Er wordt Oliver een andere betrekking aangeboden, waardoor hij het
openbare leven binnengaat.
In groote gezinnen is het algemeen gewoonte, de opgroeiende zoons,
wanneer er voor hen niet, hetzij door 't bezit van fortuin, hetzij door
de verwachting van een erfenis of een titel, een of andere voordeelige
betrekking is te verkrijgen, naar zee te zenden.
In navolging van dit wijze en heilzaam werkende voorbeeld,
beraadslaagden de Regenten over de wenschelijkheid om Oliver Twist in
te schepen op een of ander klein koopvaardijvaartuig, met bestemming
naar een flink ongezonde haven; dit scheen wel het allerbeste wat bij
mogelijkheid met hem gedaan kon worden, daar de waarschijnlijkheid
bestond, dat de schipper hem een of anderen dag in een vroolijke bui na
het middagmaal dood zou ranselen of zijn hersens in zou slaan met een
ijzeren stang; beide liefhebberijen zijn, zooals algemeen bekend is, een
zeer geliefd en gewoon tijdverdrijf onder heeren van dien stand. Hoe
meer de Regenten het geval uit dit oogpunt beschouwden, hoe veelvuldiger
de voordeelen schenen, aan dezen stap verbonden; dus kwamen zij tot het
besluit, dat de eenige manier om afdoende voor Oliver te zorgen, daarin
bestond, hem zonder verwijl naar zee te zenden.
Mr. Bumble was er op uit gezonden om verschillende voorbereidende
informaties te nemen, ten einde een of anderen kapitein te ontdekken,
die een scheepsjongen zonder bloedverwanten of vrienden kon gebruiken.
Hij kwam naar het armhuis terug om verslag te doen over het resultaat
van zijn zending, toen hij bij de poort niemand anders ontmoette dan Mr.
Sowerberry, den lijkbezorger van de gemeente.
Mr. Sowerberry was een lange, knokige, sterk-gebouwde man, gekleed in
een kaal zwart pak met gestopte katoenen kousen van dezelfde kleur en
bijbehoorende schoenen. Zijn gezicht was van nature niet aangelegd
om te glimlachen, doch in 't algemeen scheen hij wel geneigd tot de
boertigheid, die bij zijn beroep behoorde. Terwijl hij naar Mr. Bumble
toekwam en hem vriendschappelijk de hand schudde, was zijn stap
veerkrachtig en zijn gezicht sprak van innerlijke opgeruimdheid.
»Ik heb de maat genomen van de twee vrouwen, die vannacht gestorven
zijn, meneer Bumble,« zeide de lijkbezorger.
»U zult nog rijk worden, meneer Sowerberry,« zei de bode, terwijl hij
duim en wijsvinger in de aangeboden snuifdoos van den lijkbezorger stak;
die doos was een op geestige wijze uitgevoerd model van een doodkist.
»Ik zeg, u zult nog rijk worden, meneer Sowerberry,« herhaalde Bumble,
terwijl hij den lijkbezorger vriendschappelijk met zijn wandelstok op
den schouder klopte.
»Zou u denken?« vroeg de lijkbezorger op een toon, die de mogelijkheid
van het geval half toegaf en half in twijfel trok. »De prijzen, die de
Regenten toestaan, zijn heel laag, meneer Bumble.«
»De kisten ook,« viel de bode in, met juist zooveel van de zweem van een
lach als bij zijn gewichtigheid paste.
Mr. Sowerberry vond dat heel grappig--wat niet meer dan gepast was--en
lachte een heele poos zonder ophouden.
