IV.

Het avontuur van de zes Napoleons.

Het gebeurde meer dan eens, dat de heer Lestrade van Scotland Yard een

avondje bij ons kwam praten. Zijn bezoeken waren Sherlock Holmes zeer

welkom, daar hij zoodoende op de hoogte bleef van alles, wat er in het

hoofdkwartier van de politie voorviel. Als wederdienst voor het nieuws,

dat Lestrade bracht, was Holmes steeds bereid aandachtig te luisteren

naar de bijzonderheden van elke zaak, waarin de detective betrokken was

en nu en dan was hij in staat, zonder zich zelf met het geval te

bemoeien, den een of anderen leiddraad te verstrekken of een vermoeden

uit te spreken, dat hij putte uit zijn enorme kennis en ervaring.

Op dezen bijzonderen avond had Lestrade gesproken over het weer en de

dagbladen. Daarna was hij minder spraakzaam geworden, keek strak voor

zich uit en trok hard aan zijn sigaar.

Holmes keek hem scherp aan.

"Is er iets bijzonders aan de hand?" vroeg hij eindelijk.

"O, neen, mijnheer Holmes, niets bijzonders."

"Nu, dan kunt gij 't mij ook wel vertellen."

Lestrade lachte.

"Wel, mijnheer Holmes, er helpt geen ontkennen aan, ik zit werkelijk met

een moeilijk geval. Maar het is zulk een dwaze geschiedenis, dat ik

aarzelde u er mee lastig te vallen. Daar staat echter tegenover, dat

hoewel de zaak doodgewoon is, er toch iets, dat zonderling moet genoemd

worden, aan verbonden is en ik weet, dat gij u gaarne bezighoudt met

alles, wat niet tot het gewone behoort. Maar volgens mij is het een

zaak, die eerder voor dr. Watson geschikt is dan voor ons."

"Een ziekteverschijnsel?" vroeg ik.

"Krankzinnigheid in elk geval. En een zonderlinge krankzinnigheid

tevens. Zoudt u zich kunnen voorstellen, dat er thans nog iemand

bestaat, die zulk een haat koestert voor Napoleon I, dat hij elk

portret, dat hij van den grooten keizer ziet, zou willen vernielen?"

Holmes leunde achterover in zijn stoel.

"Dat is niets voor mij," zeide hij.

"Juist. Dat heb ik zelf ook gezegd. Maar wanneer de man zich schuldig

maakt aan inbraak om schilderijen en bustes te vernielen, die niet zijn

eigendom zijn, verhuist de zaak van den geneesheer naar de politie."

Holmes toonde weer meer belangstelling.

"Inbraak! Dat is interessanter. Laat mij de bijzonderheden eens hooren."

Lestrade haalde zijn notitieboekje voor den dag en frischte zijn

geheugen op, door nu en dan zijn aanteekeningen te raadplegen.

"Het eerste geval, dat ons ter kennis kwam," vertelde hij, "is vier

dagen geleden. Het was in den winkel van Morse Hudson, die een filiaal

heeft voor het verkoopen van schilderijen, bustes enz. in Kensington

Road. De bediende was even naar achteren gegaan, toen hij in den winkel

een harden slag hoorde, en naar voren snellende, vond hij een buste van

Napoleon, die met verschillende andere kunstwerken op een plank tegen

den muur stond, aan gruis liggen op den grond. Daar de buste onmogelijk

uit zich zelf kon gevallen zijn, snelde de bediende naar buiten, maar

hij zag niemand en er was ook niets, waardoor hij den vernieler kon

aanduiden. Wel verklaarden eenige voorbijgangers, dat zij iemand uit den

winkel hadden zien komen, maar zij hadden daarop verder geen acht

geslagen. De zaak werd aangegeven. De buste was echter niet meer waard

dan een paar gulden en de geheele geschiedenis leek te eenvoudig, om er

verder het hoofd over te breken.

"Het tweede geval echter was ernstiger en ook vreemder. Het gebeurde in

den afgeloopen nacht.

[Illustratie: Lestrade haalde zijn notitieboekje voor den dag.]

"In Kensington Road en nog geen honderd meter verwijderd van den winkel

van Morse Hudson, woont een welbekend geneesheer, dr. Barnicot genaamd,

die een van de drukste praktijken heeft op de zuidzijde van den Theems.

Zijn woning ligt aan den Kensington Road, maar hij heeft ook nog een

paar kamers gehuurd aan den Lower Brixton Road, waar hij eenige uren van

den dag is te consulteeren. Deze dokter Barnicot is een geestdriftig

bewonderaar van Napoleon en zijn huis is vol boeken, schilderijen en

reliquieën van den Franschen keizer. Eenigen tijd geleden kocht hij van

Morse Hudson twee busten, gemaakt naar den beroemden kop van Napoleon

door den Franschen beeldhouwer Devine. Een dezer heeft hij in de gang

van zijn huis te Kensington Road laten plaatsen en de andere op den

schoorsteen van een zijner vertrekken te Lower Brixton. Welnu, toen

Barnicot heden morgen naar beneden kwam, bemerkte hij tot zijn schrik,

dat in den afgeloopen nacht bij hem was ingebroken, maar dat niets was

weggenomen als de buste uit de gang. Deze was naar buiten gedragen en

daar stuk tegen den muur geslagen. Alleen de scherven waren

overgebleven."

Holmes wreef zich in de handen.

"Dat is zeker bijzonder," zeide hij.

"Ik dacht, dat u er belang in zoudt stellen. Maar ik ben nog niet aan 't

eind. Dr. Barnicot ging om twaalf uur naar zijn kamers in Lower Brixton

en u kunt u zijn verbazing voorstellen, toen hij bij aankomst vond, dat

het raam in den nacht was geopend en dat de brokstukken van zijn tweede

buste over den grond lagen verspreid. Deze was eveneens aan duizend

stukken geslagen. In geen van beide gevallen waren er eenige teekenen,

die ons ook maar de geringste aanwijzing konden geven over den persoon

van den misdadiger of krankzinnige, die dit gedaan heeft. En nu,

mijnheer Holmes, hebt u de feiten."

"Zij zijn zeer vreemd, om niet te zeggen grotesk," meende Holmes. "Mag

ik u vragen of de beide busten, die in de vertrekken van dr. Barnicot

werden vernield, precies dezelfde waren als de eene, die in den winkel

van Morse werd stuk geslagen?"

"Zij werden van hetzelfde soort gips gemaakt."

"Zulk een feit past niet in de theorie, dat de man, die ze stuk slaat,

bezield is met een doodelijken haat voor Napoleon. Wanneer men in

aanmerking neemt, dat er honderden busten van den grooten keizer moeten

bestaan te Londen, zouden wij te ver gaan, wanneer wij van de

veronderstelling uitgingen, dat een beeldstormer nu juist drie

exemplaren van dezelfde buste had uitgezocht."

"Wel, dat heb ik ook al gedacht," zeide Lestrade. "Daar staat tegenover,

dat deze mijnheer Morse Hudson de eenige handelaar in dergelijke

artikelen is in dit gedeelte van Londen en deze drie waren de eenige,

die in de laatste jaren in zijn winkel waren geweest. En daarom,

alhoewel zooals u zegt, honderden busten en afbeeldingen van Napoleon in

Londen zijn, is het zeer waarschijnlijk, dat deze drie de eenige waren

in dat gedeelte van Londen. En iemand, die in dat district woont, zou

dan ook zeer goed juist met deze drie kunnen beginnen. Wat dunkt u er

van, mijnheer Watson?"

