De Neumarktpas.--De Minnesänger.--Het Murdal.--Gratz en zijn
omstreken.--Geschiedenis van Stiermarken.--Stiermarken een
Slavonisch land.--De stiermarkensche bergbewoner.
Waarde medereizigers. Wij zullen Stiermarken binnengaan langs den weg,
dien in 1797 het roemvol fransch leger volgde, nadat het lauweren
geoogst had in den schitterenden italiaanschen veldtocht. Nadat
Bonaparte zonder resultaat aan aartshertog Karel den "philosofischen"
brief had geschreven, waarin hij den vrede aanbood op grond van
zachtmoedige en menschlievende overwegingen, nam hij het besluit,
dieper het bergland der Alpen binnen te dringen en den marsch naar
Weenen voort te zetten met zijn klein, uit Italië meegebracht leger,
dat nauwelijks 40.000 man telde. De stoutmoedige onderneming werd,
zooals bekend is, met succes bekroond, en na de bezetting van
den Neumarktpas en het verwoede gevecht van Unzmarkt werden de
vredespreliminairen te Leoben geteekend.
Die Neumarktpas, een diepe insnijding in den hier slechts 890 meter
hoogen kam der Centraal-Alpen, die als een onderstreping zijn getrokken
ten zuiden van het langgerekte dal der Mur, is ten allen tijde een
der meest gezochte overgangen geweest, dien de veroveraars en ook de
kooplieden volgden. Langs die route zijn waarschijnlijk de Kimbren
in Italië binnengedrongen in het jaar 118 vóór onze jaartelling,
toen zij, als het ware, een voorspel leverden van de latere invallen
der barbaren, waardoor later een eind zou worden gemaakt aan de macht
van het romeinsche rijk.
Daarover liep de romeinsche weg van Aquilegia naar Ovilava, dat nu
Wels is, en in de Middeleeuwen, voordat de handel onder Karel den
Zesde den weg van Triëst en Gratz insloeg was het de drukst gevolgde
weg tusschen Weenen en Venetië. De aanleg van de nieuwe spoorweglijn
van Venetië naar Weenen over Pontebba heeft aan dezen overgang zijn
oude belangrijkheid teruggegeven.
Naar den kant van Karinthië werd de pas verdedigd door de vesting
Friesach, waar men nu nog op schilderachtige rotsen overblijfselen
van vroeger dreigende muren kan vinden. Meer vooraan in den naar
Stiermarken leidenden pas ligt het kasteel Dürrenstein, waarvan
niets dan een oude vierkante toren over is, reeds aan den overkant
der grens. Bosschen en weiden liggen op verschillende hoogten langs
den weg door de schilderachtige kloof en vormen er allerlei tinten van
groen, waar slechts enkele pannen daken andere kleuren tusschen leggen.
Hier worden wij door het lachende, groene Stiermarken ontvangen,
bekleed met het vriendelijk plantenkleed, en wij houden er onzen
intocht te midden van een uitgezocht frisch landschap. Het is een
veel aangenamer streek, dan men aan de karinthische zijde vindt. Zelfs
de burchten, die de wegen bewaken, zien er gemoedelijk uit en hebben
alle pretensie afgelegd.
Natuurlijk kon het niet missen, of zulk een liefelijke streek werd
gekozen als plaats van vestiging voor een van de vele kloosters, die de
Alpen als hebben gekolonizeerd, en inderdaad verrijst in een verborgen
dal in de omstreken het Sint Lambrechtsklooster, in 1103 gesticht
door hertog Hendrik van Karinthië, wiens land in de Middeleeuwen een
schitterend middelpunt van letterkunde en beschaving was. Achter het
spoorwegstation, dat uit de verte het klooster bedient, daalt de weg
in een diepe kloof, waardoor de lijn het dal der Mur bereikt. Dit dal
is het grootste der beide hoofdverkeersaderen van Boven Stiermarken;
de tweede, ermee evenwijdig, maar meer naar het Noorden gelegen,
is het dal der Enns.
Men kan er nog kennis maken met oude gewoonten, en een der origineelste
is de _Austragung der Freiung_, een feest, dat in October te
Nieder-Wölz gevierd wordt. Er wordt dan aan een met bloemen versierden
stok in een plechtige processie een arm rondgeleid, met een zwaard
in de hand, symbool van rechtszekerheid; vóór den stoet uit gaan de
muzikanten, voorafgegaan door een straatveger. Na verschillende halten,
waarbij er in winkels en hotels hartsterkingen worden gebruikt, wordt
de Freiung op de hoofdmarkt opgesteld, terwijl er de wacht bij wordt
gehouden, want indien het iemand gelukte, het symbool door geweld of
list te stelen, zouden de dorpsrechten alleen door dat feit aan de
overweldigers ten deel vallen.
De herinneringen aan de Middeleeuwen zijn in deze streken
overvloedig. Unzmarkt bezit de hoog gelegen ruïnen van den Frauenburg,
de oude woonplaats van den Minnesänger Ulrich von Lichtenstein. In
de Oostenrijksche Alpen hebben verscheiden dier ridderlijke dichters
geleefd of ze zijn er geboren, zooals met een der beroemdste het
geval was, namelijk met Walter von der Vogelweide, die niet enkel
de liefde heeft bezongen, maar zich ook heeft laten meesleepen door
de politieke hartstochten van zijn tijd; dan Oswald von Wolkenstein,
dien men den laatsten Minnesänger heeft genoemd, en nog anderen.