»Ja, ja, meneer Bumble,« zei hij eindelijk, »'t valt niet tegen te
spreken, dat de kisten, sedert het nieuwe systeem van voeding werd
ingevoerd, ietwat smaller en ondieper zijn dan vroeger, maar we mogen
wel eens een voordeeltje hebben, meneer Bumble. Goed gedroogd hout is
een kostbaar ding, meneer, en al de ijzeren handvatsels komen langs het
kanaal van Birmingham.«
»Ja, ja,« zei Bumble, »elk vak heeft zijn nadeelen. En een behoorlijke
winst is natuurlijk geoorloofd.«
»Natuurlijk, natuurlijk,« hernam de lijkbezorger, »en als ik op een of
ander artikel niet veel winst maak, dan komt dat terecht door de
hoeveelheid--ha! ha! ha!«
»Zoo is 't,« zei meneer Bumble.
»Ofschoon ik moet zeggen,« ging de lijkbezorger voort, terwijl hij weer
terugkwam op zijn ambtelijke opmerkingen, die door den bode onderbroken
waren, »ofschoon ik moet zeggen, meneer Bumble, dat ik tegen één groot
nadeel te kampen heb: dat is, dat de stevigst-gebouwde menschen 't eerst
heengaan. De menschen, die betere dagen gekend en die jarenlang hun
belasting betaald hebben, zijn 't eerst weg als zij in het Huis komen,
en u begrijpt, meneer Bumble, dat drie of vier duim hout boven je
berekening een heel gat is in je winst, vooral als men een gezin te
onderhouden heeft, meneer.«
Daar Mr. Sowerberry dit zeide met de gepaste verontwaardiging van een
verongelijkt man, en Mr. Bumble voelde, hoe hier allicht een of andere
overdenking op kon volgen, die de eer van de Gemeente raakte, vond de
laatste het geraden, van onderwerp te veranderen. En daar zijn geest
zich 't laatst met Oliver Twist had bezig gehouden, nam hij hem als
onderwerp.
»Wat ik zeggen wil,« zei Mr. Bumble, »u weet soms niet iemand die een
jongen noodig heeft? Een leerjongen van de Gemeente, die op 't oogenblik
een drukkende last is, een molensteen, mag ik wel zeggen, om den hals
van de Gemeente? Op prachtige voorwaarden, meneer Sowerberry, prachtige
voorwaarden.« Terwijl Mr. Bumble sprak, hief hij zijn wandelstok op naar
het biljet boven zijn hoofd en gaf drie veelbeteekenende tikken op de
woorden »vijf pond,« die in reusachtig groote hoofdletters gedrukt
waren.
»Net zoo!« zei de lijkbezorger, terwijl hij Mr. Bumble bij de slip
van zijn uniform-jas trok, »daar wou ik u juist over spreken. U
weet--allemachtig, wat zijn dat een mooie knoopen, meneer Bumble, daar
heb ik nog nooit op gelet.«
»Ja, leelijk zijn ze niet,« zei de bode en keek met trots naar
beneden langs de groote koperen knoopen, die zijn jas versierden.
»De voorstelling er op is dezelfde van het stadszegel--de Barmhartige
Samaritaan, die den zieken, gewonden man verzorgt. De Regenten hebben ze
mij op Nieuwjaarsmorgen gegeven, meneer Sowerberry. Ik had ze voor 't
eerst aan mijn jas, herinner ik mij, toen ik de lijkschouwing bijwoonde
van dien armen koopman, die 's nachts op onze stoep was gestorven.«
»O ja, dat herinner ik mij,« zei de lijkbezorger. »De uitspraak van
de Jury luidde: »gestorven door invloed van de koude en gebrek aan de
noodzakelijkste levensbehoeften,« is 't niet?«
Mr. Bumble knikte.
»En de Juryleden gaven, geloof ik, nog bijzondere nadruk aan hun
uitspraak,« zeide de lijkbezorger, »door er bij te voegen, dat, als
de beambte, die hem vond--«
»Pf! Nonsens!« viel de bode in. »Als de Regenten wilden letten op al
de nonsens, die door domme Juryleden wordt uitgekraamd, zouden zij wel
dagwerk hebben.«
»Daar hebt u gelijk aan,« zei de lijkbezorger, »dat zouden zij zeker.«
»Juryleden,« zeide Mr. Bumble, terwijl hij zijn wandelstok vaster beet
greep, zooals zijn gewoonte was wanneer hij in opwinding geraakte,
»Juryleden zijn onbeschaafde, leelijke, gemeene ellendelingen.«
»Zegt u dat wel,« zei de lijkbezorger.