"Er zijn grenzen te trekken, wat de mogelijkheid betreft van monomanie,"

antwoordde ik. "We hebben den toestand, dien de moderne Fransche

psychologen het "idée fixe" hebben genoemd, dat op zich zelf bijna

onmerkbaar is, daar de patiënt overigens volkomen gezond kan zijn.

Iemand, die veel gelezen heeft over Napoleon of wiens familie door de

groote oorlogen geleden heeft, kan zich zeer begrijpelijk in dit opzicht

een "idée fixe" vormen en onder den invloed daarvan in staat zijn tot

het plegen van zulke daden."

"Neen, Watson, daar is hier geen sprake van," zeide Holmes

hoofdschuddend, "want dat "idée fixe" alleen zou uw interessanten

monomaan niet in de gelegenheid, stellen te weten te komen, waar deze

busten te vinden waren."

"Zoo, welke verklaring hebt u dan?"

"Ik tracht geen verklaring te vinden. Alleen zou ik willen doen

opmerken, dat er een zekere methode spreekt uit de excentrieke

handelwijze van dezen mijnheer. Zoo werd bijvoorbeeld in de gang van het

huis van dr. Barnicot, waar geraas zeker de familie wakker gemaakt zou

hebben, de buste naar buiten gebracht, alvorens stuk geslagen te worden,

terwijl op de kamers van den dokter, waar minder gevaar voor alarm

bestond, de buste stuk geslagen werd op de plaats, waar zij stond. De

zaak schijnt van bijzonder weinig beteekenis en toch durf ik niets van

weinig beteekenis noemen, wanneer ik bedenk, dat eenige van mijn beste

gevallen al een zeer weinig belovend begin hadden. Gij zult u

herinneren, Watson, hoe de vreeselijke geschiedenis van de Abernetty

familie mij eerst een leiddraad opleverde, nadat ik opgemerkt had, hoe

diep de boterspaan in de boter was geraakt. Ik kon het daarom niet over

mij verkrijgen, te glimlachen over uw drie gebroken busten, Lestrade, en

u zult mij zeer verplichten, indien u mij op de hoogte wilt houden,

wanneer zich nieuwe verwikkelingen voordoen in zulk een zonderlinge

geschiedenis."

De nieuwe omstandigheden, waarnaar mijn vriend gevraagd had, kwamen

sneller en in een oneindig meer tragischen vorm dan hij zich kan hebben

voorgesteld. Ik was den volgenden morgen nog bezig mij te kleeden, toen

er op mijn deur werd geklopt en Holmes binnenkwam met een telegram in

zijn hand. Hij las luid:

"Kom dadelijk 131, Pitt Street, Kensington--Lestrade."

"Wat zou 't wezen?" vroeg ik.

"Ik weet 't niet.--Het kan alles zijn. Maar ik vermoed, dat dit het

vervolg is van de geschiedenis van de busten. In dat geval heeft onze

vriend de beeldenstormer zijn operaties in een ander deel van Londen

begonnen. Daar staat koffie op tafel, Watson, en ik heb een rijtuig voor

de deur."

In een half uur hadden wij Pitt Street bereikt, een stil rustig plekje,

juist in de nabijheid van een der drukste punten van Londen. No. 131 was

er een uit een reeks vrij lage, maar goed uitziende huisjes. Toen wij

naderbij kwamen, zagen wij een aantal nieuwsgierigen voor de deur.

Holmes floot een deuntje.

"Bij George, hier is minstens een moordaanslag gepleegd. Anders zou een

Londensche "message-boy" zeker niet blijven staan. Aan den uitgestrekten

hals, waarmee die knaap naar binnen gluurt, is duidelijk te merken, dat

er een daad van geweld gepleegd is. Wat is dat, Watson? De bovenste

treden van de deurstoep zijn nat en de overige droog. In elk geval

voetstappen genoeg. Maar daar zie ik Lestrade aan het middelste raam en

nu zullen wij spoedig alles van de zaak weten."

De detective ontving ons met een ernstig gelaat en duwde ons in een

zitkamer, waar een buitengewoon geagiteerd man van gevorderden leeftijd,

gekleed in een flanellen morgenjapon op en neer liep. Hij werd aan ons

voorgesteld als de eigenaar van het huis--mijnheer Horace Harker van het

Centraal Pers Syndicaat.

"Het is alweer die geschiedenis van de busten van Napoleon," zeide

Lestrade. "U scheen daarin gisteren avond nog al belang te stellen,

mijnheer Holmes en daarom dacht ik, dat u gaarne tegenwoordig zoudt

willen zijn, nu de zaak een veel ernstiger wending heeft genomen."

"Welke wending heeft zij dan genomen?"

"Niets meer of minder dan tot een moord. Mijnheer Harker, zoudt u deze

heeren precies willen vertellen, wat er gebeurd is?"

De man in de kamerjapon keek ons met een melancholieken blik aan.

[Illustratie: Hij werd aan ons voorgesteld als de eigenaar van het

huis--mijnheer Horace Harker.]

"Het is een buitengewoon iets," zeide hij, "dat ik, die mijn geheele

leven bezig geweest ben het nieuws van andere menschen te verzamelen, nu

er werkelijk nieuws op mijn weg is gekomen, zoo van streek ben, dat ik

geen twee woorden kan schrijven. Wanneer ik hier was gekomen als

journalist, zou ik mij zelf geïnterviewd hebben en twee kolommen voor

alle avondbladen hebben geleverd. En nu geef ik kostbare inlichtingen en

kopie, door mijn verhaal over en over te vertellen aan verschillende

personen en zelf heb ik er niets aan. Ik heb echter uw naam vroeger wel

eens hooren noemen, mijnheer Sherlock Holmes en als u alleen deze

zonderlinge geschiedenis kunt verklaren, zal ik mij ruimschoots beloond

achten voor de moeite haar nog eens te moeten vertellen."

Holmes ging zitten en luisterde.

"Alles schijnt zich te concentreeren om die buste van Napoleon, die ik

ongeveer vier maanden geleden voor deze zelfde kamer gekocht had. Ik

kwam er voor een kleinigheid aan van de gebroeders Harding, twee deuren

van het High Street Station. Een groot deel van mijn journalistieken

arbeid doe ik 's nachts, en dikwijls schrijf ik tot laat in den nacht.

Aldus ook gisteren avond. Ik zat in mijn studeervertrekje, dat achter

gelegen is, omstreeks twee uur, toen ik eenig geluid beneden hoorde. Ik

luisterde, maar ik hoorde niets meer en ik dacht, dat het buiten was

geweest. Plotseling, geen vijf minuten later, hoorde ik echter een

verschrikkelijken gil--den vreeselijksten kreet, dien ik ooit vernam.

Zoo lang ik leef zal die mij bijblijven. Eenige minuten bleef ik stom

van schrik zitten. Daarna greep ik den pook en ging naar beneden. Toen

ik deze kamer opende, vond ik het raam wijd open en dadelijk bespeurde

ik, dat de buste van den schoorsteenmantel was verdwenen. Waarom een

inbreker dat ding zou meenemen, gaat mijn begrip te boven, want het was

slechts een buste van gips, die geen bijzondere waarde had.

"U kunt zelf zien, dat iemand, die door dat open raam gaat, door het

doen van een grooten stap, op de bovenste tree van de stoep kan komen.