Hij, die in Frankrijk het meest bekend is geworden, Tannhäuser was,
naar men meent, geboortig uit het hooge dal der Mur. Wat Ulrich
von Lichtenstein aangaat, die omstreeks 1275 gestorven moet zijn,
het naar hem genoemde slot, welks ruïnen wij hier vóór ons hebben,
draagt terecht den naam van den Damesburcht. Hij was een vurig
vereerder van de schoone sekse. Op zijn portret, waar hij te paard
is voorgesteld, en dat in een oud handschrift is bewaard, staat op
zijn helm een vrouwenbuste met een pijl in de hand. Zijn werk, dat
in een gelikten stijl is vervat, is vooral bekend door "De dienst der
vrouwen" en het "Damesboek". Doch hij is tevens bekend geworden door
zijn stoutmoedig paardrijden en hij mengde zich in de politiek. Van
hoogverraad beschuldigd, werd hij lang gevangen gehouden door koning
Ottokar van Boheme, die op Stiermarken aanspraken meende te kunnen
doen gelden en ten slotte zijn wenschen met succes bekroond zag.
Leoben, de oude ijzerstad, waar de gesloten huizen van rijkdom
getuigen, en dat te midden van een bekoorlijk landschap ligt, roept
een minder ver verwijderd verleden in de herinnering terug. Daar
teekende in de Eggenwaldtuinen keizer Napoleon de vredespreliminaire
van Campo Formio. De voorbereidende besprekingen hadden plaats gehad
in het klooster van Göss, op een half uur afstands ten zuiden van
Leoben. Het was een klooster voor adellijke dames, gesticht in 1002;
de abdissen van het klooster zaten in den stiermarkschen landdag en
stemden mee van de bank der prelaten.
Het landschap, dat, het moet erkend, tot hier geen grootsch karakter
had bezeten, wordt indrukwekkend, als men nader bij Bruck komt. Bruck
aan de Mur heeft een krijgshaftig voorkomen met de rots, waarboven de
hier en daar doorschoten muren van de vesting Landskron uitsteken. Het
is de sleutel tot Midden-Stiermarken, en het fort werd op het eind
der dertiende eeuw met succes verdedigd tegen de Salzburgers en de
Beierschen, die door den oproerigen adel te hulp geroepen waren tegen
hertog Albert den Eerste. Ook was de plaats in de Middeleeuwen een
belangrijke handelsstad op den weg van Weenen naar Venetië, en de
bouwtrant van een der huizen, waaraan een venetiaansche loggia is
aangebracht, toont duidelijk den artistieken invloed van de stad
der lagunen.
Te Bruck overleed in 1424 hertog Ernst der Eiserne, de ijzeren hertog,
wiens tweede vrouw Cimburge, dochter van den vorst van Masovië (een
deel van het tegenwoordige Polen), niet minder van ijzer was dan haar
man. Zij kon een hoefijzer met haar blanke handen in tweeën breken,
en door een duw met haar schouder een zwaar beladen wagen in beweging
brengen. Zulk een sterke vrouw was waard, de stammoeder te worden van
den tak der Habsburgers, die opnieuw in de handen van haar kleinzoon
Maximiliaan de verspreide bezittingen van het geslacht vereenigde,
en tevens tot achterkleinzoon te hebben dien Filips den Schoone,
over wiens reusachtig rijk de zon nooit onderging.
Te Bruck wendt zich de Mur, die, van het Zuidwesten naar het
Noordoosten stroomend, een aan de Alpen evenwijdige richting volgde,
plotseling naar het Zuiden en gaat door een smalle kloof, aan
welker uiteinde zich opeens een wijde vlakte voordoet, de "baai" van
Gratz. Dat ruime landestuarium breidt aan den rand van het bergland
zijn bekoorlijk groen tapijt uit, waarop aardige, witte gebouwen
afwisseling brengen en de voorsteden van een stad van beteekenis
laten vermoeden.
Gratz is de voornaamste stad op de zuidhelling der Alpen in Oostenrijk;
ook is het de laatste uitlooper van het germaansche element in deze
streken. Naast deze plaats slaan al hoog de golven van de zee der
slavische stammen, die in Karinthië en Krain de meerderheid vormen en
die oudtijds zich verspreidden tot op den drempel van Toblach in het
Pusterthal, zooals uit de namen van allerlei plaatsen blijkt. Ten tijde
van de kolonizeering der Alpen door de Beierschen is het terugdringen
van die stammen begonnen en de slavische bevolking heeft eerst weer
stand gehouden even vóór Gratz, welke stad uit het Slavisch den naam
van haar vesting, Grad, heeft behouden. Toen de stad heroverd was, nam
ze den naam van Bairisch-Gratz aan in tegenstelling van Windisch-Gratz,
dat is Slavisch-Gratz, een stadje dicht bij de Drave.
