Een zonderling onderhoud, dat een vervolg is op het vorige hoofdstuk.
Nancy had haar leven doorgebracht op straat en in de gemeenste
bordeelen en holen van Londen, doch in haar was nog iets over van haar
oorspronkelijke vrouwennatuur. Toen zij hoorde, hoe een lichte voetstap
de deur tegenover haar naderde, en dacht aan het onmetelijke contrast,
dat het kamertje een oogenblik later te zien zou geven, kwam een gevoel
van diepe schaamte over haar; zij kromp in elkaar, als kon zij
nauwelijks de tegenwoordigheid dragen van haar, met wie zij dit
onderhoud had verlangd.
Maar tegen deze betere gevoelens streed haar trots--de ondeugd van de
laagste en diepst gezonkene wezens zoowel als van de hoogste en meest
zelfverzekerde. De ellendige vriendin van dieven en schurken, de
gevallen verworpelinge uit de afschuwelijkste holen, de medeplichtige
van wat door gevangenis en galeien uitgeworpen werd, die zelf als in
de schaduw van de galg leefde--zelfs dit lage schepsel voelde zich
te trotsch om een glimp naar buiten te doen komen van het vrouwelijk
gevoel, dat zij als een zwakheid beschouwde, maar dat het eenige was wat
haar verbond met het ware menschelijke, waarvan haar leven reeds in haar
vroegste kindschheid zoovele trekken had verloren. Zij hief haar oogen
ver genoeg op om op te merken, dat het gezicht vóór haar het gelaat was
van een jong, mooi meisje; toen sloeg zij ze neer en schudde haar hoofd
met gewilde onverschilligheid, terwijl zij zeide:
»'t Kost moeite u te spreken te krijgen, juffrouw. Als ik 't kwalijk
genomen had en weg was gegaan, zooals velen zouden gedaan hebben, zou
het u later gespeten hebben en dat niet zonder reden.«
»'t Spijt mij erg als iemand u onvriendelijk behandeld heeft,«
antwoordde Rose. »Denkt u er maar niet meer aan. Vertel me waarom u mij
wou spreken. Ik ben Miss Maylie.«
De minzame toon van het antwoord, de lieve stem, de vriendelijke manier
van doen, de afwezigheid van elk teeken van trots of geprikkeldheid,
namen Nancy als bij verrassing in en zij barstte in tranen uit.
»O juffrouw! juffrouw!« zeide zij en sloeg haar handen hartstochtelijk
voor haar gezicht, »als er meer waren zooals u, zouden er minder zijn
zooals ik--dat zeg ik--dat zeg ik!«
»Ga zitten,« zei Rose ernstig. »Als u arm bent of ongelukkig, wil ik u
graag helpen als ik kan--geloof me. Ga zitten.«
»Laat mij staan blijven, juffrouw,« zei Nancy, nog schreiend, »en spreek
niet zoo vriendelijk tegen me eer u me beter kent. 't Wordt laat.
Is--is--die deur gesloten?«
»Ja,« antwoordde Rose en week een paar stappen achteruit als om dichter
bij hulp te zijn wanneer 't noodig mocht wezen. »Waarom?«
»Omdat,« zei Nancy, »ik op het punt sta mijn leven en het leven van
anderen in uw handen te leggen. Ik ben de vrouw, die Oliver bij oude
Fagin terugbracht, dien avond, toen hij uit 't huis in Pentonville
kwam.«
»U!« zei Rose Maylie.
»Ik juffrouw!« antwoordde het meisje. »Ik ben dat afschuwelijke
schepsel, waar u van gehoord hebt; ik leef onder dieven en vanaf het
eerste oogenblik, dat ik mij herinner mijn oogen op de Londensche
straten te hebben opengedaan, heb ik nooit een beter leven gekend of
vriendelijker woorden gehoord dan zij me gaven, dat zweer ik voor God! U
mag gerust voor me terugschrikken, juffrouw. Ik ben jonger dan u naar
mijn uiterlijk zoudt denken, maar ik ben er aan gewoon. De armste
vrouwen gaan op zij als ik in een drukke straat loop.«
»Wat zegt u 'n verschrikkelijke dingen!« zei Rose, onwillekeurig
terugwijkend voor haar vreemde bezoekster.