Dit had de inbreker klaarblijkelijk ook gedaan, waarom ik omliep en de

deur opende. In het donker naar buiten gaande viel ik bijna over een

lijk, dat hier lag. Ik holde terug om licht te halen en ja, daar lag een

man met een diepe snede over de keel, badende in zijn bloed. Hij lag op

zijn rug met opgetrokken knieën en den mond wijd open. Ik zal hem in

mijn droomen steeds zien. Ik had juist den tijd om op mijn politiefluit

te blazen en daarna ben ik zeker flauw gevallen, want ik herinner mij

niets meer, totdat ik een agent over mij heengebogen zag in de gang."

"Wel, wie was de vermoorde man?" vroeg Holmes.

"Er is niets, dat daaromtrent eenige aanwijzing verschaft," antwoordde

Lestrade. "U kunt het lijk aan het bureau zien, maar wij zijn er nog

niets wijzer door geworden. Het is een zware, door de zon verbrande,

krachtige man, niet ouder dan dertig jaar. Hij is armoedig gekleed en

toch ziet hij er niet als een werkman uit. Een mes met beenen heft lag

in een bloedplas naast hem. Of 't het mes was, waarmee de wonde werd

toegebracht, of dat het aan den verslagene toebehoorde, weet ik niet.

Zijn kleeren waren ongemerkt en niets vonden wij in zijn zakken, behalve

een appel, een stukje touw, een kaartje van Londen en een foto. Hier is

alles."

Holmes greep naar de foto. Het was klaarblijkelijk een plaatje, genomen

met een kleine handcamera. Het stelde voor een sluw uitzienden man met

sterk geprononceerde trekken en dikke wenkbrauwen en met een eigenaardig

vooruitstekende onderkaak, als bij een baviaan het geval is.

"En wat is er van de buste geworden?" vroeg Holmes, na deze foto

nauwkeurig te hebben bestudeerd.

"Wij hoorden er juist iets van, vóórdat u hier waart. Zij is gevonden in

het tuintje van een leeg huis in Campdon House Road. Zij was ook aan

gruis geslagen. Ik ga er eens naar kijken. Gaat u mee?"

"Zeker. Ik moet echter eerst even hier rond zien." Hij keek naar het

karpet en naar het raam. "De knaap moet lange beenen gehad hebben of wel

buitengewoon vlug zijn," zei de hij. "Het was anders niet gemakkelijk om

van den grond dat raam open te krijgen en er door te kruipen. Terug ging

het veel gemakkelijker. Gaat u ook mee om de overblijfselen van uw buste

te aanschouwen, mijnheer Harker?"

De troostelooze journalist was voor zijn schrijftafel gaan zitten. "Ik

moet trachten er iets van te maken," sprak hij, "hoewel ik niet twijfel

of de avondbladen zijn reeds vol met allerlei bijzonderheden. Dat dit nu

juist mij moet overkomen! U herinnert u, dat de tribune te Doncarte

ingestort is? Wel, ik was de eenige journalist op die tribune en mijn

blad het eenige, dat geen verslag had, omdat ik te diep geschokt was om

te kunnen schrijven. En nu zal ik waarachtig weer te laat komen met een

moord, die op de stoep voor mijn deur is gepleegd."

Toen wij de kamer uitgingen, hoorden wij zijn pen over het papier

krassen.

De plek, waar de overblijfselen van de buste gevonden waren, was slechts

een paar honderd meter verder. Voor de eerste maal rustten onze oogen op

dit conterfeitsel van den grooten keizer, die zulk een haat scheen te

hebben opgewekt in het brein van een onbekende. De buste lag aan stukken

in het gras. Holmes zocht ze op en bekeek ze aandachtig. Uit zijn

geheele manier van doen en zijn nauwkeurig onderzoek maakte ik op, dat

hij een punt van uitgang gevonden had in deze duistere zaak.

"Wat denkt u?" vroeg Lestrade.

Holmes haalde de schouders op.

"Wij moeten nog een langen weg afleggen," zeide hij. "En toch--en

toch--er zijn eenige feiten. Het bezit van deze goedkoope buste was in

de oogen van dezen vreemdsoortigen misdadiger meer waard dan een

menschenleven. Dat is één punt. Dan is er nog het zonderlinge feit, dat

hij de buste niet in het huis stuk sloeg of onmiddellijk daarbuiten,

vreemd te meer, wanneer zijn eenig oogmerk niets anders dan het

vernielen daarvan was."

"Hij werd verrast door de komst van dien anderen man. Hij heeft

ternauwernood geweten, wat hij deed."

"Ja, dat kan zijn. Maar ik wensch uw aandacht in het bijzonder te

vestigen op de ligging van dit huis, in welks tuin de buste werd

vernield."

Lestrade keek eens rond.

"Het was een leeg huis en derhalve wist hij, dat hij niet gestoord zou

worden in den tuin."

"Ja, maar er is nog een leeg huis verder op, waar hij langs gekomen moet

zijn, alvorens hier te komen. Waarom heeft hij de buste daar dan niet

gebroken, vooral daar bij elken stap verder de kansen vermeerderden van

een ontmoeting met dezen of genen?"

"Ik geef het op," zeide Lestrade.

Holmes wees op de lantaarn boven ons hoofd.

[Illustratie: Holmes wees naar de lantaarn boven ons hoofd.]

"Hij kon hier zien wat hij deed en daar niet. Dat was de reden."

"Bij Jupiter, dat is waar," riep de detective. "Nu ik er over nadenk,

herinner ik mij, dat de buste van dr. Barnicot ook niet ver van de lamp

werd stuk geslagen. En wat denkt u, mijnheer Holmes, dat wij aan dit

feit hebben."

"Wij moeten het in onze gedachten houden. Misschien vinden wij later

iets, dat daarmede in verband staat. Wat denkt u nu te gaan doen,

Lestrade?"

"De meest practische manier om er achter te komen bestaat volgens mijn

meening in het vaststellen van de identiteit van den verslagene. Dit zal

wel geen moeilijkheden opleveren; wanneer wij weten, wie hij is en wie

zijn vrienden en kennissen zijn, hebben wij een goed begin om er achter

te komen, wat hij in Pitt Street uitvoerde en wie het was, die hem

ontmoette en op de stoep van het huis van mijnheer Horace Harker heeft

vermoord. Denkt u dat ook niet?"

"Ongetwijfeld, en toch is het niet de weg, dien ik zou inslaan om deze

geschiedenis tot klaarheid te brengen."

"Wat zoudt u dan doen!"

"O, laat u door mij in geen enkel opzicht influenceeren. Het beste is,

dat u uw weg gaat en ik den mijne. Later kunnen wij onze aanteekeningen

vergelijken en zoodoende zal het eene verslag het andere aanvullen."

"Zeer goed," zeide Lestrade.

"Als u nog naar Pitt Street teruggaat, ziet u misschien mijnheer Harker

nog. Vertel hem namens mij, dat ik voor mij reeds een opinie gevormd heb

en dat het zoo goed als zeker is, dat een gevaarlijke krankzinnige, met

Napoleontische delusies, in den afgeloopen nacht in zijn huis is

geweest. Dat kan van zeer veel nut voor zijn artikel zijn."

Lestrade keek hem aan.

"Dat gelooft u toch niet werkelijk?"

Holmes glimlachte. "Geloof ik 't niet? Och, misschien ook niet. Maar ik

ben er zeker van, dat het den heer Harker interesseert, evenals de

abonné's van het Centraal Pers Syndicaat. Nu, Watson, ik denk, dat wij

een lange en tamelijk lastige dagtaak voor ons hebben. Ik zou gaarne

willen, Lestrade, dat je het zoo inrichtte, dat je om zes uur van avond

in Baker Street kon zijn. Tot zoo laat zou ik gaarne deze foto, die gij

gevonden hebt in de zakken van den doode, willen houden. Het is

mogelijk, dat ik verder uw gezelschap en uw hulp noodig heb voor een

kleine expeditie, die in den komenden nacht zal worden ondernomen, ten

minste indien mijn hypothese juist blijkt. Tot zoolang dan vaarwel en

goede vangst."