De met bosschen bedekte heuvel bij die vesting, die als een eiland
uit de vlakte verrijst, en zich wel honderd meter boven de stad
verheft, is een sprekend uithangbord voor de stad. Hij zag er vrijwat
indrukwekkender uit, toen hij nog de torens en bastions droeg, waar
oude gravures de glorie van hebben bewaard en die door de Franschen
in 1809 zijn geslecht. De kanonnen, die in de open lucht dicht bij het
restaurant hun lange monden rekken, en die wij te zien krijgen, nadat
de kabelspoorweg ons boven heeft gebracht, hebben alleen vreedzame
bedoelingen, en de schitterende officier, die zijn paard mooie
kunstjes laat verrichten in de buurt, geeft slechts bevelen voor de
salvo's van den volgenden dag, den verjaardag van den keizer. Op den
feestavond vooraf zagen wij door het donkere dal een fakkeloptocht
langzaam retireeren, en terwijl de lichtende punten weken, klonk de
verzwakte nagalm der muziek tot ons op.
Toch heeft de Schlossberg nog wel iets karakteristieks, als men
er van het voornaamste plein naar opziet, en dat wel dank zij den
klokketoren met de reuzenwijzerplaat, het spitse dak met een houten
galerij eromheen en de overblijfselen van de bastions, waar nu
bloemperken zijn aangelegd. Op den top staat nog een ander monument,
dat aan de stelselmatige verwoesting is ontkomen, ook een toren
in renaissancestijl, door de inwoners teruggekocht na de algemeene
vernieling. De hellingen van den berg, die voorheen terugstootend
waren, zijn thans met groen bekleed door het initiatief van baron
Welden, en de idylle is nu heerscheres op het pantser van het
ontwapende monster.
Er zingen heele koloniën van vogels, naar het heet wel 26 soorten,
die door de goede zorgen van den Bund der Vogelfreunde getracteerd
worden op maaltijden van lekkere zaden, voorgediend in kleine houten
huisjes, een soort van open kooien, die hier en daar op palen zijn
neergezet. Dichterfiguren lachen u uit de boschjes tegen, een buste van
Schiller bijvoorbeeld, van Anastasius Grün of wel graaf Auersperg,
en Rosegger's heldin de Woudlelie leidt er onder het groen haar
lievelingshinde.
Een klein terras ten zuidoosten van den Schlossberg vertoont rondom een
onregelmatig pleintje drie der oudste gebouwen van Gratz, den Burcht,
den Dom en de oude Universiteit, gezag, godsdienst en wetenschap. Er
is niets overgebleven van de gebouwen die tot den vroegeren burcht
behoorden en dagteekenen uit het eind der elfde eeuw, toen de
markgraven van Traungau het slot bouwden. Zij waren de grondleggers
van de eerste eigenlijke stiermarksche dynastie. Dit gedeelte van het
romeinsche Noricum, dat na den val van het romeinsche rijk een tijd
lang een slavisch koninkrijk was, werd een mark of grensprovincie
van het rijk van Karel den Groote, toen deze de Avaren had onderworpen.
Karinthië, de mark der Karantanen, een slavischen stam, had ten doel,
Germanië te beschermen tegen invallen der Magyaren, die door keizer
Otto den Eerste afdoend teruggeslagen werden in den slag aan de Lech
in 955. Wat later verschenen de markgraven van Traungau, die aan het
land den naam van Stiermarken gaven, Steiermark, naar de stad Steir
of Steyer in Boven-Oostenrijk, waar zij de heeren van waren. Frederik
Barbarossa verhief Stiermarken tot den rang van hertogdom; maar toen
het huis Traungau uitgestorven was, werd Stiermarken bij Oostenrijk
ingelijfd als de Ostmark, later Oostenrijk onder de dynastie van
Babenberg, en zoo ontstond in de moedervloeistof der historie de
eerste kern van die kristallisatie, die de oostenrijksche monarchie
zou opleveren. Die kristallisatie zou nog heel wat troebelingen
moeten doormaken.
Het huis Babenberg stierf op zijn beurt uit, en toen volgde de tijd
van het groote interregnum. Hongaren en Bohemers betwistten elkander
Stiermarken. De koning van Boheme droeg de zege weg in den slag van
Kessenbrunn in 1260, en men zag er de banier van Stiermarken wapperen,
"groen als de kleur des velds, waar als levend een witte panther op
voortijlt". De heerschappij der Tsjechen breidde zich toen uit van
Boheme tot de Adriatische Zee.
Op dat oogenblik viel de beslissing, welke der drie rassen
in Midden-Europa het overheerschende zou zijn, het slavische,
het duitsche of het magyaarsche. Rudolf van Habsburg besliste de
quaestie ten voordeele van de Duitschers, toen hij koning Ottokar
in 1278 bij Bürrenkraut versloeg. De slavische macht stort ineen,
en de overwinnaar gaf Oostenrijk aan zijn zoon Albert, die hem
opvolgde. Zij waren daarna gedurende meer dan een eeuw van den
keizerstroon uitgesloten, maar hun afstammelingen herwonnen dien weer
in 1438, om er bijna niet weer van te worden verdreven. Gratz werd een
keizerlijke hoofdstad onder Frederik III (Frederik V van Stiermarken),
die in 1608 er geboren was; hij was de laatste keizer, die zich te
Rome liet kronen, de meester en beschermer van Aeneas Sylvius, die
Paus werd onder den naam van Pius II.
