ging per rijtuig, met zijn moeder en Louis, en 't
ratelen belette dat er veel gepraat werd. Toch zei mama nog iets van
zijn niet "spreken aan tafel." Het speet haar erg. Nu was 't haast enkel
van den anderen kant gekomen. Paul zei dat hij 't niet kon en 't ook
niet noodig had gevonden.... Louis zei niets....
Op zijn kamer viel hij dadelijk op een stoel neer,--een rechten, stoel
die aan den muur stond--, bleef voorover zitten suffen.... Totdat zijn
rug hem pijn ging doen van 't lang gebukt zijn, zijn leden stijf en doof
en klopperig waren, een drukking op zjjn hoofd het denken haast
onmogelijk maakte....
Hij stond den volgenden morgen zeer laat op. Hij voelde zich zoo suf en
lam-geslagen, opziend tegen alles wat nog kwam....