HOOFDSTUK XL.

Een zonderling onderhoud, dat een vervolg is op het vorige hoofdstuk.

Nancy had haar leven doorgebracht op straat en in de gemeenste

bordeelen en holen van Londen, doch in haar was nog iets over van haar

oorspronkelijke vrouwennatuur. Toen zij hoorde, hoe een lichte voetstap

de deur tegenover haar naderde, en dacht aan het onmetelijke contrast,

dat het kamertje een oogenblik later te zien zou geven, kwam een gevoel

van diepe schaamte over haar; zij kromp in elkaar, als kon zij

nauwelijks de tegenwoordigheid dragen van haar, met wie zij dit

onderhoud had verlangd.

Maar tegen deze betere gevoelens streed haar trots--de ondeugd van de

laagste en diepst gezonkene wezens zoowel als van de hoogste en meest

zelfverzekerde. De ellendige vriendin van dieven en schurken, de

gevallen verworpelinge uit de afschuwelijkste holen, de medeplichtige

van wat door gevangenis en galeien uitgeworpen werd, die zelf als in

de schaduw van de galg leefde--zelfs dit lage schepsel voelde zich

te trotsch om een glimp naar buiten te doen komen van het vrouwelijk

gevoel, dat zij als een zwakheid beschouwde, maar dat het eenige was wat

haar verbond met het ware menschelijke, waarvan haar leven reeds in haar

vroegste kindschheid zoovele trekken had verloren. Zij hief haar oogen

ver genoeg op om op te merken, dat het gezicht vóór haar het gelaat was

van een jong, mooi meisje; toen sloeg zij ze neer en schudde haar hoofd

met gewilde onverschilligheid, terwijl zij zeide:

»'t Kost moeite u te spreken te krijgen, juffrouw. Als ik 't kwalijk

genomen had en weg was gegaan, zooals velen zouden gedaan hebben, zou

het u later gespeten hebben en dat niet zonder reden.«

»'t Spijt mij erg als iemand u onvriendelijk behandeld heeft,«

antwoordde Rose. »Denkt u er maar niet meer aan. Vertel me waarom u mij

wou spreken. Ik ben Miss Maylie.«

De minzame toon van het antwoord, de lieve stem, de vriendelijke manier

van doen, de afwezigheid van elk teeken van trots of geprikkeldheid,

namen Nancy als bij verrassing in en zij barstte in tranen uit.

»O juffrouw! juffrouw!« zeide zij en sloeg haar handen hartstochtelijk

voor haar gezicht, »als er meer waren zooals u, zouden er minder zijn

zooals ik--dat zeg ik--dat zeg ik!«

»Ga zitten,« zei Rose ernstig. »Als u arm bent of ongelukkig, wil ik u

graag helpen als ik kan--geloof me. Ga zitten.«

»Laat mij staan blijven, juffrouw,« zei Nancy, nog schreiend, »en spreek

niet zoo vriendelijk tegen me eer u me beter kent. 't Wordt laat.

Is--is--die deur gesloten?«

»Ja,« antwoordde Rose en week een paar stappen achteruit als om dichter

bij hulp te zijn wanneer 't noodig mocht wezen. »Waarom?«

»Omdat,« zei Nancy, »ik op het punt sta mijn leven en het leven van

anderen in uw handen te leggen. Ik ben de vrouw, die Oliver bij oude

Fagin terugbracht, dien avond, toen hij uit 't huis in Pentonville

kwam.«

»U!« zei Rose Maylie.

»Ik juffrouw!« antwoordde het meisje. »Ik ben dat afschuwelijke

schepsel, waar u van gehoord hebt; ik leef onder dieven en vanaf het

eerste oogenblik, dat ik mij herinner mijn oogen op de Londensche

straten te hebben opengedaan, heb ik nooit een beter leven gekend of

vriendelijker woorden gehoord dan zij me gaven, dat zweer ik voor God! U

mag gerust voor me terugschrikken, juffrouw. Ik ben jonger dan u naar

mijn uiterlijk zoudt denken, maar ik ben er aan gewoon. De armste

vrouwen gaan op zij als ik in een drukke straat loop.«

»Wat zegt u 'n verschrikkelijke dingen!« zei Rose, onwillekeurig

terugwijkend voor haar vreemde bezoekster.

