II.

Het avontuur van "Zwarte Peter".

Nooit heb ik mijn vriend in een betere gedaante, zoowel geestelijk als

physiek, gekend dan in het jaar '95. Zijn stijgende roem had een enorme

praktijk met zich gebracht en ik zou mij aan een onbescheidenheid

schuldig maken, indien ik zelfs ook maar zinspeelde op de identiteit van

eenige van de voorname cliënten, die steeds onzen nederigen drempel in

Baker-Street overschreden. Holmes echter, evenals alle groote artisten,

leefde voor zijn kunst en uitgezonderd in het geval van den hertog van

Holdernesse, heb ik zelden gezien, dat hij een hooge belooning eischte

voor zijn onschatbare diensten. Ja, hij was zoo onwereldsch--of zoo

grillig--dat hij dikwijls zijn hulp weigerde aan de machtigen en de

rijken, wanneer het op te lossen vraagstuk zijn sympathie niet had,

terwijl hij zich onafgebroken weken kon wijden aan de zaken van den een

of anderen armen cliënt, wanneer diens geval die vreemde en dramatische

eigenschappen bezat, welke werkten op zijn verbeelding en waarbij als 't

ware zijn scherpzinnigheid zich voelde uitgedaagd.

In dit merkwaardige jaar '95 hadden verscheidene vreemdsoortige en

uiteenloopende gevallen zijn aandacht gevraagd, waaronder de arrestatie

van Wilson, den bekenden kanariefokker, welke een waar pesthol uit het

East End van Londen verwijderde. Kort na dit geval kwamen het drama van

Woodman's Lee en de zeer geheimzinnige omstandigheden, waarin de dood

van kapitein Peter Carey was gehuld. Een opsomming van de daden van

Sherlock Holmes zou niet compleet zijn, wanneer daarin niet voorkwam een

vermelding van deze zeer ongewone zaak.

In de eerste week van Juli was mijn vriend zoo dikwijls en zoo langen

tijd afwezig, dat ik daaruit opmaakte, dat er iets aan de hand was. Het

feit, dat verscheidene ruw uitziende mannen in dien tijd bij ons

aanschelden en naar kapitein Basil vroegen, deed mij begrijpen, dat

Holmes ergens aan het werk was onder een van de vele vermommingen en

namen, waaronder hij zijn eigen machtige persoonlijkheid verborg. Hij

had minstens vijf kleine wijkplaatsen in verschillende deelen van

Londen, waar hij vermommingen bewerkstelligde of aflegde. Hij zeide mij

niets van zijn werk en het was mijn gewoonte niet om een verklaring uit

te lokken. Het eerste daadwerkelijke teeken, dat hij mij gaf van de

richting, waarin zijn onderzoek leidde, was buitengewoon. Hij was voor

het ontbijt uitgegaan en ik zat juist het mijne te gebruiken, toen hij

de kamer binnenkwam met zijn hoed op het hoofd en met een groote, van

een weerhaak voorziene speer als een parapluie onder zijn arm.

"Goede hemel, Holmes!" riep ik. "Je wilt toch niet beweren, dat je met

dat ding onder je arm door Londen gewandeld hebt?"

[Illustratie: "Goede hemel, Holmes!" riep ik. "Je wilt toch niet

beweren, dat je met dat ding onder den arm door Londen gewandeld hebt?"]

"Ik ben naar den slager heen en weer gereden."

"Naar den slager?"

"En ik kom met den gewonen eetlust terug. Er kan geen verschil van

meening zijn, waarde Watson, over de waarde van lichaamsbeweging vóór

het ontbijt. Maar ik wil er iets onder verwedden, dat je niet kunt

raden, welk soort lichaamsbeweging ik heb gehad."

"Ik zal het niet probeeren."

Hij lachte, terwijl hij zich koffie inschonk.

"Indien je in den winkel van Allerdyze had kunnen kijken, zou je een

dood varken gezien hebben, hangende aan een haak in den zolder en een

mijnheer in zijn hemdsmouwen, ijverig in de weer het dier met dit wapen

te doorboren. Ik was die ijverige mijnheer en ik heb mij er van

overtuigd, dat ik, al wend ik al mijn kracht aan, met een enkelen worp

het varken niet kan doorboren. Misschien wil je het ook eens probeeren?"

"Voor geen geld. Maar waarom deed je dat?"

"Omdat het mij toescheen, dat dit indirect verband houdt met het geheim

van Woodman's Lee.--Ha, Hopkins, ik ontving gisteren avond nog je

telegram en ik verwachtte je. Kom binnen en zit met ons aan."

Onze onaangediende bezoeker was een buitengewoon bewegelijk man,

ongeveer dertig jaar oud, gekleed in een gewoon fantasie-costuum, maar

met de rechte houding van iemand, die gewoon is aan een uniform. Ik

herkende hem dadelijk als Stanley Hopkins, een jong inspecteur van

politie, voor wiens toekomst Holmes groote verwachtingen koesterde,

terwijl deze op zijn beurt de bewondering en den eerbied toonde van een

leerling voor de wetenschappelijke methode van den beroemden amateur.

Zijn voorhoofd was bewolkt en hij zat daar als iemand, die in de

grootste verslagenheid verkeert.

"Neen, dank u, mijnheer. Ik heb ontbeten vóór ik hier heen ging. Ik heb

den nacht in de stad doorgebracht, want ik moest gisteren mijn rapport

uitbrengen."

"En wat had je te rapporteeren?"

"Niets, mijnheer, absoluut niets."

"Dus geen vorderingen gemaakt?"

"Neen."

"Wel, wel. Dan zal ik mij eens met de zaak moeten bezighouden."

"Ik zou gaarne willen, dat u het deed, mijnheer Holmes. Het is mijn

eerste groote kans en ik ben ten einde raad. Kom om 's hemels wil en

help mij een handje."

"Wel, wel, het treft, dat ik reeds alle beschikbare aanwijzingen en het

rapport van het eerste onderzoek met eenige zorg heb gelezen. A propos,

wat denk je van dat zakje van robbevel, gevonden op het terrein van de

misdaad? Is dat geen aanwijzing?"

Hopkins keek verwonderd op.

"Het was het tabakszakje van den man zelf, mijnheer. Zijn naamletters

stonden er in. Bovendien is het duidelijk, dat hij als oud-kapitein van

een vaartuig, dat op de robbenvangst ging, zulk een tabakszak had."

"Maar hij had geen pijp."

"Neen, mijnheer, wij konden geen pijp vinden; hij rookte inderdaad zeer

weinig. Maar het was mogelijk, dat hij tabak kreeg van zijn vrienden."

"Ongetwijfeld. Ik memoreer alleen dit punt, omdat, wanneer ik de zaak in

handen had gehad, ik geneigd zou zijn geweest daarvan het punt van

uitgang voor mijn onderzoek te maken. Mijn vriend dr. Watson weet echter

nog niets van de zaak en ik zal er niets minder aan toe zijn, wanneer ik

de toedracht nog eens hoor. Geef ons dus in 't kort de bijzonderheden

weer."

