Een vliegreisje in het Land der Rijzende Zon

Door T. TJ. DE BOER.

Onlangs gaf een mijner collega's een' al te enthousiasten

aspirant-zeeman den raad: "Als je wat van de wereld wilt zien, ga

dan niet naar zee."

Dit nu klinkt paradoxaal, maar er ligt toch een grond van waarheid

in. Weliswaar bezoeken wij vele plaatsen, doch de zeehavens der wereld

zijn tot op zekere hoogte allen gelijk.

Eerstens is er altijd een groote categorie van menschen, met wie

wij niet in aanraking komen, omdat wij meestal geene introductie

hebben. Dan zijn er de kooplui, die, zoowel aan wal als aan boord,

den armen zeeman steeds trachten af te zetten, hetgeen hij zich met

werkelijk verwonderlijke onverschilligheid laat welgevallen. Verder

zijn er de koelie's, die onder ons toezicht het schip moeten lossen en

laden, en evenmin een hoog als een juist denkbeeld geven van het volk

waartoe zij behooren. En ten slotte is er de buurt waar de zeeman op

de meest ergerlijke wijze wordt geplukt, en die het maar het best is

te mijden.

Bovendien hebben wij vaak weinig tijd en blijft de gelegenheid om

aan land iets te zien wat de moeite loont, gewoonlijk beperkt tot des

avonds of tot een enkelen vrijen Zondag; juist genoeg om ons te doen

wenschen er meer van te kunnen genieten.

Stoomen wij b.v. van Aboji (straat van Simonoseki) naar Kobe door

de Binnenzee van Japan, eene reis van één etmaal, dan valt er veel

te bewonderen. Het kalme, spiegelgladde water, de honderden groene

eilanden en eilandjes, de witte dorpjes, die soms als een vlucht

rustende vogels aan den rotswand schijnen te hangen, en 's avonds het

glanzende maanlicht, de blauw-lichtende zee en de ontelbare lichtjes

der vreemdsoortig gevormde visschersvaartuigen ... dat alles vormt

een bekoorlijk geheel, en wekt in ons het verlangen op, dieper in

het onbekende land door te dringen, een verlangen, dat slechts zelden

bevredigd wordt en, gevoegd bij de kleine ongemakken, aan ons beroep

onvermijdelijk verbonden, een zekere onvoldaanheid teweegbrengt, die

aanleiding geeft tot overdreven verzuchtingen. Want hoe vroolijk de

zeeman ook aan land moge zijn, aan boord is hij een onverbeterlijke

mopperaar.

Slechts aan een geluksvogel, zooals ik was, is het soms gegeven,

land en volk beter te leeren kennen.

Ik lag nl. in September j.l. met mijn schip te Kobe. Wij hadden één

passagier aan boord, een jongmensch, die voor zijn genoegen een reis

met ons meemaakte. Deze wilde eenige dagen in Japan reizen en door

de goedheid van den gezagvoerder kreeg ik verlof, met hem mee te

gaan. Het schip moest nog naar Yokohama en daarna weer terug naar

Kobe. Tot zoolang mocht ik wegblijven.

Door dezen samenloop van omstandigheden ben ik in staat gesteld, mijnen

lezers eene beschrijving te geven van mijn reis door Japan, het land,

dat door zijn ongekend aanpassingsvermogen de geheele wereld heeft

verbaasd en vooral in dezen tijd ieders belangstelling opwekt. Uit

den aard der zaak is deze beschrijving vluchtig en onvolkomen;

zij maakt volstrekt geen aanspraak op volledigheid, want om een goed

denkbeeld te kunnen geven van dit vreemde en unieke land, moet men

er veel langer vertoeven.

Wij vertrokken 's morgens om 8 uur van boord en lieten ons met een

bootje naar den wal roeien. Een ambtenaar van de douane visiteerde

onze koffers en liet, toen ik mijn kwaliteit bekend maakte, ons met

een ongewoon groote hoeveelheid sigaren ongehinderd door.

Kobe is de drukste havenstad van het land en ligt heel mooi tegen de

bergen aan. Doch wij konden ons hier niet ophouden, lieten ons per

"jinrickisja" naar een kennis brengen, die ons eenige waardevolle

inlichtingen verstrekte, en daarna naar het station.