»Ze hebben niet zóóveel philosofie of politiek in hun lijf!« zei de
bode, minachtend met zijn vingers knippend.
»Zegt u dat wel,« stemde de lijkbezorger in.
»Ik veracht ze,« zei de bode en werd vuurrood in zijn gezicht.
»Ik ook,« stemde de lijkbezorger in.
»En ik wou, dat we zoo'n onafhankelijke Jury eens een paar weken in het
Huis hadden,« zei de bode; »het reglement en de voorschriften van de
Regenten zouden die kerels gauw genoeg klein krijgen.«
»Daar kan u van op aan,« hernam de lijkbezorger.
Hierbij glimlachte hij instemmend, om de stijgende woede van den
verontwaardigden gemeente-ambtenaar tot bedaren te brengen.
Mr. Bumble nam zijn steek af, haalde een zakdoek uit den bol, wischte
het zweet, dat zijn woede had doen uitbreken, van zijn voorhoofd, zette
zijn steek weer op en zeide, tot den lijkbezorger gewend, op kalmer
toon:
»Nu, wat wou u zeggen over den jongen?«
»O ja!« hernam de lijkbezorger, »u weet, meneer Bumble, dat ik heel wat
betaal in de armen-belasting.«
»Hm!« zei Mr. Bumble. »En....?«
»En,« hernam de lijkbezorger, »ik dacht zoo, dat als ik zooveel voor de
armen betaal, ik ook 't recht heb, zooveel uit ze te halen als ik kan,
meneer Bumble, en daarom--en daarom--geloof ik, dat _ik_ den jongen zal
nemen.«
Mr. Bumble nam den lijkbezorger onder den arm en bracht hem binnen
het gebouw. Mr. Sowerberry beraadslaagde vijf minuten met de Regenten;
toen was het vastgesteld, dat Oliver nog dienzelfden avond naar hem toe
zou gaan »op proef«--dat wil in het geval van een gemeente-leerjongen
zeggen, dat als de baas na korten proeftijd bevindt, genoeg werk uit den
jongen te kunnen krijgen, zonder al te veel voedsel in hem te brengen,
hij hem voor een aantal jaren kan behouden om met hem te doen wat hij
wil.
Kleine Oliver werd vóór »de heeren« gebracht, waar hem gezegd werd, dat
hij nog dienzelfden avond als huisjongen bij een doodkistenmaker zou
komen, en dat men hem, als hij ooit klaagde over zijn betrekking of ooit
weer ten laste van de Gemeente kwam, naar zee zou zenden om verdronken
te worden of doodgeranseld, al naar het uitkwam. Hij toonde zóó weinig
ontroering, dat de heeren hem met algemeene stemmen een verstokten
jongen rakker noemden en aan Mr. Bumble opdroegen, hem onmiddellijk weg
te brengen.
Ofschoon het een heel natuurlijke zaak was, dat de Regenten van het
armhuis groote, deugdzame verwondering en ontsteltenis toonden bij het
minste teeken, dat bij anderen op gebrek aan gevoel duidde, vergisten
zij zich in dit geval toch ten zeerste. Het geval was eenvoudig, dat
Oliver, inplaats van te weinig, eer te veel gevoel had en hard op weg
was, tengevolge van de slechte behandeling, die hij had ondergaan, voor
zijn leven lang in een toestand van dierlijke verstomping en versuffing
te vervallen. Hij hoorde het besluit over zijn lot in volkomen
stilzwijgen aan. Toen zijn bagage hem in de hand gegeven werd--ze was
niet heel moeielijk te torsen, daar alles begrepen was in een bruin
papieren pakje van ongeveer een voet in 't vierkant en drie duim
dik--trok hij zijn muts over zijn oogen en terwijl hij weer de mouw van
Mr. Bumble vasthield, werd hij door dezen waardigheidsbekleder naar een
nieuw lijdensoord gebracht.