Het slot heeft uit dien ver verleden tijd niets anders overgehouden
dan een wenteltrap van 1500; van de restauratie, door Maximiliaan I
begonnen en eerst na zijn dood voltooid, in 1523, is niets over dan een
bronzen gedenkplaat. De afbraak in 1854 van een vleugel, aan Frederik
III toegeschreven, die met instorting dreigde, heeft een monumentale
trap doen verdwijnen, in 1570 door een italiaanschen architect
gebouwd, zoodat het slot, waar nu kantoren van de administratie
zijn gevestigd, geen andere belangrijkheid aanbiedt, dan dat het de
herinneringen oproept, die wij juist hebben gememoreerd, en die wij
willen besluiten door de toevoeging, dat Stiermarken zijn autonome
regeering verloor onder Jozef den Tweede, die den hertogshoed naar
Weenen liet overbrengen. Die hoed was toen allang niet anders dan
een embleem, en de Staten waren het laatst in 1728 samengekomen.
De oude, in 1586 gestichte universiteit, die eertijds onder het
bestuur der Jezuïeten stond, is onlangs verlaten geworden, en men
heeft de inrichting naar moderner gebouwen overgebracht, die in een
andere wijk der stad opgericht waren.
Het uitwendige van den Dom, die onder Frederik den Derde gebouwd is,
heeft niets aantrekkelijks. Een oude frescoschildering, die veel
geleden heeft onder de ongunst van het weder en boven een der poorten
is aangebracht, verhoogt volstrekt niet het vroolijk aanzien van het
gebouw, want zij schildert de plagen, die in 1480 de stad teisterden,
zooals de pest, de turksche horden, de sprinkhanen en dergelijke. Het
inwendige van het gebouw, dat gewit is, en alleen wat afwisseling
vertoont doordat er om de pilaren een nabootsing van tapijten is
aangebracht, is streng gehouden, en alleen de gekruiste balken van
de zoldering geven een idee van sierlijkheid. Op dit eenvoudige
gothische bouwwerk heeft men aanhangsels in rococo-stijl geplakt,
en zoo zijn de preekstoel, de gangen en het altaar toonbeelden van
wansmaak geworden als voor een kermistheater.
De mooie ijzeren hekken van de kapellen zijn veel beter; dat ijzerwerk
is een succes van de echte stiermarksche kunst. Aan elken kant van
het koor, dat smaller is dan het schip der kerk, volgens een in die
streken veel gevolgde gewoonte, staan twee groote reliekenkasten van
Italiaansch maaksel, die allegorieën voorstellen uit de "Trionfi"
van Petrarca, van ivoor gemaakt op ebbenhouten grond. Behalve op
het groote altaar, dat beschilderd is door Ignatius Flurer, is
het inlandsche schilderwerk alleen door italiaansche kunstenaars
behoorlijk vertegenwoordigd. Zij werden op het eind der zestiende
eeuw in het land geroepen door aartshertog Karel den Tweede en later
door diens weduwe, om bij gebrek aan inlandsche kunstenaars de kerk te
versieren. Het waren Giulio Licinio, leerling en neef van Pordenone,
en Peter de Pomis, waarschijnlijk een leerling van Tintoretto.
Indien de barokstijl zich ertoe heeft bepaald, op de strenge lijnen
van den gothischen dom wat versieringen aan te brengen, hij heeft
zich vrij kunnen laten gaan in het naburige monument, dat den naam
draagt van het Mausoleum. Dit is een werk van Peter de Pomis, dien
we als schilder hebben genoemd, maar die, zooals veel kunstenaars
uit dien tijd, ook bouwmeester was en zelfs militair ingenieur. Het
Mausoleum is een klein gebouw in den vorm van een latijnsch kruis,
met koperen koepels erop; de jonische gevel, die aardig versierd is,
vertoont goede proporties, maar die schuil gaan onder een verwarrende
menigte driehoekige en ronde frontons. Het inwendige, waar men fijn
stucwerk kan bewonderen, bevat in een onderaardsche kapel het graf
van keizer Ferdinand den Tweede van Stiermarken, den leerling van
de Jezuïeten van Ingolstadt, die in de geschiedenis van zijn land
bekend is, omdat hij er radikaal de hervorming uit heeft verdreven,
wat hem echter niet zeer moeilijk viel, daar de overtuiging van zijn
landgenooten niet bijzonder vast was.
Van het Franzensplein, door historische gebouwen omgeven, komt men
door hellende, kronkelende straten, waar nog eenige houten huizen
zijn te vinden van den stiermarkschen adel met in italiaanschen
stijl gebeeldhouwde portieken, op het hoofdplein, waar men den
karakteristieksten indruk van de stad krijgt door de vele oude huizen,
die beschilderd zijn of versierd met arabesken in gips. Daarop
ziet uit de hoogte de steile rots van den Schlossberg neer, waar
de lijnen van de nog gespaarde bastions verdwijnen onder het groen
bij den origineelen klokketoren, dien wij reeds als een kenmerkende
aanwijzing van Gratz hebben genoemd.
Midden op dit plein staat het monument voor aartshertog Johan, die in
1859 overleden is, den zoon van keizer Leopold den Tweede. Hij had
zich in het land gevestigd en riep er allerlei wetenschappelijke,
economische en weldadige instellingen in het leven. Daarbij was hij
een hartstochtelijk liefhebber van muziek en litteratuur, hield de
oude nationale gebruiken in eere en leeft in de herinnering van de
Stiermarkers voort als een nationale held, omgeven door een aureool,
die aan de legende schijnt ontleend.