De jinrickisja (letterlijk: man-kracht-rijtuig), kortweg genoemd

"ricksja", is een hoog, tweewielig voertuig, voorzien van een opzetbare

kap, dat door een man getrokken wordt met een vrij groote snelheid. Het

is het vervoermiddel bij uitnemendheid in Japan, tenminste over niet

te groote afstanden, en heeft van hier zijn weg gevonden naar bijna

alle plaatsen in Oost-Azië. Wij namen een biljet 1ste klasse naar

Tokyo en vertrokken om 10 uur van Kobe.

Het land is over 't algemeen bergachtig en ziet er vruchtbaar

uit. Eigenaardig zijn de vele reclames, op groote borden overal

langs den spoorweg geplaatst. Soms zijn het meer dan levensgroote

menschenfiguren, dan weer enorme flesschen of theepotten of rijwielen,

niet altijd even artistiek, ook ziet men wel hoog tegen de groene

bergen geweldig groote, witte Japansche karakters afsteken,

die den roem van de eene of andere bier- of theesoort mijlen ver

verkondigen. Ten 12.25 verlieten wij te Kyoto den trein. Dat gaat in

Japan zeer gemakkelijk: zoo'n biljet is nl. vijf dagen geldig, het te

laten afteekenen onnoodig. Ook hebben de reizigers 50 kilo bagage vrij.

Kyoto is een groote stad met ± 350000 inwoners. Bijna elf eeuwen

lang was het de hoofdstad van het rijk, totdat in 1869 de zetel der

regeering naar Tokyo verlegd werd.

Wij reden, natuurlijk weder per ricksja, de geheele stad door naar

het Kyoto-hôtel. Dit is zeer mooi gelegen, en biedt een ruim uitzicht

aan over de stad met hare ontelbare, grillig gevormde daken, en met

de bergen tot achtergrond.

Na de lunch gingen wij er op uit, om wat van Kyoto te zien. Het eerst

naar de Hongan-ji, een Boeddha-tempel.

Het Boeddhisme, in de 6de eeuw uit Voor-Indië via China in Japan

ingevoerd, is heden ten dage de meest populaire godsdienst. Het is

verdeeld in 12 secten, die tezamen meer dan 70000 tempels bezitten,

met 60000 bonzen (priesters).

Een vlucht van drie breede, steenen trappen bracht ons bij den

eigenlijken tempel, waaromheen weer kleinere gebouwen zijn, die

tezamen eene groote uitgestrektheid beslaan met tuinen er rondom,

waarin vijvers, bloemperken, enz. Vóór wij binnengingen, werden ons

een paar rood-linnen overschoenen aangetrokken met vervaarlijke punten

(zoo ongeveer als de hofnar van Lodewijk XIV moet hebben gehad),

en daarna werden we in het binnenste van den tempel toegelaten.

Het daglicht drong slechts getemperd tot hier door en het was er

doodstil. Bewonderend keken wij rond. Een altaar, schitterende

van goud, zilver, koper en lakwerk in alle kleuren, een prachtige

troonhemel voor den opperpriester, groote bronzen stellages met tal

van koperen klokjes behangen, vreemdsoortig snij- en lofwerk, nooit

geziene muziekinstrumenten ... dat alles bracht ons in verwarring.

Ter zijde van het altaar een groot, koperen beeld van Boeddha, de

beenen gekruist onder het lijf en de handen in den schoot met de

palmen naar boven en de knokkels tegen elkaar, den indruk gevende

van intense, passieve, passielooze rust.

Doch daar werd de stilte verbroken. Een op de hurken zittende bonze

sloeg met een stok met dikken knop op een trom van zeer bijzonderen

vorm; met dezelfde regelmatigheid als de balans eener machine ging zijn

arm op en neer, terwijl hij met eentonige stem uit een voor hem liggend

boek half zong, half las. Dof en somber weerklonken de slagen in de

hooge gewelven. Wij haalden diep adem toen wij weer buiten kwamen,

het contrast was ook zeer groot. Een vroolijk zonnetje scheen, vogels

zongen in de boomen en bloemen geurden langs groenomzoomde vijvers,

vol dartelende goudvischjes.