Stanley Hopkins haalde een stuk papier uit zijn zak.

"Ik heb hier eenige data en feiten uit het leven van den dooden man,

kapitein Peter Carey. Hij werd in '45 geboren, was dus 50 jaar. Hij was

een stoutmoedig en succesvol robbenvanger en walvischvaarder. In 1883

was hij kapitein van de stoomboot "Sea Unicorn" uit Dundee. Hij had

achtereenvolgens verschillende voorspoedige reizen gedaan en in het

volgend jaar 1884 zeide hij de zee vaarwel. Daarna reisde hij eenige

jaren en kocht eindelijk een klein buiten, Woodman's Lee genaamd, bij

Forest Row in Sussex. Daar heeft hij zes jaar gewoond en daar is hij nu

juist een week geleden gestorven.

"Er zijn eenige zeer bijzondere eigenaardigheden omtrent den man te

vertellen. In het gewone leven was hij een waar Puritein--een zwijgende,

in zich zelf gekeerde man. Zijn huishouden bestond uit zijn vrouw, zijn

dochter, twintig jaar oud en twee dienstboden. Deze laatsten veranderden

nog al eens, want het was nooit een prettige betrekking bij hem en soms

was het er gewoon niet uit te houden. De man was een echte

"termijn-dronkaard" en wanneer hij in zulk een stemming was, een ware

woesteling. Het is gebeurd, dat hij zijn vrouw en zijn dochter midden in

den nacht de deur uitjoeg en in het park afranselde, totdat het geheele

dorp buiten het hek in rep en roer er voor stond door het gegil.

"Eens werd hij veroordeeld wegens mishandeling van den ouden predikant,

die hem kwam opzoeken om hem eens te onderhouden over zijn gedrag.

Kortom, mijnheer Holmes, u zoudt ver moeten gaan om een gevaarlijker man

te vinden dan Peter Carey en ik heb gehoord, dat hij aan boord van zijn

schip dezelfde manieren reeds had.

"Hij was bekend in de vaart als "Zwarte Peter" en deze naam was hem

gegeven, niet alleen naar aanleiding van zijn donker uiterlijk, maar ook

wegens zijn humeur, dat de schrik was van ieder om hem heen. Ik behoef

niet te zeggen, dat hij verafschuwd en vermeden werd door de geheele

buurt en ik heb geen enkel woord van spijt gehoord over zijn

verschrikkelijk einde.

"In het rapport van het onderzoek zult gij gelezen hebben, mijnheer

Holmes, van de hut van den man, maar misschien weet uw vriend er nog

niets van. Hij had zich zelf een houten huisje gebouwd--hij noemde het

altijd de hut--eenige honderden meters van zijn huis, en daar sliep hij

elken nacht. Het was een kleine hut met één vertrek, zestien voet lang

bij tien voet breed. Hij hield den sleutel in zijn zak, maakte zelf zijn

bed op, hield de hut zelf schoon en veroorloofde aan niemand den drempel

te overschrijden. Aan beide zijden zijn kleine ramen, die door gordijnen

zijn bedekt, welke nooit opgehaald worden. Een van deze ramen zag uit op

den grooten straatweg en wanneer er 's nachts licht brandde, maakten de

menschen elkander daarop opmerkzaam en vroegen zich af, wat "Zwarte

Peter" wel zou doen. Dat is het raam, mijnheer Holmes, dat ons ten

minste eenige aanwijzing bij het onderzoek verschaft.

"U herinnert zich, dat een metselaar, Slater genaamd, die om één uur 's

nachts van Forest Row kwam--twee dagen vóórdat de moord plaats

had--stilstond bij het voorbijgaan van Woodman's Lee en bleef kijken

naar het licht, dat nog tusschen de boomen scheen. Hij houdt vol, dat

de schaduw van het hoofd van een man zichtbaar was op het gordijn en dat

die schaduw zeker niet van Peter Carey was, daar hij deze goed kende. De

bedoelde man had n.l. een korten baard, geheel anders dan de kapitein.

Dat zegt hij, maar hij was twee uur in de herberg geweest en het is een

tamelijk groot eind van den weg tot aan de hut. Bovendien heeft dit

betrekking op Maandag en de misdaad werd op Woensdag gepleegd.

"Dinsdag was Peter Carey in een allerslechtst humeur, dronken en woest

als een gevaarlijk wild dier. Hij strompelde door het huis en de vrouwen

maakten dat zij weg kwamen, wanneer zij hem hoorden naderen. Laat in den

avond ging hij naar zijn hut. Omstreeks twee uur in den morgen hoorde

zijn dochter, die met open raam sliep, een verschrikkelijken gil uit

deze richting, maar het was niets ongewoons hem te hooren razen en

tieren, wanneer bij dronken was, en daarom nam zij er geen verdere

notitie van.

"Bij het opstaan om zeven uur bespeurden de dienstboden, dat de deur van

de hut open stond, maar zoo groot was de vrees voor den man, dat het

middag was, voordat iemand zich in de hut durfde wagen om te zien, wat

er van hem geworden was. Door de open deur kijkend, zagen zij een

tooneel, dat hen met bleeke gezichten naar het dorp deed rennen. Binnen

een uur was ik op het terrein en had de zaak in handen.

"Nu, ik heb tamelijk sterke zenuwen, zooals u weet, mijnheer Holmes,

maar ik geef u mijn woord, dat ik rilde van ontzetting, toen ik mijn

hoofd in dat kleine huisje stak. Kleine en groote vliegen bromden en

gonsden en de vloer en de wanden waren als in een slachtplaats. Hij had

het een hut genoemd en het was ook een hut, want men zou zich aan boord

van een schip gewaand hebben. Aan de eene zijde was een bedstee en

daarvoor stonden een zeemanskist, kaarten en een verrekijker, een

schilderij van de "Sea Unicorn", een aantal logboeken op een plank,

juist datgene, wat men in de hut van een scheepskapitein verwacht te

vinden. En te midden van dat alles aanschouwde men den man zelf met een

verwrongen gelaat als een verloren ziel in de hel. Recht door zijn

breede borst was een stalen harpoen gedreven en wel met een kracht, dat

het wapen nog diep in den houten wand was gedrongen. Hij was als een

vlinder op een stuk karton geprikt. Natuurlijk was hij morsdood en was

dat geweest van af het oogenblik, dat hij dien laatsten doodskreet had

geuit.

"Ik ken uw methode, mijnheer, en bracht ze in toepassing. Alvorens ik

toestond, dat iets van zijn plaats werd genomen, onderzocht ik

zorgvuldig den grond buiten en ook den vloer van de kamer. Er waren geen

voetstappen."

"Je bedoelt, dat je ze niet hebt gezien?"

"Ik verzeker u, mijnheer, dat ze er niet waren."

"Mijn goede Hopkins, ik heb in vele misdaden het onderzoek geleid, maar

ik heb er nog nooit een gezien, die gepleegd was door een vliegend

wezen. Zoolang de misdadiger op twee beenen blijft, moet er eenige

aanwijzing op den grond voor den wetenschappelijken vorscher zijn te

vinden. Het is niet te gelooven, dat deze met bloed bespatte kamer geen

spoor bevatte, dat ons zou kunnen helpen. Ik heb echter uit het

onderzoek gemerkt, dat er eenige punten waren, die gij niet over het

hoofd hebt gezien, is het niet?"