Sherlock Holmes en ik liepen samen naar High Street, waar hij bleef

staan voor den winkel van Harding Brothers, bij wie de buste was

gekocht. Naar binnen gaande, deelde een jonge bediende hem op zijn vraag

mede, dat mijnheer Harding afwezig was tot na den middag, en dat hij

zelf pas in de zaak was, zoodat hij geen inlichtingen kon verschaffen.

Op het gelaat van Holmes was duidelijk teleurstelling merkbaar.

"Wel, wij mogen niet verwachten, dat alles loopt, zooals wij 't gaarne

willen, Watson," zeide hij eindelijk. "Wij moeten van middag terugkomen,

daar mijnheer voor dien tijd niet aanwezig is. Ik ben bezig, zooals ge

misschien reeds geraden hebt, te trachten na te gaan, vanwaar deze

busten zijn gekomen, om zoodoende er achter te komen of er niet iets

bijzonders mee gebeurd is, waardoor de feiten van de laatste dagen

kunnen worden verklaard. Laat ons nu gaan naar Morse Hudson van

Kensington Road en zien of hij eenig licht in de duisternis kan

brengen."

Een rit van een uur bracht ons aan het huis van den handelaar. Het was

een kleine, dikke man met een rood gezicht.

"Ja, mijnheer. Op deze plank stond de buste, mijnheer," zeide hij.

"Waarvoor wij belasting en huur betalen, weet ik niet, wanneer de eerste

de beste schurk kan binnenkomen en je goed stuk smijten. Ja, mijnheer,

ik was het, die aan dr. Barnicot de twee busten heb verkocht.

Schandelijk, mijnheer. Een complot van nihilisten. Dat is 't, mijnheer.

Niemand anders dan een anarchist zou 't in zijn hoofd krijgen, deze

beeldjes te breken. Roode republikeinen, zoo noem ik ze. Van wie ik de

beeldjes gekocht heb? Ik zie niet in, wat dat met de zaak heeft te

maken. Wel, als u 't bepaald wenscht te weten, ik kocht ze van Gelder &

Co. in Church Street, Stepney. Een welbekend huis in dit soort goed, en

ouder dan twintig jaar. Hoeveel ik er had? Drie--twee en een is

drie--twee van dr. Barnicot en een op klaarlichten dag in mijn winkel

stuk geslagen. Of ik dat portret herken? Neen. Ja, toch! Het is Beppo.

Hij was een soort Italiaansche beeldhouwer, die kleine karweitjes in den

winkel opknapte. Hij kon een weinig houtsnijden, vergulden en herstelde

allerlei kleinigheden. Hij is de vorige week weggegaan en sedert hoorde

ik niets meer van hem. Ik weet niet, vanwaar hij kwam en evenmin

waarheen hij is gegaan. Ik heb mij nooit over hem te beklagen gehad,

zoolang hij hier was. Twee dagen nadat hij weg was, werd de buste stuk

geslagen."

"Nu, dat is wel ongeveer alles, dat wij redelijkerwijs mochten

verwachten van Morse Hudson te zullen hooren," zeide Holmes, toen wij

uit den winkel kwamen. "Wij hebben dezen Beppo als een

gemeenschappelijken factor, zoowel in Kennington als in Kensington,

zoodat dit een rit van tien mijl wel waard was. En nu, Watson, zullen

wij naar Gelder & Co. te Stepney gaan. Dat is de bron en oorsprong van

de busten. Het zou mij zeker tegenvallen, wanneer wij daar nog niet iets

nieuws vernamen."

Achtereenvolgens reden wij door deftig Londen, hotel Londen, schouwburg

Londen, literair Londen en eindelijk maritiem Londen, tot wij kwamen aan

een wijk aan de rivier van een honderd duizend zielen, waar de

onooglijke huizen volgepropt zijn met het uitvaagsel van Europa. Hier

vonden wij de steen- en beeldhouwerij, waarnaar wij zochten. Buiten was

een uitgestrekt terrein vol hard- en zandsteen en marmer. Daar achter

was een werkplaats, waar een vijftig beeld- en steenhouwers bezig waren.

De baas, een groote blonde Duitscher, ontving ons beleefd en gaf ons een

duidelijk antwoord op alle vragen, die Holmes tot hem richtte.

Uit zijn boeken bleek, dat honderden afgietsels waren gemaakt van een

marmeren kopie, van de buste van Napoleon door Devine, maar dat de drie,

die naar Morse Hudson waren gezonden, ongeveer een jaar geleden deel

uitmaakten van een partijtje van zes exemplaren. De andere drie waren

gegaan naar Harding Brothers in Kensington. Er was hoegenaamd geen reden

op te geven, waarom deze zes zouden verschillen van al de overige. De

man kon dan ook niet begrijpen, waarom iemand den wensch zou koesteren

ze te vernielen, inderdaad, hij moest om het denkbeeld lachen. De

engrosprijs was zes shillings, maar de handelaar maakte er misschien

twaalf of meer voor. Het afgietsel werd eerst in twee helften

afzonderlijk gegoten van gips en daarna aan elkander geplakt. Deze

arbeid werd meestal verricht door Italianen. Wanneer zij gereed waren,

werden de busten geplaatst op een tafel in de gang om te drogen en

daarna opgepakt. Dat was alles, wat hij ons kon vertellen.

Het vertoonen van de foto had echter een bijzondere uitwerking op den

man. Op zijn gelaat kwam een donker roode blos en zijn wenkbrauwen

trokken zich boven zijn blauwe oogen samen.

"Ha, de schurk," riep hij. "Ja, ik ken hem inderdaad zeer goed. Dit is

steeds een fatsoenlijke zaak geweest en den eenigen keer, dat wij de

politie hier hadden, kwam het door dezen vent. Het is reeds langer dan

een jaar geleden. Hij doorstak een ander Italiaan met een mes op straat;

daarna kwam hij hierheen met de politie op zijn hielen en hier werd hij

dan ook opgepakt. Beppo heette hij--zijn achternaam heb ik nooit

gehoord. Ja, u hebt gelijk, hoe kon ik zulk een man in mijn dienst

nemen? Maar hij was een goed werkman, een van de besten."

"Tot hoe lang werd hij veroordeeld?"

"De gewonde bleef leven en hij kwam er met een jaar af. Ik denk, dat hij

nu wel weer vrij zal zijn, maar hij heeft het niet gewaagd hier te

verschijnen. Wij hebben een neef van hem hier, en hij zal misschien wel

weten, waar hij is te vinden."

"Neen, neen," riep Holmes, "geen woord tegen den neef--geen woord, bid

ik u. De zaak is van zeer groot gewicht en hoe verder ik ga, hoe

belangrijker zij schijnt te worden. Toen u in uw boek den datum nasloeg

van deze busten, merkte ik op, dat het den 9en Juni was van verleden

jaar. Kunt u mij misschien ook den dag noemen, waarop Beppo gearresteerd

werd?"

"Ten naaste bij door de uitbetalingslijsten," antwoordde de eigenaar.

"Ja," vervolgde hij, na een paar bladzijden te hebben omgeslagen, "hij

werd voor 't laatst op den 20sten Mei betaald."

[Illustratie: "Ha, de schurk," riep hij uit.]