In een der liederen heet het: "Zie daar staat hij op een steile rots
in stiermarksch costuum, daar staat aartshertog Johan nog altijd;
ze zeggen, dat hij gestorven is, o God; maar voor ons, Stiermarkers
leeft hij nog, zal hij altijd leven."
Hij staat hier op de markt een weinig pompeus, gedrapeerd in den
mantel met lange plooien, op het hooge voetstuk, omgeven door de
beelden die de vier rivieren voorstellen, de Mur, de Enns, de Save
en de Drave, van waar hij neerziet op de groote regenschermen der
kooplieden van fruit en groenten, met wie hij vroeger vertrouwelijk
een praatje hield. Hoeveel gemoedelijker is zijn houding als peinzend
Alpenjager op de schilderij van P. Krafft, die door Höffel's gravure
in het geheele land zoo verspreid is geworden.
Een groot modern raadhuis, vol regelmaat en ernst, in den stijl der
duitsche Renaissance sluit het plein af aan den hoek van de grootste,
drukste straat in Gratz, de Heerenstraat, waar de deftige paleizen in
den trant der voorname woningen aan den Ring te Weenen, meer en meer
de overhand krijgen. De Groote Kerk staat aan het einde der straat
met haar veel te drukke versieringen, die haar op een nogataart
doen gelijken, vooral door den klokketoren, maar tevens vindt men
in de Heerenstraat het interessantste huis van Gratz, het Landhaus,
het gebouw der provinciale regeering.
De eenvoudige, slechts in bescheiden mate versierde gevel doet denken
aan de strenge paleizen der Renaissance, met hun groote vakken,
door weinige gepaarde openingen afgebroken. Al het effect wordt
bereikt door de groote lijnen en door den indruk van kracht, dien de
gewilde bescheidenheid maakt. De achterzijde, die aan de Schmiedgasse
grenst, werd in 1531 voltooid en vertoont in de behandeling der
klassieke vormen sporen van duitsch werk; maar de hoofdgevel aan
de Herrengasse, in 1558 door Domenico de Lalio begonnen, toont
met de grootste duidelijkheid, dat de kunstenaar te Venetië heeft
gestudeerd. Het hoofdportaal, waarboven men een loggia ziet, gevormd
door de groepeering van tegenoverliggende vensters, door een klein
zuiltje gescheiden, is blijkbaar een herinnering aan het Canal Grande.
Vóór wij er binnentreden, zullen wij onze wapens in de vestiaire
moeten afgeven, zelfs ons broodmes, want een plakkaat van 1588
bedreigt diegenen met de doodstraf, die gewapend in het Landhaus
zullen binnengaan, en er rumoer of herrie maken. De binnenpleinen met
booggalerijen zijn zeer interessant, klassiek, maar ietwat theatraal
met hun dorische galerijen, rustend op pilaren met obelisken; dat alles
doet aan decoraties denken; de bouwmeester heeft stellig aan die op
linnen geschilderde werken gedacht, die de italiaansche kunstenaars
deden verrijzen op feesten ter eere van hun Maecenen.
In een hoek bespeuren wij echter iets meer origineels. Dat is de
overdekking van een put, een soort van bronzen zomerhuisje, als die
woorden, waarvan het eene aan lichtheid en het andere aan kracht doet
denken, te zamen genoemd mogen worden. Hier voorzeker gaan ze samen,
zoo gewillig heeft het brons zich geschikt naar alle luimen van den
kunstenaar, zoo fijn en teer zijn de verbingen en de spijltjes van
het opengewerkte koepeltje, waar de liefdegodjes op dolfijnen spelen
in de krullen van het lofwerk, zoo dun zijn de zuiltjes, door satyrs
gedragen, waarop éénarmige nimfjes balanceeren.
Dit merkwaardige stuk werd in 1590 uitgevoerd door de burgers van
Gratz, Thomas Auer en Max Wening, en doet de inlandsche kunst alle eer
aan. Terecht laat een geharnast ruiter de panthervlag van Stiermarken
boven zijn hoofd vrij uit waaien. Op den muur naast den put herinnert
een gedenkplaat eraan, dat de groote sterrenkundige Kepler te Gratz
verblijf hield van 1594 tot 1606. Hij was uit Tübingen erheen geroepen,
om wiskunde te onderwijzen, trouwde in het land, maar moest, daar
hij de leer der Hervormden was toegedaan en men dien godsdienst in
Stiermarken niet gunstig gezind was, het land verlaten, dat hem als
een nieuw vaderland lief was geworden.
Aan het Landhaus grenst een smal zeer typisch gebouw, het Arsenaal
of Tuighuis. Het is van 1642 tot 1644 gebouwd door Adam Wundegger en
heeft een belangwekkenden hoofdingang, geflankeerd door twee nissen,
waar de eenigszins gemaniëreerde beelden van Mars en Bellone staan in
decoratieve houdingen, die van den italiaanschen invloed getuigen. Wat
van het arsenaal in Gratz iets eenigs maakt in zijn soort is, dat het
geen museum is, geen kunstmatige opeenhooping van ongelijksoortige
voorwerpen, onttrokken aan hun natuurlijke omgeving, maar dat het
't wapenmagazijn der stad is, juist zooals het op het eind der
zestiende eeuw in gebruik was, toen de Staten er de noodige wapens
bijeenbrachten, die benoodigd waren voor het contingent, dat zij in
den strijd tegen de Turken hadden op te brengen. Er zijn daar meer
dan 28.000 voorname nommers, methodisch gerangschikt in lange zalen.