De jonge inspecteur trok een erbarmelijk gezicht bij de ironische

opmerkingen van mijn vriend.

"Ik was een dwaas door u niet dadelijk te hulp te roepen, mijnheer

Holmes. Maar dat is nu eenmaal gebeurd. Ja, er waren verscheidene

voorwerpen, die onze speciale aandacht vroegen. Een er van was de

harpoen, waarmede de misdaad werd gepleegd. Deze was van een rek aan den

muur genomen. Twee andere waren er nog en er was een leege plaats voor

den derde. In de schacht waren de woorden "Ss. Sea Unicorn, Dundee"

gegraveerd. Dit scheen er op te wijzen, dat de misdaad gepleegd was in

een oogenblik van woede en dat de moordenaar het eerste het beste wapen

gegrepen had, dat voor de hand lag. Het feit, dat de misdaad om twee uur

in den morgen werd gepleegd en dat niettemin Peter Carey nog gekleed

was, deed vermoeden, dat hij een afspraak had gehad met den moordenaar,

hetgeen ook nog gestaafd wordt door het feit, dat er leege rhumglazen op

tafel stonden."

"Ja," zei Holmes, "ik denk, dat beide veronderstellingen aannemelijk

zijn. Waren er nog andere dranken in de hut behalve de rhum?"

"Ja, er stonden nog twee flesschen, waarvan er een brandewijn, de andere

whisky bevatte. Maar daar hebben wij niets aan, daar de flesschen vol

waren en derhalve nog niet aangebroken."

"In elk geval heeft de aanwezigheid van die flesschen toch eenige

beteekenis," zeide Holmes. "Laat ons echter nog iets meer hooren van de

voorwerpen, die volgens je meening betrekking op de zaak hebben."

"Dan lag dat tabakszakje op tafel."

"Op welk deel van de tafel lag het?"

"Het lag in het midden. Het was natuurlijk van robbevel--de harige huid

had een leeren riempje om het vast te binden. Aan de binnenzijde stond

P. C. Ongeveer een half ons zware tabak was er nog in."

"Uitmuntend! Wat meer?"

Stanley Hopkins haalde uit zijn zak een notitieboek. De omslag was

versleten en de bladzijden verkleurd. Op de eerste bladzijde waren

geschreven de initialen "J. H. N." en de datum "1883."

Holmes legde het op tafel en bekeek het op zijn bijzondere manier,

terwijl Hopkins en ik over zijn schouders tuurden. Op de tweede

bladzijde stonden de letters C. P. R. en daarna kwamen verscheidene

reeksen van getallen. Onder andere hoofden waren Argentinië, Costa Rica

en San Paulo, alle met teekens en cijfers er achter.

"Wat maak je hieruit op?" vroeg Holmes.

"Het schijnen nummers te zijn van effecten. Ik dacht, dat J. H. N. de

voorletters waren van een makelaar en dat C. P. R. zijn cliënt is

geweest."

"Probeer eens Canadian Pacific Railway," zei Holmes.

Stanley Hopkins mompelde iets binnensmonds en sloeg met zijn hand op het

dijbeen.

"Wat ben ik toch een domoor geweest!" riep hij. "Natuurlijk is het,

zooals u zegt. Dan moeten wij alleen de initialen J. H. N. oplossen. Ik

heb reeds de lijst van effectenmakelaars in 1883 nagegaan, maar ik kan

geen naam vinden, waarop deze letters betrekking kunnen hebben. Toch

weet ik, dat dit het belangrijkste is van al hetgeen ik heb gevonden. U

zult toestemmen, mijnheer Holmes, dat de mogelijkheid bestaat, dat deze

initialen zijn van den tweeden man, die aanwezig was--met andere

woorden van den moordenaar. Ik zou er tevens op willen wijzen, dat de

aanwezigheid van een document, dat betrekking heeft op een groote

hoeveelheid papieren van waarde, ons voor den eersten keer eenige

aanwijzing geeft voor een beweegreden voor de misdaad."

[Illustratie: Holmes bekeek het op zijn eigenaardige zorgvuldige wijze.]

Het gelaat van Sherlock Holmes toonde aan, dat hij geheel van de wijs

was gebracht door deze nieuwe verwikkeling.

"Ik moet u gelijk geven," zeide hij, "en ik erken, dat het notitieboek,

waarvan in het rapport niet gesproken wordt, elke hypothese, die ik mij

gevormd had, te niet doet. Ik had mij een theorie van de misdaad

gevormd, waarin hiervoor geen plaats was. Hebt u getracht eenige van de

hier genoemde effecten op te sporen?"

"Er wordt overal onderzoek naar gedaan, maar ik vrees, dat het register

van de aandeelhouders van deze Zuid-Amerikaansche fondsen in

Zuid-Amerika is en dat er eenige weken moeten verloopen, eer wij de

aandeelen op het spoor kunnen komen."

Holmes had den omslag van het notitieboekje met zijn vergrootglas

bestudeerd.

"Hier is een vlek," zeide hij.

"Ja, mijnheer, het was een bloedvlek. Ik vertelde u reeds, dat ik het

boek van den vloer opraapte."

"Was de bloedvlek aan den onder- of aan den bovenkant?"

"Aan den onderkant."

"Hetgeen natuurlijk bewijst, dat het boek is gevallen, nadat de misdaad

gepleegd was."

"Juist, mijnheer Holmes. Ik maakte reeds die gevolgtrekking en

concludeerde voorts, dat de moordenaar het boekje heeft laten vallen,

toen hij haastig de vlucht nam. Het lag dicht bij de deur."

"Ik veronderstel, dat geen dezer effecten gevonden is onder de papieren

en kaarten van den dooden man?"

"Neen, mijnheer."

"Hebt u eenige reden om aan diefstal te gelooven?"

"Neen, mijnheer, er scheen niets weggenomen te zijn."

"Wel, wel. Het is zeker een zeer interessant geval. Er was ook nog een

mes, is het niet?"

"Een scheermes, dat nog in de scheede was. Het lag bij de voeten van den

doode. Juffrouw Carey heeft verklaard, dat het 't eigendom van haar man

was."

Holmes bleef eenigen tijd in gedachten zitten.

"Wel," zei hij eindelijk. "Ik denk, dat ik er eens heen moet gaan en

zelf een en ander opnemen."

Stanley Hopkins uitte een kreet van blijdschap.

"Dank u, mijnheer. U neemt mij daardoor een zwaren last van de

schouders."

Holmes hief zijn vinger op tegen den inspecteur.

"Het zou veel gemakkelijker zijn geweest, wanneer je een week eerder

waart gekomen," zeide hij. "Maar zelfs nu behoeft een bezoek nog niet

geheel doelloos te zijn. Watson, indien je tijd hebt, zou ik gaarne

willen, dat je ook mee gingt. Als je zoo goed wilt zijn een rijtuig te

bestellen, Hopkins, zullen wij binnen een kwartier gereed zijn om naar

Forest Row te vertrekken."