»Dank God op uw knieën, juffrouw,« riep Nancy, »dat u vrienden had
om u te verzorgen en te koesteren toen u een kind was en dat u nooit
in aanraking hoefde te komen met kou en honger en losbandigheid en
dronkenschap en--en--iets dat nog erger is--zooals ik van de wieg af om
mij heen heb gezien. Ik mag dat woord gebruiken, want de straat en de
goot waren mijn wieg, zooals ze mijn doodsbed zullen zijn.«
»Ik beklaag u!« zei Rose met gebroken stem. »Mijn hart krimpt ineen als
ik u hoor spreken.«
»De hemel zegene u voor uw goedheid!« hernam Nancy. »Als u wist, hoe ik
somtijds ben, zoudt u me werkelijk beklagen. Maar ik ben weggeslopen van
de menschen, die mij zeker zouden vermoorden, als ze wisten hoe ik hier
was, om u te vertellen wat ik heb afgeluisterd. Kent u een man, die
Monks heet?«
»Neen,« zei Rose.
»Hij kent u,« hernam Nancy, »en wist, dat u hier was, want ik heb u
gevonden, doordat ik hem hoorde zeggen, waar u was.«
»Ik heb den naam nooit gehoord,« zei Rose.
»Dan heeft hij bij ons een vreemden naam aangenomen,« zei Nancy, »dat
had ik al meer gedacht. Ik vertrouwde den man niet. Een poos geleden,
even nadat Oliver bij u was gebracht dien nacht van de inbraak,
luisterde ik een gesprek af, dat hij met Fagin in donker hield. Uit wat
ik hoorde, begreep ik, dat Monks--de man daar ik u naar vroeg, ziet u--«
»Ja,« zei Rose, »ik begrijp 't.«
»Dat Monks,« ging het meisje voort, »Oliver toevallig gezien had met
twee van onze jongens op den dag, toen wij hem voor 't eerst kwijt
raakten en dat hij hem toen dadelijk herkend had als hetzelfde kind, dat
hij voortdurend in 't oog hield, waarom kon ik niet begrijpen. Met Fagin
werd een overeenkomst gemaakt, dat hij een zekere som zou krijgen als
Oliver terugkwam; en nog meer als hij een dief van hem maakte, wat Monks
noodig had voor een of ander doel van hemzelf.«
»Voor welk doel?« vroeg Rose.
»Hij kreeg mijn schaduw op den muur in 't oog, terwijl ik stond te
luisteren, in de hoop dat te weten te zullen komen,« zei het meisje, »en
niet velen zouden 't mij na gedaan hebben, hun uit den weg te blijven
zonder ontdekt te worden. Maar 't lukte me en ik heb hem niet weer
gezien vóór gisteravond.«
»En wat gebeurde er toen?«
»Dat zal ik u vertellen, juffrouw. Gisteravond kwam hij weer. Weer
gingen ze naar boven. Ik wikkelde me zoo in mijn rok, dat mijn schaduw
me niet kon verraden en luisterde weer aan de deur. De eerste woorden,
die ik Monks hoorde zeggen, waren deze: »Dus liggen de eenige bewijzen
voor de identiteit van den jongen op den bodem, van de rivier en de oude
heks, die ze van de moeder kreeg, ligt te rotten in haar kist.« Ze
lachten en spraken over den goeden loop, die de zaak genomen had. Monks
praatte door over den jongen; hij werd erg woest en zei, dat, al had hij
nu goed en wel het geld van den jongen duivel, hij 't liever op een
andere manier had gehad, want wat zou 't prachtig zijn geweest, dat
blufferige testament van den vader ongeldig te maken, door den jongen
van de ééne gevangenis naar de andere te jagen en hem eindelijk
opgehangen te krijgen voor een of andere groote schurkenstreek, die
Fagin makkelijk op touw kon zetten, nadat hij eerst flink voordeel van
hem had gehad.«
»Wat beteekent dat alles?« vroeg Rose.
»'t Is de waarheid, juffrouw, al komt 't uit mijn mond,« antwoordde
Nancy. »Toen zei hij met eenige vloeken, die in mijn ooren gewoon
klinken, maar vreemd in de uwe, dat, als hij zijn haat bot kon vieren
door den jongen het leven te benemen zonder zichzelf in gevaar te
brengen, hij 't zeker doen zou; maar nu dat niet kon, zou hij wel zorgen
bij elke verandering in zijn leven op zijn weg te komen en als hij
voordeel dacht te hebben van zijn geboorte en zijn geschiedenis, kon hij
hem nog kwaad genoeg doen. Kortom Fagin,« zeide hij, »al ben je een
Jood, je hebt nog nooit iemand zulke valstrikken gelegd als ik 't mijn
broertje Oliver zal doen.«
»Zijn broertje!« riep Rose uit.