»Dank God op uw knieën, juffrouw,« riep Nancy, »dat u vrienden had

om u te verzorgen en te koesteren toen u een kind was en dat u nooit

in aanraking hoefde te komen met kou en honger en losbandigheid en

dronkenschap en--en--iets dat nog erger is--zooals ik van de wieg af om

mij heen heb gezien. Ik mag dat woord gebruiken, want de straat en de

goot waren mijn wieg, zooals ze mijn doodsbed zullen zijn.«

»Ik beklaag u!« zei Rose met gebroken stem. »Mijn hart krimpt ineen als

ik u hoor spreken.«

»De hemel zegene u voor uw goedheid!« hernam Nancy. »Als u wist, hoe ik

somtijds ben, zoudt u me werkelijk beklagen. Maar ik ben weggeslopen van

de menschen, die mij zeker zouden vermoorden, als ze wisten hoe ik hier

was, om u te vertellen wat ik heb afgeluisterd. Kent u een man, die

Monks heet?«

»Neen,« zei Rose.

»Hij kent u,« hernam Nancy, »en wist, dat u hier was, want ik heb u

gevonden, doordat ik hem hoorde zeggen, waar u was.«

»Ik heb den naam nooit gehoord,« zei Rose.

»Dan heeft hij bij ons een vreemden naam aangenomen,« zei Nancy, »dat

had ik al meer gedacht. Ik vertrouwde den man niet. Een poos geleden,

even nadat Oliver bij u was gebracht dien nacht van de inbraak,

luisterde ik een gesprek af, dat hij met Fagin in donker hield. Uit wat

ik hoorde, begreep ik, dat Monks--de man daar ik u naar vroeg, ziet u--«

»Ja,« zei Rose, »ik begrijp 't.«

»Dat Monks,« ging het meisje voort, »Oliver toevallig gezien had met

twee van onze jongens op den dag, toen wij hem voor 't eerst kwijt

raakten en dat hij hem toen dadelijk herkend had als hetzelfde kind, dat

hij voortdurend in 't oog hield, waarom kon ik niet begrijpen. Met Fagin

werd een overeenkomst gemaakt, dat hij een zekere som zou krijgen als

Oliver terugkwam; en nog meer als hij een dief van hem maakte, wat Monks

noodig had voor een of ander doel van hemzelf.«

»Voor welk doel?« vroeg Rose.

»Hij kreeg mijn schaduw op den muur in 't oog, terwijl ik stond te

luisteren, in de hoop dat te weten te zullen komen,« zei het meisje, »en

niet velen zouden 't mij na gedaan hebben, hun uit den weg te blijven

zonder ontdekt te worden. Maar 't lukte me en ik heb hem niet weer

gezien vóór gisteravond.«

»En wat gebeurde er toen?«

»Dat zal ik u vertellen, juffrouw. Gisteravond kwam hij weer. Weer

gingen ze naar boven. Ik wikkelde me zoo in mijn rok, dat mijn schaduw

me niet kon verraden en luisterde weer aan de deur. De eerste woorden,

die ik Monks hoorde zeggen, waren deze: »Dus liggen de eenige bewijzen

voor de identiteit van den jongen op den bodem, van de rivier en de oude

heks, die ze van de moeder kreeg, ligt te rotten in haar kist.« Ze

lachten en spraken over den goeden loop, die de zaak genomen had. Monks

praatte door over den jongen; hij werd erg woest en zei, dat, al had hij

nu goed en wel het geld van den jongen duivel, hij 't liever op een

andere manier had gehad, want wat zou 't prachtig zijn geweest, dat

blufferige testament van den vader ongeldig te maken, door den jongen

van de ééne gevangenis naar de andere te jagen en hem eindelijk

opgehangen te krijgen voor een of andere groote schurkenstreek, die

Fagin makkelijk op touw kon zetten, nadat hij eerst flink voordeel van

hem had gehad.«

»Wat beteekent dat alles?« vroeg Rose.

»'t Is de waarheid, juffrouw, al komt 't uit mijn mond,« antwoordde

Nancy. »Toen zei hij met eenige vloeken, die in mijn ooren gewoon

klinken, maar vreemd in de uwe, dat, als hij zijn haat bot kon vieren

door den jongen het leven te benemen zonder zichzelf in gevaar te

brengen, hij 't zeker doen zou; maar nu dat niet kon, zou hij wel zorgen

bij elke verandering in zijn leven op zijn weg te komen en als hij

voordeel dacht te hebben van zijn geboorte en zijn geschiedenis, kon hij

hem nog kwaad genoeg doen. Kortom Fagin,« zeide hij, »al ben je een

Jood, je hebt nog nooit iemand zulke valstrikken gelegd als ik 't mijn

broertje Oliver zal doen.«

»Zijn broertje!« riep Rose uit.