"Dank u," zei Holmes. "Ik geloof niet, dat ik meer mag vergen van uw

tijd en geduld." Met een waarschuwing om toch vooral niets zich te laten

ontvallen over ons onderzoek, namen wij den terugtocht aan naar het

Westen van de stad. De namiddag was reeds ver gevorderd, toen wij

eindelijk den tijd konden vinden om haastig iets te nuttigen in een

restaurant. Op een bulletin aan den ingang stond met vette letters:

"Kensington Drama. Moord door een krankzinnige," en de verdere inhoud

toonde, dat mijnheer Horace Harker er toch nog in geslaagd was zijn

verslag op tijd bij den drukker te krijgen. Twee kolommen in de

middageditie vloeiden over van sensatiewekkende momenten, neergeschreven

in bloemrijken stijl. Holmes las het verslag onder het eten. Eens of

tweemaal glimlachte hij.

"Dat is in orde, Watson," zeide hij. "Luister maar eens: "Het is

geruststellend te weten, dat er in deze zaak geen verschil van meening

bestaat, want Lestrade, een van de meest ervaren Scotland Yard

detectiven, en mijnheer Sherlock Holmes, de welbekende expert, zijn

beiden tot de conclusie gekomen, dat de eigenaardige serie van

incidenten, die op zoo tragische wijze geëindigd is, eerder een gevolg

is van krankzinnigheid, dan van een misdaad met voorbedachten rade.

Behalve ingeval van verstandsverbijstering is er ook geen verklaring

voor de feiten te vinden." De pers, Watson, is een zeer nuttige

instelling, als gij maar weet, hoe er partij van kan worden, getrokken.

En thans zullen wij, wanneer je klaar bent, teruggaan naar Kensington en

zien, wat de chef van Harding Brothers te vertellen heeft."

De bezitter van die groote zaak bleek te zijn een klein, rond mannetje

met vlugge maniertjes, heldere kijkers en een radde tong.

"Ja, mijnheer. Ik heb reeds het verslag gelezen. Mijnheer Horace Harker

is een klant van ons. Eenige maanden geleden leverden wij hem de buste.

Wij hadden drie van die busten besteld bij Gelder & Co. van Stepney. Zij

zijn nu alle verkocht. Aan wie? O, wanneer ik even het verkoopboek

nasla, kan ik het u dadelijk zeggen. Hier hebben we 't al. Een aan

mijnheer Harker, een aan mijnheer Josiah Brown van Laburnam Lodge,

Laburnam Vale, Chiswick en een aan mijnheer Sandeford van Lower Grove

Road, Reading. Neen, ik heb nog nooit den man gezien, die daar op die

foto staat. Het is anders een gezicht dat men niet spoedig zou vergeten,

want zelden zag ik een leelijker gelaat. Of wij Italianen in onzen

dienst hebben? Ja, mijnheer, wij hebben er verscheidene onder onze

werklieden. Ja, zij kunnen, wanneer zij dat willen, in dit verkoopboek

snuffelen. Er is n.l. geen bijzondere reden om dat boek voor hen op te

bergen. Ja, ja, het is een vreemde, geschiedenis, en ik hoop dat u,

wanneer uw onderzoek resultaat oplevert, mij even zult willen

berichten."

Holmes had verscheidene aanteekeningen gemaakt, terwijl mijnheer Harding

maar doorratelde, en ik kon zien, dat hij geheel en al tevreden was over

de wending, die de zaak nam. Hij zeide echter niets, alleen dat, wanneer

wij ons niet haastten, wij nog te laat zouden zijn voor onze afspraak

met Lestrade. Zooveel is zeker, dat toen wij Baker Street bereikt

hadden, de detective reeds daar was en wij hem vonden, ongeduldig heen

en weer loopend op onze kamer. Het gewichtig gezicht, waarmee hij naar

ons toe kwam, bewees, dat zijn onderzoek ook niet zonder resultaat was

gebleven.

"En?" vroeg hij. "Hebt u geluk gehad, mijnheer Holmes?"

"Wij hebben een drukken dag achter den rug en nu juist geen verloren

dag," zeide mijn vriend. "Wij hebben de beide handelaren en ook de

firma, die de busten maakte, gesproken. Ik weet nu, waar de overige

busten zich bevinden."

"De busten," riep Lestrade. "Nu, u hebt uw eigen methode, mijnheer

Holmes en ik voor mij zal daarvan niets zeggen, maar toch geloof ik

vandaag beter gewerkt te hebben dan gij. Ik heb de identiteit van den

vermoorde vastgesteld."

"Dat meent gij toch niet?"

"En ook de aanleiding voor de misdaad gevonden."

"Maar dat is prachtig."

"Wij hebben een inspecteur, Hill genaamd, die zich speciaal interesseert

voor de Italiaansche wijk. Deze doode man had een katholiek embleem om

zijn hals en daaruit maakte ik op, dat hij uit het Zuiden kwam, te meer

daar zijn gelaat door de zon verbrand was. Inspecteur Hill herkende hem,

zoodra hij hem zag. Zijn naam is Pietro Venucci van Napels en hij is een

van de grootste halsafsnijders van Londen. Hij staat in betrekking tot

de Maffia, die zooals u weet een geheim politiek genootschap is, dat

zijn besluiten door moorden kracht bijzet. Nu ziet u de zaak duidelijk

voor u, wil ik wedden. De ander is n.l. eveneens een Italiaan en lid van

de Maffia. Hij heeft op de een of andere wijze tegen het reglement

gezondigd. Pietro wordt op hem afgestuurd. Waarschijnlijk stelt de

fotografie den man zelf voor, opdat de moordenaar niet den verkeerde zou

van kant maken. Hij sluipt den man na, ziet hem in een huis gaan, wacht

buiten op hem, en bij de worsteling krijgt hij zelf een doodelijke

wonde. Hoe vindt u dat, mijnheer Holmes?"

Holmes klapte goedkeurend in de handen.

"Uitstekend, Lestrade, uitstekend," riep hij uit. "Uw verklaring echter

voor het vernielen van de busten heb ik nog niet gehoord."

"De busten! Kunt u deze busten niet op zij zetten? Dat is toch niets,

pure baldadigheid, hoogstens zes maanden. Maar in zake den moord doen

wij een eigen onderzoek en ik zeg u, dat ik alle draden nu reeds in mijn

hand houd."

"En de volgende stap?"

"Is zeer eenvoudig. Ik ga met Hill naar de Italiaansche wijk, zoek den

man, wiens portret wij hebben en arresteer hem wegens moord. Gaat u met

ons mee?"

"Ik denk van niet. Ik geloof, dat wij op eenvoudiger manier tot het

eindresultaat kunnen komen. Ik kan 't niet zeker zeggen, want alles

hangt af van--wel, alles hangt af van een factor, waarop wij absoluut

geen invloed kunnen uitoefenen. Maar ik koester groote hoop--inderdaad

de kansen staan als twee tegen een--dat wanneer u van avond met ons

meegaat, ik in staat zal zijn hem u in handen te spelen."

"In de Italiaansche wijk?"

"Neen; ik denk, dat Chiswick een adres is, waar hij eerder zal te vinden

zijn. Als gij van avond met mij naar Chiswick gaat, Lestrade, beloof ik

u morgen mee naar de Italiaansche wijk te gaan en het uitstel zal in elk

geval geen nadeelige gevolgen hebben. En nu denk ik, dat een paar uur

slaap ons goed zullen doen, want ik ben van plan voor elf uur weg te

gaan en het ziet er niet naar uit, dat wij voor het aanbreken van den

dag terug zullen zijn. Blijf bij ons dineeren, Lestrade, en daar staat

de sofa te uwer dispositie tot het tijd is om te vertrekken. Intusschen

zoudt ge mij een dienst bewijzen, Watson, met even te telephoneeren om

een besteller, want ik heb een brief weg te brengen, die van avond nog

aan zijn adres moet worden bezorgd."