»Dat waren zijn woorden,« zei Nancy en keek onrustig om zich heen,
zooals zij voortdurend gedaan had, sinds zij begon te spreken, want ze
zag in verbeelding steeds Sikes achter haar staan. »En nog meer. Toen
hij van u sprak en van de andere dame, zei hij lachend, dat de hemel of
de duivel tegen hem samenspande door Oliver in uw handen te brengen; hij
zei, dat dat hem toch ook plezier deed, want hoeveel honderd of duizend
pond zoudt u niet willen geven, als u ze had, om te weten, wie uw
tweebeenig schoothondje was.«
»U wilt toch niet zeggen,« zei Rose verbleekend, »dat dit in ernst
gezegd werd?«
»Hij sprak in vollen, woedenden ernst,« antwoordde Nancy, haar hoofd
schuddend. »Als zijn haat gewekt is wordt hij een man om bang voor te
zijn. Ik ken er veel, die erger dingen doen, maar ik luister liever
twaalf maal naar die anderen dan één keer naar Monks. 't Wordt laat en
ik moet thuis zijn, voordat iemand vermoedt, waar ik geweest ben. Ik
moet gauw terug.«
»Maar wat kan ik doen?« vroeg Rose. »Wat voor nut heeft die boodschap
voor me zonder u? Terug! Waarom wilt u terug naar menschen, die u in
zulke vreeselijke kleuren afschildert? Als u dit bericht herhaalt in het
bijzijn van een heer, dien ik in een oogenblik uit de kamer hiernaast
kan halen, kunt u binnen een half uur naar een veilige plaats gebracht
worden.«
»Ik wil terug,« zei Nancy. »Ik moet terug, omdat--hoe kan ik zulke
dingen vertellen aan een onschuldig meisje als u?--omdat onder de
mannen, waarvan ik u vertelde, er één is--de vreeselijkste van hen
allen--dien ik niet kan verlaten; neen, zelfs niet om bevrijd te worden
uit het leven, dat ik nu leid.«
»U bent toch vroeger voor dien lieven jongen in de bres gesprongen,« zei
Rose, »en u bent met zoo groot gevaar hier gekomen om mij te vertellen,
wat u gehoord hebt; uw manier van doen overtuigt me van de waarheid
van wat u zegt; uw berouw blijkt zoo duidelijk.... dit alles doet
me gelooven, dat u nog gered kunt worden. O!« ging het jonge meisje
ernstig voort, »blijf niet doof voor de smeekbeden van iemand van uw
eigen sekse; de eerste--de eerste, dat geloof ik zeker, die ooit met
medelijdende stem een beroep op u deed. Toe, luister naar mijn woorden
en laat mij u tot een beter leven brengen.«
»Juffrouw,« riep het meisje, terwijl zij op haar knieën zonk, »lieve,
zoete, engelachtige juffrouw, u bent werkelijk de eerste, die mij de
weldaad van zulke woorden bewezen heeft en als ik ze jaren geleden
gehoord had, zouden zij mij misschien dit leven van zonde en leed den
rug hebben doen toekeeren; maar het is te laat--te laat!«
»Het is nooit te laat,« zeide Rose, »voor berouw en boete.«
»Jawel, jawel,« riep Nancy, zich wringend in haar zielesmart, »ik kan nu
niet meer van hem weg! Ik zou zijn dood niet willen zijn.«
»Waarom zoudt u dat zijn?« vroeg Rose.
»Niets zou hem kunnen redden,« riep het meisje. »Als ik aan anderen
vertelde, wat ik u verteld heb en daardoor oorzaak was, dat zij gevangen
genomen werden, zou hij zeker moeten sterven. Hij is de stoutmoedigste
van allen en heeft zulke verschrikkelijke dingen gedaan!«
»Is 't mogelijk,« liep Rose, »dat u ter wille van zoo'n man afstand wilt
doen van alle hoop voor de toekomst en van de zekerheid onmiddellijk
gered te worden? Dat is waanzin.«
»Ik weet niet wat het is,« antwoordde het meisje, »ik weet alleen, dat
het zoo is en niet alleen met mij, maar met honderden en duizenden, die
even slecht en ellendig zijn als ik. Ik moet terug. Of dit de wraak
van God is, voor het kwaad, dat ik heb gedaan, dat weet ik niet, maar
door alle tijden en alle mishandeling heen voel ik me naar hem terug
getrokken en dit zou nog zoo zijn, geloof ik, wanneer ik wist, dat ik
eindelijk door zijn hand zou moeten sterven.«
»Wat moet ik doen?« zeide Rose. »Ik mag u niet zoo heen laten gaan.«
»U moet me laten gaan, juffrouw, en ik weet, dat u het doen zult,« wierp
Nancy tegen, terwijl zij opstond. »U zult me niet tegenhouden, omdat ik
vertrouwd heb op uw goedheid zonder een belofte van u te vergen, wat ik
toch had kunnen doen.«
»Waartoe dient 't dan, dat u mij dit verteld heeft?« zei Rose. »Dit
geheim moet opgehelderd worden; hoe kan 't anders Oliver ten goede
komen, die u zoo graag wilt helpen?«
»U kent misschien wel een of anderen goedgezinden heer, die het als een
geheim wil aanhooren en u raden zal wat te doen.«
»Maar waar kan ik u weer vinden, als het noodig mocht zijn?« vroeg Rose.