»Dat waren zijn woorden,« zei Nancy en keek onrustig om zich heen,

zooals zij voortdurend gedaan had, sinds zij begon te spreken, want ze

zag in verbeelding steeds Sikes achter haar staan. »En nog meer. Toen

hij van u sprak en van de andere dame, zei hij lachend, dat de hemel of

de duivel tegen hem samenspande door Oliver in uw handen te brengen; hij

zei, dat dat hem toch ook plezier deed, want hoeveel honderd of duizend

pond zoudt u niet willen geven, als u ze had, om te weten, wie uw

tweebeenig schoothondje was.«

»U wilt toch niet zeggen,« zei Rose verbleekend, »dat dit in ernst

gezegd werd?«

»Hij sprak in vollen, woedenden ernst,« antwoordde Nancy, haar hoofd

schuddend. »Als zijn haat gewekt is wordt hij een man om bang voor te

zijn. Ik ken er veel, die erger dingen doen, maar ik luister liever

twaalf maal naar die anderen dan één keer naar Monks. 't Wordt laat en

ik moet thuis zijn, voordat iemand vermoedt, waar ik geweest ben. Ik

moet gauw terug.«

»Maar wat kan ik doen?« vroeg Rose. »Wat voor nut heeft die boodschap

voor me zonder u? Terug! Waarom wilt u terug naar menschen, die u in

zulke vreeselijke kleuren afschildert? Als u dit bericht herhaalt in het

bijzijn van een heer, dien ik in een oogenblik uit de kamer hiernaast

kan halen, kunt u binnen een half uur naar een veilige plaats gebracht

worden.«

»Ik wil terug,« zei Nancy. »Ik moet terug, omdat--hoe kan ik zulke

dingen vertellen aan een onschuldig meisje als u?--omdat onder de

mannen, waarvan ik u vertelde, er één is--de vreeselijkste van hen

allen--dien ik niet kan verlaten; neen, zelfs niet om bevrijd te worden

uit het leven, dat ik nu leid.«

»U bent toch vroeger voor dien lieven jongen in de bres gesprongen,« zei

Rose, »en u bent met zoo groot gevaar hier gekomen om mij te vertellen,

wat u gehoord hebt; uw manier van doen overtuigt me van de waarheid

van wat u zegt; uw berouw blijkt zoo duidelijk.... dit alles doet

me gelooven, dat u nog gered kunt worden. O!« ging het jonge meisje

ernstig voort, »blijf niet doof voor de smeekbeden van iemand van uw

eigen sekse; de eerste--de eerste, dat geloof ik zeker, die ooit met

medelijdende stem een beroep op u deed. Toe, luister naar mijn woorden

en laat mij u tot een beter leven brengen.«

»Juffrouw,« riep het meisje, terwijl zij op haar knieën zonk, »lieve,

zoete, engelachtige juffrouw, u bent werkelijk de eerste, die mij de

weldaad van zulke woorden bewezen heeft en als ik ze jaren geleden

gehoord had, zouden zij mij misschien dit leven van zonde en leed den

rug hebben doen toekeeren; maar het is te laat--te laat!«

»Het is nooit te laat,« zeide Rose, »voor berouw en boete.«

»Jawel, jawel,« riep Nancy, zich wringend in haar zielesmart, »ik kan nu

niet meer van hem weg! Ik zou zijn dood niet willen zijn.«

»Waarom zoudt u dat zijn?« vroeg Rose.