Een tijdlang trok Mr. Bumble Oliver voort, zonder op hem te letten
of zonder eenige opmerking te maken, want de bode droeg zijn hoofd
altijd rechtop, zooals een gemeentebode behoort te doen. Daar het een
winderige dag was, werd kleine Oliver gansch omwikkeld door Mr. Bumble's
jaspanden, die bij het openwaaien tevens diens vest met lapellen en zijn
grof fluweelen hozen op 't voordeeligst deden uitkomen.
Toen zij hunne bestemming naderden, vond Mr. Bumble het gepast, naar
beneden te kijken en te onderzoeken, of de jongen er wel goed genoeg
uitzag om voor zijn nieuwen meester te verschijnen. Zooals vanzelf
spreekt, deed hij dit met de noodige en gepaste vertooning van
vriendelijke bescherming.
»Oliver,« zei Mr. Bumble.
»Ja, meneer,« antwoordde Oliver met zachte, bevende stem.
»Zet je muts uit je oogen en houd je hoofd recht.«
Ofschoon Oliver terstond deed wat van hem verlangd werd en vlug met den
bovenkant van zijn vrije hand over zijn oogen wreef, bleef er een traan
in, toen hij naar zijn geleider opzag. Daar Mr. Bumble hem streng
aankeek, rolde de traan langs zijn wang en werd door nòg een en nòg een
gevolgd. Het kind trachtte zich te bedwingen, maar 't lukte niet. Hij
trok zijn andere hand uit die van Mr. Bumble, bedekte zijn gezicht met
beide handen en schreide tot de tranen langs zijn kin en tusschen zijn
magere vingers door druppelden.
»Kom!« riep Mr. Bumble uit, terwijl hij plotseling bleef staan en zijn
kleinen beschermeling een innig kwaadaardigen blik toewierp: »Komaan!
Van alle ondankbare en slechte jongens, die ik ooit gekend heb, Oliver,
ben jij de--«
»Nee, nee, meneer,« snikte Oliver, en klemde zich vast aan de hand, die
den welbekenden wandelstok vasthield, »nee, nee meneer, heusch! Ik ben
nog maar een kleine jongen, meneer, en ik ben zoo zoo--«
»Zoo wat?« vroeg Mr. Bumble verbaasd.
»Zoo alleen, meneer! Zoo verschrikkelijk alleen!« riep het kind.
»Iedereen heeft een hekel aan me. Toe meneer, toe meneer, wees
asjeblieft niet boos op me!« Het kind sloeg met de hand op zijn borst en
keek zijn geleider aan met tranen van echte smart in de oogen.
Gedurende eenige seconden staarde Mr. Bumble met eenige verwondering
naar Oliver's beklagenswaardig, hulpeloos gezichtje, kuchte twee of drie
maal met schor geluid en na iets gemompeld te hebben over »die
vervelende hoest,« beval hij Oliver, zijn oogen af te vegen en een
flinke jongen te zijn. Toen nam hij hem weer bij de hand en liep
zwijgend met hem voort.
De lijkbezorger, die juist de luiken voor zijn winkel had gedaan, maakte
bij het licht van een ongelukkig stukje kaars eenige aanteekeningen in
zijn boek, toen Mr. Bumble binnenkwam.
»Zoo!« zei de lijkbezorger, opkijkend van zijn boek, waar hij midden in
een woord was blijven steken, »bent u daar mijnheer Bumble?«
»Niemand anders, Mr. Sowerberry,« antwoordde de bode. »Hier! Ik heb den
jongen meegebracht.«
Oliver maakte een buiging.