Holmes bracht den avond zoek met snuffelen in de leggers van de

nieuwsbladen, waarmee een van onze kleine kamertjes was volgepropt. Toen

hij eindelijk terugkwam, straalde er succes uit zijn oogen, maar hij

zeide niets tegen ons over het resultaat van zijn nasporingen. Wat mij

betreft, ik had stap voor stap de methode gevolgd, volgens welke hij de

verschillende symptomen van dit ingewikkelde geval had ontleed en

ofschoon ik mij nog niet kon voorstellen, waar de zaak op zou uitloopen,

begreep ik zeer goed, dat Holmes verwachtte, dat deze zonderlinge

misdadiger een poging zou doen, om de twee overblijvende busten in

handen te krijgen, waarvan er een, zooals ik mij herinnerde, te Chiswick

was. Ongetwijfeld was het doel van onzen tocht om hem op heeterdaad te

betrappen, en ik kon niet anders als de gevatheid bewonderen, waarmede

mijn vriend de bladen op een valsch spoor had gebracht, om zoodoende den

man in den waan te brengen, dat hij ongestraft zijn werk kon

voleindigen. Het verwonderde mij dan ook niet, dat Holmes mij aanraadde

mijn revolver mee te nemen. Hij zelf had den met lood beslagen

ploertendooder, zijn geliefkoosd wapen, in den zak gestoken.

Om elf uur kwam een rijtuig voor, en daarmede reden wij tot aan een

punt, aan gene zijde van Hammersmith Bridge. Hier werd den koetsier

gelast op ons te wachten. Een korte wandeling bracht ons bij een

eenzamen weg met aan beide zijden huizen, die alle afzonderlijk stonden.

Bij het licht van een lantaarn lazen wij "Laburnam Villa" op een der

hekken. De bewoners waren klaarblijkelijk reeds naar bed gegaan, want

overal was het donker, behalve in de gang, waar een lamp brandde, die

een zwak schijnsel wierp naar buiten in den tuin. De houten schutting,

die den tuin van den weg scheidde, wierp een donkere schaduw naar de

binnenzijde, en hier bleven wij bij elkander.

"Ik vrees, dat u lang zult moeten wachten," fluisterde Holmes. "Wij

mogen van geluk spreken, dat het niet regent. Ik geloof niet, dat wij

het zelfs kunnen wagen om te rooken, ten einde den tijd te dooden. Het

is echter twee tegen een, dat wij iets bereiken, waardoor wij voor onze

moeite beloond worden."

[Illustratie: Met den sprong van een tijger was Holmes op zijn rug.]

Al spoedig bleek, echter, dat wij niet zoolang behoefden te wachten, als

Holmes ons had doen vreezen, en het avontuur eindigde op een snelle en

vreemde wijze. Op een gegeven oogenblik, zonder dat het minste geluid

ons op de hoogte had gebracht van zijn komst, werd de tuindeur open

gedaan en een slanke, donkere gestalte snel en behendig als een aap

sloop over het pad. Wij zagen haar scherp afsteken tegen het licht, dat

naar buiten scheen en daarna verdwijnen in de donkere schaduwen van het

huis. Langen tijd was het stil en wij hielden onzen adem in. Daarna

hoorden wij een zacht knarsend geluid. Het raam werd opengebroken. Het

geluid hield op en weer heerschte er langen tijd stilte. De man was het

huis binnengegaan. Wij zagen het licht van een dievenlantaarn in de

kamer. Wat hij zocht was klaarblijkelijk niet daar, want even later

bemerkten wij het licht in een andere kamer en daarna weer in een

andere.

"Laat ons naar het open raam gaan, dan kunnen wij hem grijpen, terwijl

hij er uitklimt," fluisterde Lestrade.

Maar voor wij daar konden komen, was de man al weer buiten. Zoodra hij

zich bevond in het schijnsel voor de voordeur, zagen wij, dat hij iets

wits onder zijn arm droeg. Hij keek naar alle kanten om zich heen, de

stilte van de eenzame straat stelde hem echter gerust. Zijn rug naar ons

toekeerend, legde hij het voorwerp neer en het volgende oogenblik

hoorden wij een slag, gevolgd door gerinkel van scherven.

De man was zoo verdiept in hetgeen hij deed, dat hij ons niet hoorde,

terwijl wij over het gras naderbij slopen. Met den sprong van een tijger

was Holmes op zijn rug en een oogenblik later hadden Lestrade en ik hem

ieder bij een vuist en waren de boeien netjes aangedaan. Terwijl ik mij

over hem heenboog, zag ik een afschuwwekkend gelaat, dat ons aankeek met

van woede verwrongen trekken, en ik wist, dat wij inderdaad den man van

de foto hadden gearresteerd.

Maar aan onzen gevangene schonk Holmes allerminst zijn aandacht. In

gebogen houding op de deurstoep gezeten, was hij bezig nauwkeurig te

onderzoeken, hetgeen de man uit het huis had gehaald. Het was een buste

van Napoleon, zooals wij er dien morgen reeds een gezien hadden, en deze

was ook weer op dezelfde manier aan stukken geslagen. Zorgvuldig hield

Holmes elke scherf afzonderlijk in het licht, maar in geen enkel opzicht

verschilden deze stukken van andere stukken gips. Hij was juist gereed,

toen de deur werd geopend en de eigenaar van het huis, een joviale,

rondborstige figuur, in zijn overhemd naar buiten trad.

"Mijnheer Josiah Brown, vermoedelijk?" vroeg Holmes.

"Ja, mijnheer, en u is ongetwijfeld mijnheer Sherlock Holmes? Ik kreeg

het briefje, dat u zond per besteller en ik deed precies, hetgeen u

daarin hebt gezegd. Wij hebben alle deuren aan de binnenzijden gesloten

en wachtten verder af. Wel, ik ben blij te zien, dat u den schurk hebt.

Ik hoop, heeren, dat u even binnen wilt komen en dat ik u iets mag

offreeren."

Lestrade was er echter op gesteld om zijn gevangene zoo spoedig mogelijk

achter slot te brengen en daarom werd binnen een paar minuten ons

rijtuig gehaald en reden wij alle vier terug naar Londen. Onze gevangene

wilde geen woord zeggen, maar hij gluurde naar ons van onder zijn dikke

wenkbrauwen en eenmaal, dat mijn hand binnen zijn bereik scheen, beet

hij er naar als een hongerige wolf. Wij bleven lang genoeg op het

politiebureau om te vernemen, dat er niets op hem werd bevonden als een

paar shillings en een lang dolkmes, waarvan het heft de sporen van

bloedvlekken van recenten datum vertoonde.

"Dat is in orde," zeide Lestrade, terwijl wij afscheid namen. "Hill kent

al deze heeren, en hij zal wel een naam voor hem vinden. U zult zien,

dat mijn theorie van de Maffia uitstekend uitkomt. Maar toch ben ik u

zeer verplicht, mijnheer Holmes, voor de uitstekende wijze, waarop gij

de hand op hem hebt gelegd. Ik begrijp het echter nog niet geheel en

al."