* * * * *

Aan het kleine tusschenstation uitgestapt, reden wij nog eenige mijlen

door de overblijfselen van zich ver uitstrekkende wouden, die eens deel

uitmaakten van dat groote bosch, dat zoo lang de Saksische horden

tegenhield--het ondoordringbare woud, dat meer dan zestig jaar het

bolwerk was van Bretagne. Uitgestrekte stukken waren geveld, want hier

was de plaats, waar de eerste ijzermijnen in het land werden ontgonnen

en de boomen werden gerooid voor het smelten van het erts. Thans hebben

de rijkere lagen van het Noorden deze industrie tot zich getrokken en

niets dan deze van boomen beroofde plekken en de groote gaten in den

grond wijzen op den arbeid van het verleden. Hier op een open plaats, op

een overigens dicht begroeiden heuvel stond een langwerpig lang steenen

huis, hetwelk men langs een kronkelenden weg bereikte. Dicht bij dezen

weg en aan drie zijden omringd door struikgewas, stond een klein houten

huisje. Dat was het tooneel van den moord.

Stanley Hopkins bracht ons eerst naar het huis, waar hij ons voorstelde

aan een schuwe, oude vrouw met grijze haren, de weduwe van den

vermoorden man, wier geel en rampzalig gelaat met de vreesachtige

uitdrukking en de door roode randen omgeven oogen sprak van de harde

jaren en de mishandelingen, waaraan zij had bloot gestaan. Bij haar was

haar dochter, een bleek meisje met mooi haar, wier oogen ons uitdagend

aankeken, toen zij vertelde, dat zij blij was, dat haar vader dood was,

en dat zij de hand zegende, die hem had neergeveld. Het was een

vreeselijk huishouden, dat de Zwarte Peter Carey zich zelf gemaakt had

en wij voelden ons als 't ware opgelucht, toen wij weer buiten in de zon

stonden en een pad dwars door het veld insloegen, dat door den dooden

man zelf gemaakt was.

Het huisje was zeer eenvoudig van hout opgetrokken met een dak van

tengels; een raam was naast de deur en een aan de andere zijde. Stanley

Hopkins haalde den sleutel uit zijn zak en had hem in het slot gestoken,

toen hij plotseling met een uitdrukking van verrassing op het gelaat

nauwkeurig het slot onderzocht.

"Iemand heeft getracht de deur te openen," zeide hij.

Hieraan viel niet te twijfelen. Het hout er om heen was weggesneden en

het scheen zoo wit, alsof het kort geleden gedaan was. Holmes onderzocht

het raam.

"Men heeft getracht ook dit te forceeren, maar wie het ook is geweest,

hij is er niet in geslaagd om binnen te komen. Het moet al een zeer

armzalige inbreker zijn."

"Dit is een zeer buitengewone zaak," zeide de inspecteur. "Ik zou er op

durven zweren, dat deze teekens gisteren nog niet aanwezig waren."

"Misschien een of andere nieuwsgierige uit het dorp," opperde ik.

"Dat is niet waarschijnlijk. Er zullen al weinig menschen in het dorp

zijn, die nu een voet op dezen grond durven zetten, laat staan in de hut

gaan. Wat denkt u er van, mijnheer Holmes?"

"Ik denk, dat het geluk ons al zeer gunstig is."

"U bedoelt, dat de persoon terug zal komen?"

"Het is zeer waarschijnlijk. Hij kwam in de verwachting de deur open te

zullen vinden. Hij trachtte naar binnen te gaan door het slot te openen

met het lemmet van een klein pennemes. Hij kon 't niet gedaan krijgen.

Wat zal hij nu doen?"

"Den volgenden nacht terugkomen met een doelmatiger stuk gereedschap."

"Dat zou ik ook zeggen. Het zal nu slechts aan ons liggen, indien wij er

niet zijn om hem te ontvangen. Laat mij intusschen de hut van binnen

eens bekijken."

De sporen van het drama waren verwijderd, maar overigens had men de

meubelen, de kaarten enz. precies gelaten als ze waren gevonden na den

moord. Gedurende twee uur bekeek Holmes met sterk gespannen aandacht elk

voorwerp op zijn beurt, maar zijn gelaat toonde, dat het resultaat niet

zeer bevredigend was. Slechts éénmaal onderbrak hij zijn onderzoek.

"Heb je iets van deze plank genomen, Hopkins?"

"Neen, ik heb niets van zijn plaats genomen."

[Illustratie: "Er is iemand geweest, die geprobeerd heeft de sluiting te

verbreken," zei hij.]

"Iets is hier weggenomen. Er is minder stof op dezen hoek van de plank

dan verder op. Het kan een boek geweest zijn. Het kan ook een doos

geweest zijn. Wel, wel, ik kan niets meer doen. Laat ons een weinig in

die schoone wouden rond gaan dolen, Watson, en een paar uur wijden aan

de vogels en de bloemen. Wij zullen u later hier weer ontmoeten,

Hopkins, en zien of wij eenigszins meer bekend kunnen worden met den

heer, die in den afgeloopen nacht hier een bezoek heeft gebracht."

Het was elf uur, toen wij ons in hinderlaag opstelden. Hopkins was er

voor om de deur van de hut open te laten, maar Holmes was van meening,

dat hierdoor de achterdocht van den vreemdeling zou worden opgewekt. Het

slot was zeer eenvoudig en alleen een stuk lemmet was noodig om het open

te maken. Holmes opperde eveneens de meening, dat het beter was buiten

te wachten tusschen de struiken en niet in de hut. Op die manier konden

wij den man bespieden, als hij een lucifer aanstak en zien, wat zijn

plannen waren voor deze nachtelijke visite.

Het was een langdurig en vervelend wachten en toch bracht het iets mee

van de zenuwachtigheid, die de jager ondervindt, wanneer hij naast den

waterpoel ligt en wacht op de komst van het dorstige roofdier.

Welk wreed monster zou uit de duisternis naar ons toe komen sluipen? Was

het een wilde tijger der misdaad, die zich alleen zou laten vangen na

een wanhopige worsteling, met zijn scherpe tanden en klauwen, of zou het

blijken te zijn een sluipende jakhals, alleen gevaarlijk voor de zwakken

en onbeschermden?

Stil als muizen lagen wij neergedoken tusschen de struiken, wachtende op

hetgeen zou komen. Eerst hoorden wij nog de voetstappen van dorpelingen,

die zich verlaat hadden, of wel stemmen uit het dorp, maar een voor een

stierven deze afwisselingen weg en werd het doodstil om ons heen. Alleen

hoorden wij nog het slaan van de dorpsklok en het geruisch van een

fijnen motregen, die op het bladerendak boven ons neerviel.