Hoewel het hoogst interessant is, zoo de merkwaardigheden op hun eigen
plaats te zien, toch moet men niet verzuimen, het museum een bezoek
te brengen, namelijk het Johanneum, zoo genoemd ter herinnering aan
aartshertog Johan, en gehuisvest in een elegant gebouw, dat in 1895
werd ingewijd. De belangrijkheid van dit museum is vooral gelegen
in zijn verzamelingen van cultuurhistorischen aard en in wat het aan
voortbrengselen van kunstnijverheid bezit.
Men vindt er kamers met prachtige lambrizeeringen, als in de eerezaal
van het kasteel Radmannsdorf in Weiz, van 1564; of bescheidenlijk
gestoffeerd, als dat boereninterieur, waarvan de groote kachel met
een bank eromheen het hoofdmeubel is en dat 's avonds alleen verlicht
wordt door een brandend stuk hout aan een ijzeren staaf gebonden;
of gemaniëreerd, als het rococosalon met japansch schilderwerk
op de paneelen. Verder zijn er reuzenkachels van porselein; fijne
clavecimbalen, die de voorloopers onzer piano's waren; allerlei ander
huisraad van onze vernuftige voorvaderen, zooals bij voorbeeld dat
braadspit, dat bewogen wordt door den rook uit den schoorsteen. En
dan historische merkwaardigheden, als de koets van keizer Frederik
den Derde, een lange karos met gotische bogen, gebeeldhouwd, verguld
en beschilderd; merkwaardige voorwerpen van goud en zilver, zooals
een vrouwehaarvlecht van zilver, afkomstig uit de veertiende eeuw,
die als zwaarwichtige herinnering door den weduwnaar om den hals
werd gedragen; de beker van den Landschadenbund, een meesterstuk
van augsburgsche goudsmeedkunst uit het einde der zestiende eeuw; de
zegelpers van de Landhausvergadering met den panther van Stiermarken
erop en versierd met geëmailleerde schilden en fijn filigraanwerk.
De heuvels en bergen rondom Gratz, die het dal der Mur omsluiten,
vormen een aantrekkelijk kader voor de mooie stad. De Franschman,
altijd galant, heeft haar eens genoemd, la ville des Grâces a la
rivière de l'Amour. Rondom de vlakte van het Gratzer Feld, die in het
Noorden afgesloten wordt door de hooge Alpenketenen, licht een dichte
opeenhooping van heuvels en dalen, vol schilderachtige hoekjes tusschen
weiden en bosschen, die als een mantel de hellingen bedekken, bezaaid
met witte kerkjes, pelgrimsoorden, als Maria Trost en Maria Grün. Het
zijn ook alle geschikte plaatsen voor uitstapjes, een aantrekkelijkheid
dus voor de vele burgerlijke en militaire gepensionneerden van de
Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, die deze stad bewonen en haar
den schertsenden naam Pensionopolis hebben bezorgd.
Onder de vele kasteelen, die om Gratz verspreid zijn, is het
belangrijkste het slot Eggenberg, met de stad verbonden door een
prachtige kastanjelaan. Het is een zwaar bouwwerk uit de zeventiende
eeuw, met roode daken en een menigte vensters, juist zooveel, heet
het, als het jaar dagen heeft. De groene luiken dier vensters steken
scherp af tegen de gele pleisterkalk. De familie van Eggenberg, een
der oudste van Stiermarken, maar die thans is uitgestorven nadat
zij uit in den adelstand verheven kooplieden der vijftiende eeuw
was ontstaan, heeft aan Oostenrijk een heele reeks staatslieden en
veldheeren geleverd. De bekendste is Ruprecht von Eggenberg, die
in 1503 den bloedigen slag bij Sissek won op de Turken, toen dezen
viermaal talrijker waren dan hun tegenstanders, terwijl de veldheer
van Oostenrijk hen tot den laatsten man in de Kulpa dreef. Toen
de Franschen Gratz in 1809 belegerden, vestigde Macdonald zijn
hoofdkwartier op het slot Eggenberg.
Boven Gratz loopt de Mur nog eenigen tijd in Stiermarken door een
breed dal tusschen met wijnbergen begroeide heuvels. Dichtbij het
punt, waar zij Hongarije bereikt, verheft zich boven op een hooge,
steile bazaltrots het kasteel Riegersburg, een wonderlijk complex
van bastions, binnenpleinen en geheime poorten, alles bedoeld
als verdediging tegen Turken en Hongaren. Het gebouw kreeg zijn
uitgebreidheid pas in de zestiende eeuw tijdens het beheer van een
vrouw, die een merkwaardigen zin voor bouwen had.
Dat gedeelte van Stiermarken, dat ten zuiden van het Murdal is gelegen,
omvat hoeken van de dalen der Drave en der Save, welke laatste het
van Krain scheidt. Daar de groote inhammen van de hongaarsche vlakte
er diep in doordringen, is het, zoowel uit natuurkundig oogpunt als
wat de bevolking aangaat, zeer verschillend van Boven-Stiermarken,
waaraan het alleen door het toeval der staatkundige grensregelingen
is verbonden en dat duitsch, niet, zooals het Zuiden, slavonisch is.