In een afzonderlijk gebouw hing een enorme bronzen klok, wegende

60000 kilo's. Een dikke, horizontale paal, op halver hoogte der

klok opgehangen, kan er door middel van een touw tegenaan gerammeid

worden. Het geluid moet zeer sterk zijn.

We reden voorts nog door een mooi park en daarna naar het station,

teneinde een uitstapje te maken naar Kameoka, een klein plaatsje,

een uur sporens van Kyoto gelegen.

De weg was steeds stijgende en we bevonden ons spoedig te midden

der bergen. Prachtig was het uitzicht. Langs de spoorlijn stroomde

de Hodzu-gawa, een woeste bergstroom, die, vooral waar steenen

en rotsblokken zijn weg willen belemmeren, bruisend opstuift en

schuimend verder gaat. Achtereenvolgens passeerden we acht tunnels,

enkele zeer lang, en een brug over bovengenoemde rivier, die uit een

enkele 85 Meter lange spanning bestaat. Ons plan was, van Kameoka

met een bootje de Hodzu af te varen, een terecht vermaarde tocht,

die geen enkel toerist mag verzuimen.

Om halfzes staken wij van wal in een platboôm-vaartuig, met vier Japs

bemand. Twee roeiden langs de meer kalme gedeelten, één stond voorin

met een stok, en één achterin, sturende met een riem. In 't begin

was er weinig stroom, maar weldra begonnen de stroomversnellingen,

en wanneer wij dan met vliegende vaart langs de overal verspreide

rotsblokken schoten, terwijl het water onder ons en om ons kookte en

ziedde en spatte, had de stuurman al zijne kalmte en koelbloedigheid

noodig, om geen ongelukken te veroorzaken. Soms leek het ons toe,

dat er geen uitweg was, als zouden wij te pletter slaan tegen een'

grooten steen, die dreigend den weg versperde. Doch juist op het

kritieke moment gaf een duw van den man vóór in de boot, of een

behendige draai van den stuurman den steven eene andere wending,

dadelijk gevolgd door dezelfde manoeuvre den tegenovergestelden

kant uit, en het volgende oogenblik--rakelings langs de scherpe

granietmassa's schietende, terwijl de platte bodem op en neer golfde

door de aanraking met de bedding der rivier en het melkwitte schuim

ons bespatte--waren wij de gevaarlijke bocht reeds gepasseerd.

Het was heerlijk, een nieuwe, geheel eenige emotie! En bij de

kronkelingen van den stroom telkens een ander uitzicht, telkens een

nieuw panorama van bergen. In de lente, als de oevers bezaaid zijn

met roode azalea's, moet het bovenal mooi zijn.

Intusschen werd het reeds duister, doch nog geenszins verveelde ons

de tocht. En toen spoedig daarna de volle maan boven de bergen rees

en met zilveren licht en fluweelen schaduw speelde, werd het tooneel

tooverachtig en maakte een diepen indruk op ons.

Eindelijk waren de stroomversnellingen achter den rug en dreven

wij over den zich verbreedenden vloed kalm voort. Uit de theehuizen

aan den waterkant klonk zang en dans van "geisja's", en bootjes vol

jongelui voeren ons voorbij met muziek, die zachte, droomerige muziek

der Japanners.

Het was zeven uur toen wij te Saga weer aan wal stapten en naar Kyoto

terugspoorden. Wij aten in een Japansch restaurant, gelegen op een

zeer druk punt, uitgebouwd boven de rivier en verlicht door kleurige

lampions, waar wij door jonge meisjes in nationaal kostuum bediend

werden--zooals trouwens in alle hôtels, restaurants, logementen en

theehuizen in Japan;--daarna wandelden wij de stad eens door.

Indien het mooi weer is--en dat is het bijna altijd in dit

bloemenland--heerscht er tot diep in den nacht voortdurend een

vroolijke drukte op straat. Alles is uniek en zonderling en oefent eene

ongewone bekoring uit op den vreemdeling, die hier voor het eerst komt.