Het had halftwee geslagen en het was het donkerste uur, dat aan den

dageraad voorafging, toen wij allen werden opgeschrikt door een zacht

maar duidelijk geknars in de richting van de tuindeur. Iemand was

binnengekomen. Weder heerschte er geruimen tijd stilte en ik begon reeds

te vreezen, dat het een valsch alarm was, toen zachte voetstappen

gehoord werden aan de andere zijde van de hut. Een oogenblik later

hoorden wij weder geknars. De man was bezig het slot open te breken.

Ditmaal was zijn behendigheid grooter of zijn gereedschap beter, want

even daarna vernamen wij het draaien van de scharnieren. Daarna werd een

lucifer aangestoken en het volgend oogenblik was de hut verlicht door

het flikkerend schijnsel van een kaars. Door de dunne gordijnen konden

wij precies zien, wat er binnen voorviel.

De nachtelijke bezoeker was een mager jongmensch met een zwart

snorretje, dat vooral de doodelijke bleekheid van zijn gelaat deed

uitkomen. Hij kon niet veel ouder dan twintig jaar zijn. Ik heb nog

nooit iemand gezien, die blijkbaar zoo bang was, want zijn tanden

klapperden zichtbaar en hij beefde van het hoofd tot de voeten. Hij was

gekleed als een heer, had een korte jas met korte broek aan en een pet

op. Wij zagen, hoe hij met verschrikte oogen rondkeek. Daarna zette hij

het eindje kaars op tafel en verdween in een der hoeken, waar wij hem

niet konden zien. Hij kwam met een groot boek, een van de journaals,

terug. Op tafel leunend, bladerde hij er in, totdat hij vond hetgeen hij

zocht. Met een nijdige beweging van zijn gebalde vuist sloot hij het

boek, bracht het weer naar zijn plaats en blies het licht uit.

Ternauwernood had hij zich omgekeerd om de hut te verlaten, of de hand

van Hopkins was aan zijn keel en ik hoorde zijn luiden gil van

ontzetting, toen hij begreep, dat hij gesnapt was. De kaars werd weer

aangestoken en daar stond onze ongelukkige gevangene, rillend en bevende

in den ijzeren greep van den detective. Hij viel neer op de kist en keek

hulpeloos van den een naar den ander.

"Nu, waarde heer," zei Stanley Hopkins, "wie ben je en wat kwam je hier

doen?"

De man herstelde zich zoo goed mogelijk en keek ons aan.

"U zijt detectiven, vermoed ik," zei hij, "u denkt, dat ik betrokken ben

bij den dood van kapitein Peter Carey. Ik verzeker u, dat ik onschuldig

ben."

"Dat zullen wij zien," zeide Hopkins. "Allereerst, hoe is uw naam?"

[Illustratie: Hij doorbladerde snel, op de tafel leunende, het boek.]

"Ik heet John Hopley Neligan."

Ik zag Holmes en Hopkins een blik van verstandhouding wisselen.

"Wat kwaamt ge hier doen?"

"Kan ik in vertrouwen tot u spreken?"

"Neen, zeker niet."

"Waarom zou ik het dan vertellen?"

"Indien gij niets hebt te zeggen, kon het u voor de rechtbank wel eens

slecht bekomen."

De jonge man aarzelde.

"Wel, ik zal het u vertellen," zeide hij. "Waarom zou ik het niet doen?

En toch zou ik dit oude schandaal niet gaarne weer zien opgerakeld. Hebt

u ooit gehoord van Dawson en Neligan?"

Ik kon aan het gezicht van Hopkins zien, dat hij er nooit van gehoord

had; Holmes echter gaf blijk van groote belangstelling.

"U bedoelt de bankiers," zeide hij. "Zij gingen failliet met een tekort

van een millioen, ruïneerden de halve bevolking van Cornwall, en Neligan

maakte zich uit de voeten."

"Juist, Neligan was mijn vader."

Eindelijk kregen wij dus iets positiefs en toch scheen er een groote

gaping tusschen een bankier, die met de noorderzon was verdwenen en

kapitein Peter Carey, aan den wand geregen met een van zijn eigen

harpoenen. Wij luisterden allen aandachtig naar hetgeen het jonge mensch

te vertellen had.

"Het was mijn vader, wien alleen de zaak aanging. Dawson had zich

teruggetrokken. Ik was destijds nog slechts tien jaar, maar toch oud

genoeg om de schande te beseffen. Men heeft altijd beweerd, dat vader al

de effecten stal en er mee van door ging. Dat was niet waar. Hij was

vast en stellig er van overtuigd, dat wanneer hem de tijd gelaten werd

om alles te gelde te maken, alles terecht zou komen en ieder crediteur

zijn geld zou krijgen. Hij ging met zijn klein jacht naar Noorwegen,

juist vóór het bevel tot zijn inhechtenisneming werd uitgevaardigd. Ik

kan mij nog den laatsten avond herinneren, toen hij moeder vaarwel

zeide. Hij liet een lijst achter van de effecten, die hij meenam en hij

zwoer, dat hij zou terugkomen met opgericht hoofd en dat niemand, die

hem vertrouwd had, nadeel zou lijden. Daarna werd er taal noch teeken

ooit meer van hem gehoord. Zoowel hij als het jacht schenen verdwenen.

Wij geloofden, moeder en ik, dat hij met de effecten, die hij had

meegenomen, op den bodem der zee lag. Wij hadden echter een trouwen

vriend, die nog zaken doet en hij ontdekte eenigen tijd geleden, dat

enkele van de effecten, die mijn vader had meegenomen, weder op de

Londensche beurs waren verkocht. U kunt u onze verbazing voorstellen.

Maanden ben ik bezig geweest om ze op het spoor te komen en eindelijk na

veel moeilijkheden vernam ik, dat de oorspronkelijke houder was geweest

kapitein Peter Carey, de eigenaar van deze hut. Natuurlijk informeerde

ik naar den man. Ik vond uit, dat hij het bevel gevoerd had over een

walvischvaarder, die uit de Noordpoolzee terugverwacht werd omstreeks

den tijd, dat mijn vader naar Noorwegen ging. De herfst van dat jaar was

zeer stormachtig en er was een lange opeenvolging van stormwinden uit

het Zuiden. Het was zeer goed mogelijk, dat het jacht van mijn vader

noordwaarts was gedreven en daar het schip van kapitein Peter Carey had

ontmoet. Als dat zoo was, wat was er dan van vader geworden? In elk

geval zou, wanneer ik kon bewijzen uit de verklaring van Peter Carey,

hoe deze effecten in zijn bezit en op de beurs waren gekomen, daaruit

blijken, dat mijn vader ze niet had verkocht en dat hij geen persoonlijk

voordeel beoogde, toen hij ze meenam.

"Ik kwam naar Sussex met het plan den kapitein op te zoeken, maar op dat

oogenblik had juist zijn gewelddadige dood plaats. Ik las in het verslag

een beschrijving van zijn hut, waarin ook stond, dat de oude journalen

van zijn schip bewaard waren gebleven. Het viel mij op, dat, wanneer ik

kon zien hetgeen in de maand Augustus 1883 aan boord van de "Sea

Unicorn" was gebeurd, ik inlichtingen zou krijgen over het lot mijns

vaders. Ik trachtte gisteren nacht deze boeken in te zien, maar kon de

deur niet open krijgen. Van nacht probeerde ik het nog eens en slaagde,

maar vond, dat de bladzijden, die betrekking hadden op die maand, uit

het boek waren gescheurd. Op dat oogenblik was ik een gevangene in uw

handen."