»Ik verlang niet te weten, waar die vreeselijke menschen wonen, maar
waar kan ik u op een vastgesteld tijdstip zien loopen of voorbijgaan?«
»Wilt u mij beloven, mijn geheim zorgvuldig te bewaren en alleen te
komen of met den eenigen persoon, die er van weet; en dat ik niet
bespied of achtervolgd zal worden?«
»Dat beloof ik plechtig,« antwoordde Rose.
»Elken zondagavond, zoolang ik in 't leven ben, van elf uur totdat de
klok twaalf slaat,« zei het meisje zonder aarzeling, »zal ik op London
Bridge heen en weer loopen.«
»Blijf nog een oogenblik,« viel Rose in, toen het meisje haastig naar
de deur liep. »Denk nog eens na over uw eigen toestand en over de
gelegenheid, die u hebt, er aan te ontkomen. Ik ben u iets schuldig,
niet alleen omdat u mij dit uit vrijen wil kwam vertellen, maar omdat u
een vrouw bent, die hopeloos verloren is. Wilt u terug naar die troep
roovers en naar dien man, als één woord uw redding kan zijn? Welke
betoovering kan het zijn, die u terugtrekt en die u vast doet houden
aan slechtheid en ellende? O, is er geen snaar in uw hart, die ik aan
kan roeren? Is er niets, waarop ik een beroep kan doen tegenover deze
verschrikkelijke verblinding?«
»Als jonge dames, zoo goed en mooi als u,« hernam Nancy met vaste stem,
»haar hart wegschenken, stelt de liefde ze tot alles in staat--zelfs een
meisje als u, die een thuis heeft, vrienden en andere bewonderaars,
alles wat uw leven kan vervullen. Wanneer iemand als ik, die geen ander
dak met zekerheid heeft dan 't deksel van de doodkist en geen andere
vriend in ziekte of dood dan de verpleegster uit het ziekenhuis, als wij
ons bedorven hart aan een man geven en hem de plaats laten innemen, die
ons heele ongelukkige leven door ledig bleef, wie kan dan hopen ons te
genezen? Beklaag ons, juffrouw--beklaag ons, omdat wij nog maar één
vrouwelijk gevoel over hebben, en omdat dit gevoel door een drukkend
godsoordeel inplaats van ons geluk en onze trots te zijn, verandert in
een nieuwe oorzaak van lijden en vernedering.«
»U wilt toch wel,« zei Rose na een oogenblik van zwijgen, »wat geld van
me aannemen, zoodat u ten minste, tot we elkaar weer spreken, buiten
schande kunt blijven?«
»Geen penny,« antwoordde het meisje en maakte een afwerende beweging met
de hand.
»Sluit uw hart niet voor al mijn pogingen u te helpen,« zei Rose en kwam
vriendelijk naar Nancy toe. »Ik wil u werkelijk helpen.«
»U zoudt mij 't best helpen, juffrouw,« hernam Nancy handenwringend,
»als u mij in eens om 't leven kon brengen, want ik heb er vanavond meer
dan ooit verdriet van gehad, te denken, wat ik ben en 't zou ten minste
iets zijn, niet te sterven in de hel, waarin ik geleefd heb. God zegene
u, lieve juffrouw, en zende zooveel geluk op uw hoofd, als ik schande
over het mijne heb gebracht!«
Zoo sprekend en overluid snikkend ging het ongelukkige schepsel heen.
Rose Maylie, verbijsterd door dit zonderlinge onderhoud, dat meer op een
vluchtigen droom dan op een werkelijke gebeurtenis geleek, viel neer in
een stoel en trachtte haar verwarde gedachten te verzamelen.