Krijgt men van de koelies aan boord, met hunne half brutale, half

bevreesde houding en eene mengeling van arrogantie en nieuwsgierigheid,

geen gunstigen indruk, die indruk verdwijnt spoedig, indien men nader

met het volk in aanraking komt. Hunne beleefdheid, ook jegens elkander,

is spreekwoordelijk; nergens heb ik zóóveel zien buigen; zelfs wanneer

twee ricksjakoelies elkander iets mededeelen, gaat zulks met vele

strijkages gepaard; en het is werkelijk een typisch gezicht, als men

eene familie eenige kennissen van den trein ziet halen. Waarlijk,

in dit opzicht kunnen wij met onze westersche beschaving veel van

hen leeren. En die beleefdheid gaat hen zoo natuurlijk af, dat men

voelt dat zij uit het hart komt.

Het levendige gewoel door de meestal nauwe straten, de vreemde kleeding

en typen die men ziet, de rijk voorziene winkels, waar zooveel moois

uitgestald wordt dat men in Europa zelden of nooit tegenkomt,... dat

alles maakte ons het scheiden moeilijk; eindelijk zochten wij toch

ons hôtel op en begaven ons ter ruste.

De tweede dag was bestemd voor een bezoek aan Nara, een aardig stadje,

2 uren sporens van Kyoto. De weg er heen biedt mooie vergezichten aan;

men vindt er uitgestrekte theeplantages.

Midden in het stadje is een groote vijver, die wemelt van schildpadden

en roode en bruine karpers. Klapt men in de handen, dan komen zij

allen aanzwemmen, en werpt men ze brood toe, dan is het een leuk

gewemel van pooten en koppen en schilden en vinnen; en 't is geen

ongewoon gezicht, een karper boven op een kluwen van schildpadden

te zien spartelen, één voet boven het water. De visschen, met hun

grooteren bek, zijn er het best aan toe; men zou dus gevoegelijk van

karper-aandeel kunnen spreken. Na hier lang genoeg vertoefd te hebben,

lieten wij ons naar den Kasuga-Miya brengen, een Shinto-tempel.

De Shinto-dienst is een inlandsche godsdienst en bestaat in de

vereering der keizerlijke voorvaderen, helden of geleerde mannen, die

veel voor het rijk opgeofferd hebben. Er zijn bijna 200.000 altaren

en tempels, over geheel Japan verspreid, waarin meer dan 800 goden,

halfgoden en heroën worden gehuldigd.

Men kan een Shinto-tempel altijd gemakkelijk van een Boeddha-tempel

onderscheiden door de "Torii", een poort van bijzonderen vorm en van

hout of steen vervaardigd; terwijl men tot de laatste toegang verkrijgt

door de "Sanmon", een poort van twee verdiepingen. Ook zijn de eerste

gewoonlijk veel eenvoudiger van constructie en minder mooi versierd.

Onder de rood-verlakte Torii doorgaande, voert een smalle weg,

aan weerskanten beplant met eeuwenoude denneboomen, naar den

tempel. Honderden tamme, heilige herten loopen hier vrij rond

en eten uit onze hand de koekjes, die in kraampjes te koop worden

aangeboden. Overal langs de lanen van het park, waarin deze tempel met

nog eenige andere gelegen is, staan ijzeren of steenen lantarens van

drie voet tot drie meter hoogte, die tezamen het respectabel aantal van

3000 bereiken, welke ééns per jaar van lampjes voorzien en aangestoken

worden, het park herscheppende in een feeëntuin. Verder vindt men er

gansche straten van winkels, waarin alleen voorwerpen worden verkocht,

vervaardigd uit de geweien der heilige herten.

Geheele scharen bezoekers dwaalden door de kronkelende laantjes en

bleven soms voor een of ander altaar staan, ten einde een kort gebed

te doen of een handjevol rijst te offeren.

Het merkwaardigste was wel een stal met een heilig paard er in, dat men

voor een paar centen een zekere hoeveelheid boonen te eten kon geven,

benevens eenige gepoederde dansmeisjes, die, ook al weer voor geld,

een heiligen dans uitvoerden.