Marburg, waar admiraal Tegetthof, de held van Lissa geboren werd,
is er feitelijk de voornaamste stad van; maar Cilli is het centrum
van de slavonische politieke verlangens. Die stad, waar, toen zij nog
Celeja heette, de proconsuls Pertinax, Septimius Severus, Valerianus
en Aurelianus resideerden, voor ze keizers werden, heeft nog andere
dan romeinsche herinneringen.
De macht der graven van Cilli groeide in de veertiende eeuw snel aan
en ging echter spoedig te niet in de vijftiende. Herman de Eerste
huwde de dochter van den koning van Bosnië; zijn neef Wilhelm trouwde
met de dochter van den koning van Polen, Casimir den Groote, en zijn
dochter besteeg den troon van Polen als echtgenoot van den eersten der
Jagellonen, Wladislaw. Diens zoon, Herman de Tweede, was de gunsteling
van den hongaarschen koning Sigismund, in 1410 tot koning gekozen, die
met zijn dochter Barbara trouwde en haar met voorrechten overlaadde.
Maar daarna neemt de geschiedenis een tragische wending. De oudste zoon
van Herman den Tweede, Frederik, doodde zijn vrouw, om een adellijke
jonkvrouw uit Kroatië, Veronica, te trouwen. Zijn vader liet hem in
de gevangenis werpen en was voornemens hem te onterven. Intusschen
stierf zijn tweede zoon door een val van zijn paard, en daar de
koning van Bosnië hem zijn kroon had nagelaten, moest hij zich met
zijn oudsten zoon verzoenen. Maar eerst wilde hij zich van Veronica
ontdoen. De jonge vrouw ontvluchtte en leidde in de bosschen een
zwervend leven. Men maakte zich van haar meester en trachtte haar
als toovenares veroordeeld te krijgen onder beschuldiging, dat
zij den graaf behekst had. Toen de rechters geen bewijzen tegen
haar in handen konden krijgen, liet graaf Herman haar in het bad
verdrinken. Nadat dit bezwaar uit den weg was geruimd, verzoende hij
zich met zijn zoon Frederik, die bij zijn dood door keizer Sigismund
tot den rang van rijksvorst werd verheven. De zoon van Frederik,
Ulrich de Tweede, die ertoe had bijgedragen, dat de jonge Ladislas
tot koning van Hongarije was verkozen, een zoon van keizer Albert den
Tweede, zette het kind geheel naar zijn hand en nam de eerste plaats
in het rijk in. Hij werd te Belgrado vermoord door een zoon van zijn
doodsvijand, Johan Hunyados. De heraut riep op zijn graf driemaal uit:
"Vandaag nog graaf van Cilli en voortaan nooit meer!" Hij brak het
schild met het wapen, en het huis Cilli had opgehouden te bestaan.
Laat ons op onze schreden terugkeeren en naar Boven-Stiermarken
gaan, waar we minder historische herinneringen zullen aantreffen,
maar een schilderachtiger natuur, ook grootscher landschappen, en
waar we ons in het echte hart van Stiermarken bevinden. Wij hebben
bij Bruck het dal verlaten, waarin tot nu toe de Mur vloeide, om
met de rivier ons te begeven naar de kloven, leidend naar Midden-
en Beneden-Stiermarken. Daarna komen wij in dat dal terug, als we de
oevers van de Mürz volgen, die er dan door stroomt.
Het landschap vervult nog niet de gedane beloften. Het dal is
breed, bebouwd, omgeven door middelmatig hooge bergen en wordt door
talrijke dalen, die een eentonige reeks beboschte driehoeken vormen
op de hellingen, doorsneden. Men krijgt nog geen vermoeden van de
schoonheden van het hooge bergland, want om die te vinden, moest men
de dalen aan den linkerkant hoogerop volgen.
De streek, waar wij nu zijn, is rijk aan legenden. Daar ligt op een
bergtop het pelgrimsoord Rehkogel, waar een herder in het bosch geiten
geknield vond liggen voor een beeld van de Moeder Gods. Te Krieglach
dreef er eens een kruikje met het portret van den H. Jacobus op het
meer, dat toen nog het dal vulde, en op de plek, waar het kruikje
aan land spoelde, werd een kapel gebouwd. In een naburigen berg
hoort men steeds een kindje schreien, dat door de moeder verlaten
werd. Deze had in een grot hoopen goud en kostbare steenen gevonden,
waardoor ze haar kind vergat en de plaats niet kon terugvinden, waar
ze het gelaten had. Ginds is een rots, genaamd de Teufelstein, basis
van een toren, dien de duivel eens wilde bouwen in den Kerstnacht en
die tot den hemel reiken zou, een onderneming, die jammerlijk mislukte.
Hier in de buurt zijn ook nog overblijfselen te vinden van
versterkingen tegen de Turken. De Fischbacher Alpen zijn inderdaad
de kam van het naar Hongarije afdalende bergland; de Raab en zijn
zijtakken dalen ervan af naar de vlakte. Men vond er vroeger een
reeks kasteelen en "tabors". Men noemde tabor een kring van huizen
rondom een kerk, en ingesloten door een muur met schietgaten en door
een gracht. De bevolking zocht daarbinnen een schuilplaats, als de
ottomaansche benden aanrukten.