"Is dat alles?" vroeg Hopkins.

"Ja, dat is alles." Hij sloeg de oogen neer, terwijl hij het zeide.

"Hebt u niets anders te vertellen."

Hij aarzelde.

"Neen, er is niets."

"U is hier niet geweest vóór gisteren avond?"

"Neen."

"Welke verklaring hebt u dan _hiervoor_?" riep Hopkins, terwijl hij het

notitieboekje met de voorletters van den gevangene op de eerste

bladzijde en de bloedvlek op den omslag voor den dag haalde.

De ongelukkige viel bijna om van schrik. Hij bracht de handen voor zijn

gezicht en beefde weer als een riet.

"Waar hebt u dat gevonden?" stotterde hij. "Ik wist het niet. Ik dacht,

dat ik het in het hotel had verloren."

"Dat is genoeg," zeide Hopkins barsch. "Alles, wat gij nog te zeggen

hebt, kunt gij voor den rechter bewaren. Thans gaat ge met me naar het

politiebureau.--Wel, mijnheer Holmes, ik ben u en uw vriend zeer

verplicht, dat u gekomen zijt om mij te helpen. Zooals nu gebleken is,

was uw tegenwoordigheid niet noodig en zou ik de zaak ook zonder u tot

dit einde hebben gebracht; niettemin ben ik u zeer dankbaar. Kamers zijn

voor u in het Brambletge Hotel besproken, derhalve kunnen wij samen naar

het dorp wandelen."

"Wel, Watson, wat denk je er van?" vroeg Holmes, toen wij den volgenden

morgen terugreisden.

"Ik kan zien, dat ge niet voldaan zijt."

"O ja, mijn waarde Watson, ik ben volkomen tevreden. Dat neemt niet weg,

dat de methodes van Stanley Hopkins mij niet bevallen. Ik heb mij in hem

bedrogen. Ik koesterde betere verwachtingen van hem. Iemand moet steeds

de zaken van twee kanten bekijken en daarop bedacht zijn. Dat is de

stelregel bij elk onderzoek."

"Van twee zijden? En wat is dan de andere zijde?"

"Het onderzoek, dat ik heb ingesteld. Het kan misschien niets opleveren.

Dat weet ik nog niet. Maar ik zal het tot het einde volgen."

In Baker-Street lagen verscheidene brieven voor Holmes. Hij nam er een

op, opende hem en barstte in een zegevierend lachen uit.

"Uitmuntend, Watson. Mijn onderzoek marcheert prachtig. Heb je papier?

Ja, schrijf dan een paar telegrammen voor me: "Sumner, Huurbaas Ratcliff

Highway. Zend drie man tegen morgen ochtend tien uur--Basil". Dat is

mijn naam daar. Het andere telegram moet geadresseerd worden:

"Inspecteur Hopkins, 46, Lord Street Brixton. Kom morgen ochtend

halftien ontbijten. Belangrijk. Sein, indien verhinderd--Sherlock

Holmes!" Wel, Watson, deze zaak heeft mij tien dagen achtereen geen rust

gelaten. Thans ban ik haar geheel uit mijn gedachten. En morgen denk ik,

zullen wij er voor altijd het laatste van hooren."

Precies op tijd verscheen inspecteur Stanley Hopkins en samen deden wij

het uitmuntende ontbijt, dat juffrouw Hudson had klaargezet, alle eer

aan. De jonge detective was in de wolken over zijn succes.

"Dus u gelooft, dat uw oplossing de juiste is?" vroeg Holmes.

"Ik zou niet weten wat er zwak in moest zijn."

"De zaak schijnt mij toch niet gezond."

"U verbaast me, mijnheer Holmes. Wat zou er dan nog aan kunnen

ontbreken?"

"Wordt elk punt door uw verklaring opgehelderd?"

"Ongetwijfeld. Ik heb uitgevonden, dat de jonge Neligan op den dag van

de misdaad in het Brambletge Hotel is aangekomen. Hij kwam onder

voorwendsel golf te komen spelen. Zijn kamer was gelijkvloers en hij kon

uitgaan, wanneer hij dat verkoos. Dienzelfden nacht ging hij naar

Woodman's Lee, sprak met Peter Carey in de hut, twistte met hem en

doodde hem met den harpoen. Verschrikt over hetgeen hij had gedaan,

vluchtte hij de hut uit, waarbij het notitieboekje, dat hij had

meegebracht om Peter Carey over die verschillende effecten te

ondervragen, op den grond viel. U zult misschien hebben opgemerkt, dat

achter eenige van de effecten een kruisje was gezet. Achter de meeste

stond echter niets. Die, waar een kruisje achter stond, waren in den

laatsten tijd op de beurs te Londen verhandeld, maar de overige waren

vermoedelijk nog in het bezit van Carey en de jonge Neligan zou, volgens

zijn eigen verklaring, ze gaarne terug hebben om recht te doen

wedervaren aan de crediteuren van zijn vader. Na zijn vlucht durfde hij

de hut niet weer te naderen, maar eindelijk overmande hij zich om de

informatie te bekomen, die hij noodig had. Dit is toch alles eenvoudig

en duidelijk."

Holmes glimlachte en schudde het hoofd.

"Het schijnt mij toe, dat er een maar is, Hopkins, en dat wel, omdat de

oplossing totaal onmogelijk is. Heb je wel eens getracht een harpoen

door een lichaam te drijven? Neen? Tut tut, beste mijnheer, u moet

werkelijk aan dergelijke dingen uw aandacht wijden. Mijn vriend Watson

zou u kunnen vertellen, dat ik mij een geheelen morgen met die oefening

heb bezig gehouden. Het is niet gemakkelijk en er is een sterke en

geoefende arm voor noodig. Maar deze stoot werd met zulk een kracht

toegebracht, dat de punt van het wapen zelfs nog diep in den houten wand

drong. Is u van meening, dat dit aan bloedarmoede lijdende jongmensch

bij machte geweest is zulk een vreeselijken aanslag te doen? Is hij de

man, die met Zwarten Peter rhum met water zat te slurpen in het holle

van den nacht? Was het zijn profiel, hetwelk twee nachten vroeger op de

gordijnen is gezien? Neen, neen, Hopkins, wij moeten naar een ander en

meer gevaarlijk persoon zoeken."

Het gezicht van den detective werd gestadig langer, terwijl Holmes

sprak. Zijn hoop en eerzucht kregen het zwaar te verantwoorden. Maar hij

wilde zoo maar zijn stelling niet prijs geven.

"U kunt niet ontkennen, dat Neligan dien nacht in de hut aanwezig was.