"Ik vrees, dat het wel een weinig laat is voor het geven van

explicaties," meende Holmes. "Bovendien zijn er nog een of twee details,

die niet af zijn, en juist een dezer zal de moeite loonen, de zaak

geheel af te wikkelen. Wanneer u nogmaals om zes uur naar mijn huis wilt

komen, geloof ik in staat te zijn u te kunnen bewijzen, dat gij zelfs nu

nog niet de volle beteekenis hebt begrepen van deze zaak, waarbij zich

eenige omstandigheden voordoen, waardoor zij geheel en al eenig is in de

geschiedenis der misdaad.

"Indien ik u ooit toestemming geef om eenige van mijn kleine problemen

te boekstaven, Watson, voorzie ik, dat gij uw bladzijden zult volpennen

met een verhaal van het zonderlinge avontuur van de busten van

Napoleon."

* * * * *

Toen wij den volgenden avond weder bij elkander kwamen, bezat Lestrade

vele bijzonderheden over onzen gevangene. Zijn voornaam was, zooals

bleek, Beppo, verder onbekend. Hij was een bekende deugniet in de

Italiaansche kolonie. Vroeger was hij een bekwaam beeldhouwer geweest,

die een eerlijk bestaan verdiende, maar hij was den verkeerden weg

opgegaan en had reeds tweemaal met de gevangenis kennis gemaakt--eens

wegens diefstal en eens, zooals wij reeds hadden vernomen, wegens het

doorsteken van een landgenoot. Hij sprak goed Engelsch. De reden, waarom

hij de busten vernielde, was nog niet bekend en hij weigerde in deze op

eenige vraag te antwoorden; de politie had echter uitgevischt, dat het

zeer goed mogelijk was, dat deze busten eigenhandig door hem gemaakt

waren, daar hij in dat genre gewerkt had bij Gelder & Co. Naar al dit

nieuws, waarvan wij het voornaamste reeds wisten, luisterde Holmes met

beleefde aandacht, maar ik, die hem zoo goed kende, kon duidelijk zien,

dat zijn gedachten elders waren en ik las achter het masker, dat hij

gewoon was te dragen, ongerustheid en verwachting. Plotseling luisterde

hij en zijn oogen werden helderder. Er werd gebeld. Een minuut later

hoorden wij iemand de trap opkomen en een oud mannetje met grijze

bakkebaarden trad binnen. In zijn rechterhand droeg hij een ouderwetsche

tasch, die hij op tafel zette.

"Ben ik hier terecht bij mijnheer Sherlock Holmes?"

Mijn vriend boog en glimlachte: "Mijnheer Sandeford van Reading, vermoed

ik?"

"Ja, mijnheer, ik ben een weinig laat, maar de trein had vertraging. U

schreef mij over een buste, die ik in mijn bezit heb."

"Juist."

"Ik heb uw brief hier. U schreef: "Ik wensch een kopie te bezitten van

den Napoleon van Devine en ben bereid u tien pond te betalen voor die,

welke gij in uw bezit hebt." Is dat zoo?"

"Zeker."

"Ik was zeer verrast door uw brief, want ik begreep niet, hoe u kondet

weten, dat ik zulk een buste had."

"Natuurlijk waart u verrast. De verklaring is echter eenvoudig. Mijnheer

Harding van Harding Brothers vertelde, dat zij het laatste exemplaar aan

u verkocht hadden en zij gaven mij uw adres."

"O, zoo. En zeiden zij, wat ik er voor betaald had?"

"Neen."

"Ik ben een eerlijk man. Ik betaalde slechts vijftien shilling en ik

vermeen, dat u dit moest weten voor gij mij tien pond betaalt."

Uw eerlijkheid is te prijzen, mijnheer Sandeford. Maar ik heb een prijs

genoemd en blijf er bij."

[Illustratie: "Ik heb de buste meegebracht, zooals u mij gevraagd

hebt."]

"Het is zeer vriendelijk van u, mijnheer Holmes. Ik heb de buste

meegebracht. Hier is ze!" Hij deed de tasch open en eindelijk zagen wij

een ongeschonden exemplaar van de buste, die wij reeds meermalen aan

stukken hadden aanschouwd. Holmes haalde een papier uit den zak en legde

een bankbiljet van tien pond op tafel.

"Wil u dit papier teekenen, mijnheer Sandeford, in het bijzijn van deze

getuigen, het behelst alleen, dat u alle rechten op de buste,

overdraagt aan mij. Zie, ik ben een nauwgezet man en men weet nooit, wat

er kan gebeuren. Dank u, mijn heer Sandeford, hier is uw geld en ik

wensch u goeden avond."

Toen onze bezoeker was verdwenen, werd onze aandacht getrokken door

hetgeen Holmes ging uitvoeren. Hij haalde een tafellaken te voorschijn,

dat hij op tafel uitspreidde. Daarna plaatste hij zijn buste in het

midden en kwam eindelijk met zijn ploertendooder en gaf Napoleon een

fermen tik op zijn hoofd. De buste brak en Holmes boog zich snel over de

brokken. Het volgend oogenblik hield hij met een triumfeerenden uitroep

een stuk in de hand, waarin een rond donker voorwerp zat als een rozijn

in een pudding.

"Heeren," riep hij, "laat mij u voorstellen de beroemde zwarte parel van

de Borgia's."

Lestrade en ik keken verrast op en toen klapten wij spontaan in de

handen, als bij een goed gespeelde scène in een tooneelstuk. Er kwam

kleur op de bleeke wangen van Holmes en hij boog voor ons als de

kunstenaar, die de bijvalsbetuigingen van het publiek in ontvangst

neemt. In zulke oogenblikken hield hij voor een oogenblik op een

denkende machine te zijn en verraadde hij zijn menschelijke liefde voor

bewondering en bijval. Dezelfde trotsche en gereserveerde natuur, die

afkeerig was van populariteit bij de groote menigte, werd tot in zijn

binnenste geroerd door de plotseling opkomende bewondering van een

vriend.

"Ja, heeren," zeide hij, "het is de meest beroemde parel, die in de

wereld bestaat en het is mijn goed geluk haar te hebben opgespoord van

uit de slaapkamer van den prins van Colonna, in het Dacre Hotel, tot in

het binnenste hiervan, de laatste van de zes busten van Napoleon, die

door Gelder en Co. te Stepney zijn vervaardigd. Je zult je de sensatie

herinneren, Lestrade, toen bekend werd, dat deze kostbare steen

verdwenen was en de nuttelooze pogingen van de Londensche politie om de

parel terug te vinden. Ik zelf werd in de zaak geraadpleegd, maar kon

ook geen licht brengen in de duisternis. De verdenking viel op de

kamenier van de prinses, die een Italiaansche was en het bleek, dat zij

een broeder had te Londen, maar wij konden geen verband ontdekken. De

kamenier heette Lucretia Venucci en ik twijfel er niet aan of die

Pietro, die twee nachten geleden vermoord werd, was de broeder. Ik heb

de data in de oude, leggers van de couranten opgezocht en ik vond, dat

de verdwijning van de parel juist twee dagen voor de arrestatie van

Beppo plaats had in de werkplaats van Gelder & Co., op het oogenblik dat

deze busten werden vervaardigd. Nu ziet gij duidelijk den loop der

dingen, maar gij ziet ze natuurlijk in tegenovergestelde richting als

waarin ik ze zag. Beppo had de parel. Hij kon haar gestolen hebben van

Pietro, hij kon de medeplichtige van Pietro zijn geweest, hij kon de

tusschenpersoon tusschen Pietro en diens zuster geweest zijn. Dat doet

er echter minder toe. De hoofdzaak is, dat hij de parel bezat en op 't

oogenblik, dat hij haar bij zich had, werd hij door de politie

achtervolgd. Hij snelde naar de werkplaats, waar hij arbeidde, wist dat

hij slechts eenige minuten had om zijn kostbaren schat te verbergen,

daar deze anders bij fouilleering op hem zou gevonden worden. Zes gipsen

busten van Napoleon stonden in de gang te drogen. Een dezer was nog

zacht. Oogenblikkelijk maakte Beppo, handig als hij was, een gaatje in

het gips, stopte de parel er in en streek daarna de opening dicht. Het

was een prachtige plaats. Niemand kon ze daar vinden. Maar Beppo werd

veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf en intusschen werden zijn zes