In dit land van de Raab verrijst ook het oude klooster Vorau, gesticht
in 1163, waarop de aandacht der paleografen is gevestigd door de
vondst van de Keizerkroniek, een rijmkroniek uit de twaalfde eeuw,
en waar men nog veel andere documenten vindt, die van waarde zijn
voor de geschiedenis van het land.
Dichtbij Krieglach staat de Kluppeneggerhof, waar Rosegger in 1843
geboren werd, de nationale stiermarksche dichter en schrijver,
die met fijne opmerkingsgave den bergbewoner van zijn land heeft
geschilderd en daardoor gelegenheid heeft gevonden voor het teekenen
van zooveel aardige, typische tooneeltjes, vol karakteristieke trekjes,
nog interessanter gemaakt door het dialect, waardoor hij een der
origineelste schrijvers van Oostenrijk is geworden. Dat dialect is door
hem tot den rang van schrijftaal gerezen en er verschijnt daarin sedert
1876 ook een maandblad "Der Heimgarten", waarvan Rosegger redacteur is.
Stiermarken is door aartshertog Johan, die het land goed kende,
genoemd het land van hartelijkheid en gemoedelijkheid. Het is ook
een land van dans en vroolijkheid, waar de paren zwieren bij de
muziek van het "Hackbrett" een snaarinstrument, dat met twee hamers
bespeeld wordt, en de stiermarksche volksdans heeft ver de grenzen
van zijn vaderland overschreden en is in de internationale opera's te
huis. De dans voert den zang in zijn gevolg, en Rosegger heeft eens
aldus de prijzen uitgereikt aan de landen der Oostenrijksche Alpen:
Stiermarken gaat voorop met de dichtkunst, dan volgt Karinthië met
muziek en daarna Tirol met beeldende kunst. Het bergland trilt van de
liedjes van de Alm, die houthakker, jager en strooper zingen en die
tot tal van nabootsingen hebben aanleiding gegeven, zoodat Rosegger,
die het beroemdst is geworden, niet alleen staat.
Maar zullen die originaliteit en die eenvoudige gevoelens lang bestand
zijn tegen de invasie van toeristen en Zondagsgasten?
Hoewel wij nog 130 kilometer van Weenen verwijderd zijn, begint de
groote stad toch al haar makers van uitstapjes hierheen te zenden,
en tal van treinen brengen massa's toeristen naar Mürzzuschlag. Des
winters is het een centrum voor de skisport, die er zachte, bijzonder
geschikte hellingen vindt, en jaarlijks hebben er wedstrijden plaats,
internationale zelfs, die een aantal mededingers lokken, tot zelfs
uit Noorwegen.
Te Mürzzuschlag verlaten wij de Mur, maar volgen toch nog steeds de
inzinking in het bergland, die we bij het begin der reis gekozen
hebben. Nu vloeit er de heldere beek, de Fröschnitz, door een
landschap, dat met weiden en bosschen een echt Alpenkarakter heeft. De
bedoelde kloof loopt stijgend voort tot aan den Semmering, waar het
bergland zich verbrokkelt in Beneden Oostenrijk, maar men kan haar
dan nog volgen door het dal der Leitha. De Alpen zijn er ten einde,
want zij zenden slechts een zeer onbeduidend takje als Wienerwald
tot aan de poorten der hoofdstad en de oevers der Donau.
De Semmering, die zooals wij zeiden tot het gebied van Weenen behoort,
is te cosmopolitisch geworden, dan dat wij er ons lang behoeven op
te houden, en als wij dan ook op onze schreden terugkeeren, vinden
we in het bovendal der Mürz een echt stiermarksche streek met het
dorp Neuberg, welks huizen gedrukt worden door de aanwezigheid van
een hooge kerk zonder toren, oprijzend uit een groep gebouwen van
kloosterachtig aanzien.
Dat is inderdaad een Cistercienser klooster, gesticht in 1327 door
Otto den Vroolijke, wiens naam een droevige tegenstelling vormt met
het treurig lot van zijn broeder Frederik den Schoone, hertog van
Stiermarken. Deze was eerst voor de keizerlijke waardigheid bestemd,
maar hij werd verslagen en gevangen genomen bij Mühldorf door zijn
mededinger Lodewijk van Beieren. Ten gevolge van dien tegenslag werden
zijn haren plotseling grijs, zegt de kroniek, en zijn vrouw werd
blind van het vele schreien. Het klooster werd in 1783 geseculariseerd
door Jozef den Tweeden, en de binnenpleinen, die openbare doorgangen
zijn geworden, zoowel als de groote gewitte gangen, waarop de deuren
uitkomen van woningen en kantoren, zien er verwaarloosd uit als dingen,
die niet meer voor hun ware bestemming worden gebruikt.
Die indruk van verwaarloozing blijft iemand ook bij onder de hooge
gewelven van de kerk, die tegen het einde van de vijftiende eeuw
voltooid werd onder keizer Frederik den Derde. Alles is er vervallen
en koud en vochtig. De proporties zijn mooi, en aan de onderdeelen
is indertijd veel zorg besteed. In stoffige hoeken ziet men resten
van oude pracht, bij voorbeeld een prachtig gothisch doopvont, een
merkwaardigen stoel met troonhemel, de portretten van de stichters
der kerk, maar alles dooreen en ongeordend in het ruime schip der
kerk zonder koor of zijbeuken.