Dat bewijst het boekje. Ik geloof, dat ik bewijzen genoeg heb om een

jury tevreden te stellen, zelfs al is u in staat in mijn redeneering een

zwak punt te ontdekken. Bovendien, mijnheer Holmes, ik heb mijn hand

gelegd op _mijn_ man. Wat die verschrikkelijke persoon van u betreft,

waar is hij?"

"Ik denk, dat hij nu zachtjes aan op de stoep staat," zei Holmes

ernstig. "Ik denk, Watson, dat je goed zoudt doen die revolver daar

binnen je bereik te houden." Hij stond op en legde een stuk papier op

een tafeltje. "Nu zijn wij gereed," zeide hij.

Er werd buiten luid gesproken en een oogenblik later opende juffrouw

Hudson de deur en zeide, dat er drie mannen waren, die naar kapitein

Basil vroegen.

"Laat ze een voor een boven komen," zeide Holmes.

De eerste, die binnenkwam, was een klein ineengedrongen mannetje, met

roode wangen en grijze bakkebaardjes. Holmes had een brief uit zijn zak

gehaald.

"Hoe heet je?" vroeg hij.

"James Lancaster."

"Het spijt mij, Lancaster, maar de equipage is voltallig. Hier is een

half pond voor je moeite. Kom in deze kamer en wacht daar even."

De tweede man was een lange uitgedroogde kerel met sluik haar en

ingevallen wangen. Zijn naam was Hugh Pattins. Hij kreeg dezelfde

boodschap, zijn half pond en moest ook even blijven wachten.

De derde was iemand van een merkwaardig voorkomen. Een woest gelaat werd

omgeven door een verwarden haardos en baard en twee brutale zwarte oogen

glinsterden van onder dikke, overhangende wenkbrauwen. Hij groette en

stond op de manier van een zeeman met zijn pet in de hand.

"Uw naam?" vroeg Holmes.

"Patrick Cairns."

"Harpoenwerper?"

"Ja, mijnheer. Zes en twintig reizen."

"Dundee, vermoed ik?"

"Ja, mijnheer."

"En bereid op een schip, dat onderzoekingsreizen naar de Noordpool gaat

doen, aan te monsteren?"

"Ja, mijnheer."

"Welke gage?"

"Acht pond per maand."

"Kun je dadelijk aan boord gaan?"

"Zoodra ik mijn aanstelling heb."

"Heb je je papieren?"

"Ja, mijnheer." Hij haalde een hoop smerige bladen uit zijn zak. Holmes

zag ze in en gaf ze daarna terug.

"Je bent juist de man, dien ik noodig heb," zeide hij.

"Hier ligt op dit tafeltje de monsterrol. Als je teekent, is de zaak in

orde."

De zeeman draaide zich om en nam de pen op.

"Zal ik hier teekenen?" vroeg hij, over de tafel buigend.

Holmes leunde over zijn schouder en bracht zijn beide handen over zijn

hoofd.

"Zoo is het goed," zeide hij.

[Illustratie: "Zal ik hier teekenen?" vroeg hij.]

Ik hoorde een gerinkel en een geloei als van een woedenden stier. Het

volgend oogenblik rolden Holmes en de zeeman samen over den vloer. Het

was een man met zulk een reusachtige kracht, dat zelfs met de

handboeien, die Holmes hem zoo handig had aangedaan, hij spoedig mijn

vriend overmeesterd zou hebben, waren Hopkins en ik hem niet te hulp

gekomen. Eerst toen ik den kouden loop van de revolver tegen zijn slaap

drukte, begreep hij ten laatste, dat tegenstand nutteloos was. Wij

bonden zijn enkels met een koord vast en stonden buiten adem van de

worsteling op.

"Ik moet u werkelijk mijn verontschuldiging aanbieden, Hopkins," zeide

Sherlock Holmes, "ik vrees, dat de spiegeleieren koud zijn. Het ontbijt

zal je overigens niet minder smaken, nu je de zekerheid hebt, dat je de

zaak tot zulk een schitterend einde hebt gebracht."

Bij dit compliment van Holmes kon Stanley Hopkins van verbazing geen

woord uitbrengen.

"Ik weet niet, wat ik zeggen moet, mijnheer Holmes," stamelde hij

eindelijk met een vuurrood gezicht. "Het schijnt mij, dat ik van het

begin af mij dwaas heb aangesteld. Ik begrijp nu, hetgeen ik nooit had

moeten vergeten, dat ik de leerling ben en gij de meester zijt. Zelfs nu

ik zie wat u hebt gedaan, weet ik niet hoe u het deed of wat 't

beteekent."

"Wel, wel," zeide Holmes, goedig. "Wij allen leeren door ondervinding en

het is ditmaal een les voor je, nooit de andere zijde geheel uit 't oog

te verliezen. Je stelde zooveel waarde op den jongen Neligan, dat je

geen oogenblik dacht aan Patrick Cairns, den waren moordenaar van Peter

Carey."

Hier viel de zeeman hem met zijn groffe stem in de rede.

"Zeg eens, baas," zeide hij. "Ik zal mij niet beklagen over het feit,

dat ik op zulk een wijze word behandeld, maar je moet de dingen bij hun

waren naam noemen. Gij zegt, dat ik Peter Carey vermoord heb; ik zeg,

dat ik Peter Carey _gedood_ heb, en dat is het verschil. Het kan zijn,

dat jullie niet gelooft, wat ik zeg. Misschien denk je, dat ik jullie

wat op de mouw speld."

"In het geheel niet," zeide Holmes. "Laat ons hooren, wat je te zeggen

hebt."

"Dat is spoedig gedaan en bij den hemel, elk woord is de waarheid. Ik

kende Zwarten Peter en toen hij zijn mes te voorschijn haalde, joeg ik

een harpoen dwars door hem heen, want ik wist, dat het was: hij of ik.

Zoo stierf hij. U kunt het moord noemen. In elk geval wil ik even lief

met een touw om mijn nek sterven als met het mes van Zwarten Peter in

mijn hart."

"Hoe kwam je daar?" vroeg Holmes.

"Ik zal alles van het begin af vertellen. Zet mij dan een beetje

overeind, dan kan ik beter spreken. Het gebeurde in '83--Augustus van

dat jaar. Peter Carey was gezagvoerder van de "Sea Unicorn", en ik was

daar harpoenwerper. Wij waren juist uit het ijs op de thuisreis en

kregen stormweer met zuidelijke winden, toen wij een klein vaartuigje

oppikten, dat naar het noorden was gedreven. Er was slechts één man aan

boord--een landsman. De bemanning was bang, dat het scheepje zou zinken

en was naar de Noorweegsche kust in de jol gegaan. Ik denk, dat ze allen

verdronken zijn. Nu, wij namen den man aan boord en hij en de schipper

zaten lang in de kajuit te praten. Alle bagage, die hij bij zich had,

bestond uit een blikken trommel. Zoover ik weet, werd de naam van den

man nooit genoemd en in den tweeden nacht verdween hij, alsof hij er

nooit was geweest. Er werd gezegd, dat hij over boord was gesprongen of

over boord was gevallen in het onstuimige weer. Slechts een man wist,

wat er werkelijk met hem gebeurd was, want met mijn eigen oogen zag ik,

hoe de schipper hem een beentje lichtte en hem tijdens de hondenwacht in

een donkeren nacht, twee dagen voordat wij de lichten van de

Shetlands-eilanden in zicht kregen, over de verschansing wierp.