»Niets zou hem kunnen redden,« riep het meisje. »Als ik aan anderen

vertelde, wat ik u verteld heb en daardoor oorzaak was, dat zij gevangen

genomen werden, zou hij zeker moeten sterven. Hij is de stoutmoedigste

van allen en heeft zulke verschrikkelijke dingen gedaan!«

»Is 't mogelijk,« liep Rose, »dat u ter wille van zoo'n man afstand wilt

doen van alle hoop voor de toekomst en van de zekerheid onmiddellijk

gered te worden? Dat is waanzin.«

»Ik weet niet wat het is,« antwoordde het meisje, »ik weet alleen, dat

het zoo is en niet alleen met mij, maar met honderden en duizenden, die

even slecht en ellendig zijn als ik. Ik moet terug. Of dit de wraak

van God is, voor het kwaad, dat ik heb gedaan, dat weet ik niet, maar

door alle tijden en alle mishandeling heen voel ik me naar hem terug

getrokken en dit zou nog zoo zijn, geloof ik, wanneer ik wist, dat ik

eindelijk door zijn hand zou moeten sterven.«

»Wat moet ik doen?« zeide Rose. »Ik mag u niet zoo heen laten gaan.«

»U moet me laten gaan, juffrouw, en ik weet, dat u het doen zult,« wierp

Nancy tegen, terwijl zij opstond. »U zult me niet tegenhouden, omdat ik

vertrouwd heb op uw goedheid zonder een belofte van u te vergen, wat ik

toch had kunnen doen.«

»Waartoe dient 't dan, dat u mij dit verteld heeft?« zei Rose. »Dit

geheim moet opgehelderd worden; hoe kan 't anders Oliver ten goede

komen, die u zoo graag wilt helpen?«

»U kent misschien wel een of anderen goedgezinden heer, die het als een

geheim wil aanhooren en u raden zal wat te doen.«

»Maar waar kan ik u weer vinden, als het noodig mocht zijn?« vroeg Rose.

»Ik verlang niet te weten, waar die vreeselijke menschen wonen, maar

waar kan ik u op een vastgesteld tijdstip zien loopen of voorbijgaan?«

»Wilt u mij beloven, mijn geheim zorgvuldig te bewaren en alleen te

komen of met den eenigen persoon, die er van weet; en dat ik niet

bespied of achtervolgd zal worden?«

»Dat beloof ik plechtig,« antwoordde Rose.

»Elken zondagavond, zoolang ik in 't leven ben, van elf uur totdat de

klok twaalf slaat,« zei het meisje zonder aarzeling, »zal ik op London

Bridge heen en weer loopen.«

»Blijf nog een oogenblik,« viel Rose in, toen het meisje haastig naar

de deur liep. »Denk nog eens na over uw eigen toestand en over de

gelegenheid, die u hebt, er aan te ontkomen. Ik ben u iets schuldig,

niet alleen omdat u mij dit uit vrijen wil kwam vertellen, maar omdat u

een vrouw bent, die hopeloos verloren is. Wilt u terug naar die troep

roovers en naar dien man, als één woord uw redding kan zijn? Welke

betoovering kan het zijn, die u terugtrekt en die u vast doet houden

aan slechtheid en ellende? O, is er geen snaar in uw hart, die ik aan

kan roeren? Is er niets, waarop ik een beroep kan doen tegenover deze

verschrikkelijke verblinding?«

»Als jonge dames, zoo goed en mooi als u,« hernam Nancy met vaste stem,

»haar hart wegschenken, stelt de liefde ze tot alles in staat--zelfs een

meisje als u, die een thuis heeft, vrienden en andere bewonderaars,

alles wat uw leven kan vervullen. Wanneer iemand als ik, die geen ander

dak met zekerheid heeft dan 't deksel van de doodkist en geen andere

vriend in ziekte of dood dan de verpleegster uit het ziekenhuis, als wij

ons bedorven hart aan een man geven en hem de plaats laten innemen, die

ons heele ongelukkige leven door ledig bleef, wie kan dan hopen ons te

genezen? Beklaag ons, juffrouw--beklaag ons, omdat wij nog maar één

vrouwelijk gevoel over hebben, en omdat dit gevoel door een drukkend

godsoordeel inplaats van ons geluk en onze trots te zijn, verandert in

een nieuwe oorzaak van lijden en vernedering.«

»U wilt toch wel,« zei Rose na een oogenblik van zwijgen, »wat geld van

me aannemen, zoodat u ten minste, tot we elkaar weer spreken, buiten

schande kunt blijven?«

»Geen penny,« antwoordde het meisje en maakte een afwerende beweging met

de hand.

»Sluit uw hart niet voor al mijn pogingen u te helpen,« zei Rose en kwam

vriendelijk naar Nancy toe. »Ik wil u werkelijk helpen.«

»U zoudt mij 't best helpen, juffrouw,« hernam Nancy handenwringend,

»als u mij in eens om 't leven kon brengen, want ik heb er vanavond meer

dan ooit verdriet van gehad, te denken, wat ik ben en 't zou ten minste

iets zijn, niet te sterven in de hel, waarin ik geleefd heb. God zegene

u, lieve juffrouw, en zende zooveel geluk op uw hoofd, als ik schande

over het mijne heb gebracht!«

Zoo sprekend en overluid snikkend ging het ongelukkige schepsel heen.

Rose Maylie, verbijsterd door dit zonderlinge onderhoud, dat meer op een

vluchtigen droom dan op een werkelijke gebeurtenis geleek, viel neer in

een stoel en trachtte haar verwarde gedachten te verzamelen.

De avonturen van Oliver Twist · 第 100 / 118 题