busten verkocht en gingen naar verschillende wijken van Londen. Hij

wist: niet, welke zijn schat bevatte. Alleen door ze stuk te slaan kon

hij 't zien. Zelfs schudden zou hem niet helpen, want daar de gips nat

was, was 't waarschijnlijk, dat de parel er aan vast zou gekleefd zijn,

zooals inderdaad het geval was. Beppo wanhoopte niet, maar begon zijn

onderzoek met buitengewone handigheid en volharding. Door een neef, die

bij Gelder werkt, vernam hij naar welke winkels de zes busten waren

gegaan. Hij trad in dienst bij Morse Hudson en vond zoodoende drie

busten. De parel zat er niet in. Door tusschenkomst van een Italiaansch

employé wist hij ook achter de namen te komen van de koopers van de drie

overig busten. De eerste was bij Harker. Daar werd hij gevolgd door zijn

medeplichtige, die Beppo verantwoordelijk hield voor het verlies van de

parel en hij doorstak hem in de worsteling, die volgde."

"Als dat zijn medeplichtige was, waarom droeg die dan zijn portret?"

vroeg ik.

"Als een middel om hem te vinden, wanneer hij aan een derde moest vragen

om inlichtingen. Dat was de reden. Na den moord dacht ik, dat Beppo wel

haast zou maken met het verdere onderzoek. Hij moest vreezen, dat de

politie iets van zijn geheimen vermoedde en daarom haastte hij zich voor

zij hem voor zouden zijn. Natuurlijk kon ik niet zeggen, dat de parel

niet gevonden was in de buste van Harker. Ik was er zelfs nog niet zeker

van, dat het de parel was. Maar het was voor mij duidelijk, dat hij naar

iets zocht, daar hij de buste langs de andere huizen droeg om haar stuk

te slaan in den tuin, die verlicht werd door de lantaarn. Daar de buste

van Harker een van de drie was, stond de kans precies als ik zei, drie

tegen een, dat de parel er niet in was. Er bleven twee busten over en

het was duidelijk, dat hij eerst zou gaan naar de buste, die het dichtst

bij was. Ik waarschuwde de bewoners van het huis, om een tweede drama te

voorkomen en wij gingen met het bekende gelukkige resultaat. Toen wist

ik natuurlijk reeds stellig, dat wij de Borgia-parel op 't spoor waren.

De naam van den vermoorde was de ontbrekende schakel in de keten. Er

bleef nu nog een buste over, die van Reading--en de parel moest er in

zijn. Ik kocht ze in tegenwoordigheid van u van den eigenaar--en daar

ligt ze."

Wij keken een oogenblik zwijgend voor ons.

"Nu," zei Lestrade. "Ik heb u zeer veel zaken zien behandelen, mijnheer

Holmes, maar ik weet niet, dat ik ooit zoo iets scherpzinnigs en

vernuftigs heb bijgewoond. Wij zijn bij Scotland Yard niet jaloersch op

u. Neen, mijnheer, wij zijn zeer trotsch op u en wanneer u morgen komt,

is er geen man van den oudsten inspecteur tot den jongsten rechercheur,

die niet blij zou zijn u de hand te mogen drukken."

"Dank je," zeide Holmes. "Dank je," en terwijl hij zich omdraaide,

scheen het mij, dat hij meer aangedaan was dan ik ooit had bijgewoond.

Een oogenblik later was hij weder de koude en practische denker. "Doe de

parel in de brandkast, Watson," zeide hij, "en haal de papieren van de

Conk-Singleton zaak van valsche munters voor den dag. Goeden avond,

Lestrade. Mocht er weder eens een probleem op uw weg komen, dan zal het

mij aangenaam zijn, als ik 't kan, je een paar wenken te geven om tot de

oplossing te geraken."

+------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| (Regelnummers bij maximale regellengte van 72) |

| |

| Plaats Bron Correctie |

| Regel 289 jaloeziëen jaloezieën |

| Regel 446 . ? |

| Regel 597 " [Verwijderd] |

| Regel 914 recès reces |

| Regel 1060 bizonder bijzonder |

| Regel 1102 [Niet in bron] , |

| Regel 1221 bizonderheden bijzonderheden |

| Regel 1275 ? . |

| Regel 1316 bizonderheden bijzonderheden |

| Regel 1490 London Londen |

| Regel 1521 ! ? |

| Regel 2068 [Niet in bron] " |

| Regel 2073 . ? |

| Regel 2231 onbegijpelijker onbegrijpelijker |

| Regel 2252 [Niet in bron] " |

| Regel 2460 sollicitatie-brief sollicitatiebrief |

| Regel 2527 [Niet in bron] " |

| Regel 2708 konst komst |

| Regel 2815 sluitende ," sluitende, " |

| Regel 2890 . ? |

| Regel 2944 . ? |

| Regel 3356 warop waarop |

| Regel 3733 . ? |

| Regel 3776 maar naar |

| Regel 3873 . ? |

| Regel 3895 ik ," ik, " |

| Regel 4103 ." ". |

| Regel 4507 op geteekend opgeteekend |

| Regel 4817 ." Gij . "Gij |

| Regel 5021 plaast plaats |

| Regel 5082 in gesteld ingesteld |

| Regel 5257 [Niet in bron] " |

| Regel 5257 [Niet in bron] " |

| Regel 5257 [Niet in bron] " |

| Regel 5258 [Niet in bron] " |

| Regel 5259 [Niet in bron] " |

| Regel 5432 . ? |

| Regel 5494 [alinea-break]"Wat  Wat |

| Regel 5546 als dan |

| Regel 5651 [Niet in bron] " |

| Regel 5678 zich het |

| Regel 5888 " [Verwijderd] |

| Regel 6001 als dan |

| Regel 6135 . ? |

| Regel 6161 [Niet in bron] -- |

| Regel 6161 [Niet in bron] -- |

| Regel 6263 kan kon |

| Regel 6376 laasten laatsten |

| Regel 6563 [Niet in bron] , |

| Regel 6680 " [Verwijderd] |

| Regel 6784 ! ? |

| Regel 6860 nl. n.l. |

| Regel 6888 ," ", |

| Regel 7274 oorsponkelijke oorspronkelijke |

| Regel 7353 Simmer Sumner |

| Regel 7354 Highung Highway |

| Regel 7357 half tien halftien |

| Regel 7391 crditeuren crediteuren |

| Regel 7439 , ? |

| Regel 7457 [Niet in bron] " |

| Regel 7712 [Niet in bron] , |

| Regel 7743 keer" af keer "af |

| Regel 7873 queastie quaestie |

| Regel 8261 nl. n.l. |

| Regel 8263 om dat |

| Regel 8409 . ? |

| Regel 8431 ! ? |

| Regel 8467 Baker Street Baker-Street |

| Regel 8658 . , |

| Regel 8669 13 131 |

| Regel 8806 als dan |

| Regel 8909 als dan |

| Regel 8992 [Niet in bron] " |

| |

+------------------------------------------------------+

De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes · 第 26 / 26 题