"Wel, ik hield het voor mij zelf en wachtte om te zien, wat er zou

gebeuren. Toen wij in Schotland aankwamen, was het gemakkelijk iets te

verzinnen en niemand was er, die iets vroeg. Een vreemdeling kwam bij

ongeluk om en niemand had er belang bij om veel te vragen. Kort daarop

bleef Peter Carey aan den wal en het duurde vele jaren vóór ik kon

uitvinden, waar hij was. Ik dacht, dat hij de misdaad gedaan had voor

hetgeen in die blikken trommel was en dat hij mij nu wel eens goed kon

betalen voor het feit, dat ik mijn mond gehouden had.

"Ik vond hem door een zeeman, die hem te Londen had ontmoet en ik ging

naar buiten om hem onder handen te nemen. Den eersten dag was hij

redelijk genoeg en bereid mij zooveel te geven, dat ik ook aan den wal

kon blijven. Wij zouden alles twee nachten later regelen. Toen ik kwam,

vond ik hem drie kwart dronken en in een allerslechtst humeur. Wij

gingen zitten, wij dronken en praatten over oude tijden, maar hoe meer

hij dronk, des te minder had ik het begrepen op de blikken, waarmede hij

mij aankeek. Ik merkte dien harpoen aan den wand op en ik dacht, dat ik

dien misschien noodig zou hebben, vóór ik met hem klaar was. Eindelijk

kwam hij op mij af, vloekend, met moordlust in zijn oogen en een schee

in zijn hand, waarin een groot mes zat. Hij had geen tijd om het uit de

schee te halen, want ik joeg hem dadelijk den harpoen door zijn body.

Hemel, wat gaf hij een gil; en zijn gezicht zie ik nog in mijn slaap. Ik

stond daar, terwijl zijn bloed langs me spoot en ik wachtte even; alles

bleef stil en dat stelde mij gerust. Ik keek rond en zag de blikken

trommel op een plank. Ik had er in elk geval evenveel recht op als Peter

Carey, daarom nam ik haar mee en verliet de hut. Als een gek liet ik

mijn tabakszak liggen.

"Nu zal ik u het zonderlingste van de geheele geschiedenis vertellen.

Nauwelijks buiten de hut gekomen, hoorde ik iemand naderen en ik verborg

mij dus in de struiken. Er kwam een man aansluipen, hij ging de hut in,

gilde alsof hij een geest zag en rende zoo hard als hij kon weg, totdat

hij uit het gezicht was. Wie hij was of wat hij wilde is meer dan ik kan

zeggen. Wat mij betreft, ik wandelde tien mijl, ging op den trein te

Tunbridge Wells en bereikte Londen, maar ik werd niets wijzer.

"Want toen ik eens in de trommel keek, vond ik er geen geld in, maar

alleen papieren, die ik toch niet durfde verkoopen. Ik had geen vat meer

op Zwarten Peter en zat nu in Londen zonder een cent in mijn zak. Alleen

mijn zak bleef over. Ik zag die advertentiën voor harpoenwerpers tegen

hoog loon, waarom ik naar de huurbazen ging, die mij hierheen zonden.

Dat is alles, wat ik weet en ik zeg nog eens: dat als ik Zwarten Peter

dan doodde, de vent mij daarvoor toch dankbaar moet zijn, want ik

bespaarde hem de kans op een strop."

"Een zeer duidelijke verklaring," zeide Holmes opstaande en zijn pijp

opstekende. "Ik denk, Hopkins, dat je geen tijd moet laten voorbijgaan

om je gevangene naar een veiliger plaats te brengen. Deze kamer is niet

zeer geschikt voor een cel en mijnheer Patrick Cairns neemt een te

groot deel van ons karpet in."

[Illustratie: Wij zaten bij elkaar, dronken een glas en praatten over

den ouden tijd.]

"Mijnheer Holmes," zeide Hopkins, "ik weet niet, hoe ik u mijn

dankbaarheid moet toonen. Zelfs nu begrijp ik niet, hoe u dit resultaat

hebt bereikt."

"Eenvoudig door van het begin af aan het goede spoor te hebben. Het is

zeer wel mogelijk, dat, wanneer ik iets van dit notitieboekje had

geweten, daardoor mijn gedachten waren afgeleid geworden, zooals bij u

het geval was. Maar al hetgeen ik hoorde, leidde in één richting. De

verbazende kracht, de geoefendheid bij het gebruik van den harpoen, de

rhum met water, het tabakszakje van robbevel met de zware tabak--alles

wees op een zeeman en wel een, die op de walvischvaart was geweest. Ik

was overtuigd, dat de initialen "P. C." op het zakje niet de voorletters

moesten beteekenen van Peter Carey, daar hij zelden rookte en in zijn

hut geen pijp gevonden werd. Je zult je herinneren, hoe ik nog vroeg of

er whisky en brandewijn in de hut was. Je zei van ja. Hoeveel landslui

zullen er zijn, behalve zeelui, die rhum drinken, wanneer zij die andere

dranken kunnen krijgen? Ja, ik was er zeker van, dat het een zeeman

was."

"En hoe hebt u hem gevonden?"

"Waarde heer, het probleem was zeer eenvoudig geworden. Als het een

zeeman was, kon het er alleen een zijn, die met Carey op de "Sea

Unicorn" had gevaren. Voor zoover ik te weten kon komen, had hij nooit

op een ander schip gereisd. Ik bracht mijn dagen zoek met telegrafeeren

naar Dundee en na verloop van tijd had ik de namen van de equipage van

de "Sea Unicorn" in 1883. Toen ik Patrick Cairns onder de harpoenwerpers

vond, naderde mijn onderzoek zijn einde. Ik redeneerde, dat de man

vermoedelijk in Londen was en dat hij het land wel voor eenigen tijd zou

willen verlaten. Daarom bracht ik eenige dagen in het East End door,

beraamde een Noordpool-expeditie, lanceerde aanlokkelijke voorwaarden

voor harpoenwerpers, die onder kapitein Basil wilden varen--en zie hier

het resultaat."

"Wonderbaarlijk!" riep Hopkins. "Wonderbaarlijk!"

"Je moet nu zoo spoedig mogelijk den jongen Neligan in vrijheid

stellen," zeide Holmes. "Ik erken, dat ik van oordeel ben, dat je hem je

verontschuldiging moet aanbieden. De blikken trommel moet hem ter hand

worden gesteld, maar de effecten, die Peter Carey heeft verkocht, zijn

natuurlijk voor altijd verloren.

"Daar is het rijtuig, Hopkins, en je kunt nu je gevangene overbrengen.

Als je me voor de rechtbank noodig mocht hebben, is mijn adres en dat

van Watson ergens in Noorwegen--later stuur ik wel bijzonderheden."

De dood van Sherlock Holmes — De terugkeer van Sherlock Holmes · 第 24 / 26 题