»O, is dat de jongen?« zei de lijkbezorger, en tilde de kaars boven zijn
hoofd om Oliver beter te kunnen bekijken. »Juffrouw Sowerberry! zou je
zoo vriendelijk willen zijn even hier te komen?«
Juffrouw Sowerberry kwam te voorschijn uit een klein kamertje achter
den winkel; ze was een klein, tenger, verschrompeld vrouwtje, met een
vinnig gezicht.
»Vrouwlief,« zei Mr. Sowerberry eerbiedig, »hier is de jongen uit het
armhuis, waar ik je van gesproken heb.«
Oliver boog opnieuw.
»Goeie hemel!« zei de vrouw van den lijkbezorger, »wat is hij klein!«
»Ja, hij is nogal klein,« antwoordde Mr. Bumble en keek Oliver aan alsof
het _zijn_ schuld was, dat hij niet grooter was, »hij is klein. Ik kan
't niet tegenspreken. Maar hij zal wel groeien, juffrouw Sowerberry--hij
zal wel groeien.«
»Dat zal hij zeker,« viel de dame norsch in, »van ons eten en drinken.
Ik voor mij zie geen heil in kinderen uit het armhuis, want ze kosten
altijd meer aan onderhoud dan ze waard zijn. Maar mannen denken altijd,
dat ze alles beter weten. Hier! Ga naar beneden, klein scharminkel!« Met
deze woorden deed de vrouw een zijdeur open en duwde Oliver een steil
trapje af naar een vochtig, koud hok, dat het voorportaal naar het
kolenhok vormde en met den naam van »keuken« bestempeld werd; hier zat
een slonzige dienstbode met afgetrapte schoenen en blauw wollen kousen,
waar geen stoppen meer aan was.
»Hier Charlotte,« zei juffrouw Sowerberry, die Oliver naar beneden
gevolgd was, »geef die jongen wat van de koude kliekjes, die voor Trip
bewaard waren. Nu hij den heelen dag niet thuis is gekomen, moet hij 't
maar zonder doen. Ik denk, dat de jongen ze wel lusten zal.... zoo
kieskeurig is hij niet--is 't wel jongen?«
Oliver, wiens oogen glinsterden toen er van eten gesproken werd, en die
brandde van verlangen om er op aan te vallen, antwoordde ontkennend,
waarop hem een bord met etensafval en kliekjes werd voorgezet.
Ik wou, dat een of andere wel-doorvoede filosoof, voor wien spijs en
drank in gal verkeeren, wiens bloed van ijs is en wiens hart van ijzer,
had kunnen zien, hoe Oliver Twist aanviel op het lekkere vleeschhapje,
dat de hond versmaad had. Ik wou, dat hij had kunnen zien, met welke
uitbundige gulzigheid, gevolg van zijn woesten honger, Oliver de brokken
van elkaar trok. Er is maar één ding, dat ik nog liever wou, en dat is:
den wijsgeer zelf zulk een maal met denzelfden eetlust te zien
verorberen.
»Ben je klaar?« vroeg de vrouw, toen Oliver zijn avondeten op had--zij
had hem waargenomen met stille ontsteltenis en met angstige vermoedens
omtrent zijn toekomstigen eetlust.
Daar er niets eetbaars meer binnen zijn bereik was, antwoordde Oliver
bevestigend.
»Ga dan maar mee,« zei juffrouw Sowerberry, terwijl zij een flauw
brandend, smerig lampje in de hand nam en vooruitging naar boven; »je
bed is onder de toonbank. 't Kan je zeker niet schelen, tusschen de
doodkisten te slapen? Trouwens, 't doet er niet veel toe of het je
schelen kan, want je kunt nergens anders slapen. Vooruit! ik heb geen
zin hier den heelen nacht te blijven.«
Oliver aarzelde niet langer, maar volgde gedwee zijn nieuwe meesteres.