Vervolgens reden wij naar het eigenlijke doel van den tocht: de

Daibutsu of groote Boeddha, die zich bevindt in den tempel genaamd

Todai-ji, gesticht in de 8ste eeuw. Deze tempel is 50 meter hoog,

90 meter lang en 55 meter breed en bevat weinig meer dan het enorme

beeld, het grootste in geheel Japan. Met de beenen gekruist onder

het lijf, zit de Boeddha op een lotus-bloem, die eveneens van koper

is. In drie jaren tijds is men er, na herhaalde mislukkingen, in

geslaagd dit beeld te gieten.

Wederom trof mij die massale rust, die glimlach van absolute

onpersoonlijkheid; hier echter is de rechterhand waarschuwend

opgeheven. De oogen staren oneindig ver weg, als om aan te duiden,

dat de ziel van den Boeddha in het Nirwâna vertoeft.

Overweldigend moet de indruk van het beeld zijn op den eenvoudigen

geloovige, die opziet naar zijn Meester. Niet de vrees van den wilden

heiden, die slechts aarzelend zijn angstaanjagend afgodsbeeld nadert

en door allerlei formules diens toorn en wraak zoekt te bezweren, maar

eerbied en bewondering vervullen hem voor den mensch, voor Gautama,

den Boeddha, den Indischen prins, die vóór vierentwintig eeuwen vrouw

en kind, rijkdom en macht, troon en vaderland verliet om de Waarheid

te zoeken, en Haar eindelijk, na lange jaren van lijden en ontbering,

twijfel en dwaling, vallen en opstaan, vond in zijn eigen hart....

Niet ver van dezen tempel staat een pagode van vijf verdiepingen

(er zijn er wel met tien), waarvan de fraaie lijnen onze bewondering

afdwongen. De spits is zeer eigenaardig en doet denken aan een

kurketrekker.

Daar hiermede het voornaamste van Nara was gezien, zochten wij

een Japansch restaurant op. Hier vroeg men ons, zooals trouwens

bijna overal, of wij Amerikanen waren; niet, omdat wij er zoo echt

Yankee-achtig uitzagen, maar, naar ik veronderstel, omdat van de

touristen de Amerikanen het grootste percentage vormen. Ze kenden

echter allen Holland, ook al hadden ze dikwijls nooit van Amsterdam

gehoord.

Doch niet alleen uit het Oosten, ook uit het Westen komen jaarlijks

vele vreemdelingen Japan bezoeken. Het verwonderde mij daarom, dat

wij altijd nog de aandacht trokken. Vaak merkte ik op, dat moeders

ons hunnen kinderen aanwezen. Of dat steeds met even vleiende woorden

gepaard ging, durf ik betwijfelen. Misschien vertelden zij de kleinen

wel, dat dat nu "die blanke barbaren met hunne leelijke, ronde oogen"

waren, of dat zoo ongeveer de groote Russen er uitzagen, die van de

kleine Japanners zoo leelijk op hun gezicht kregen.

Stonden wij b.v. in een winkel, die veelal over dag aan de straatzijde

geheel open is, dan verzamelde zich al spoedig een groepje menschen

er voor en keek nieuwsgierig naar ons, maar week beleefd op zijde,

als wij weer op straat kwamen. Was de winkelier soms aan het einde van

zijn Engelsch gekomen, dan trad gewoonlijk iemand uit het publiek, die

zich daartoe bekwaam achtte, naar voren en deed dienst als tolk. Hij

glom dan van genoegen, zeker evenveel door het toonen van zijn kennis

als het believen van den vreemdeling.

Over het algemeen spreken in Japan de lieden, die met Europeanen in

aanraking komen, vrij goed Engelsch en dat is maar goed ook. Want

hunne taal leert men niet spoedig, vooral omdat zij vreemde

karakters gebruiken. In de havenplaatsen worden op uithangborden,

naamplaatjes enz. wel altijd de gewone letters er onder gezet--waarbij

soms vermakelijke fouten worden gemaakt--doch in het binnenland

ziet men zulks zelden. En met gebarentaal ondervond ik altijd

moeilijkheden. Niemand heeft die taal geleerd, hoewel elk haar kent,

maar ieder kent blijkbaar een verschillende. Wanneer ik iets duidelijk

meende uitgelegd te hebben, zoodat mijns inziens geen vergissing

mogelijk was, bleek de andere iets geheel anders te hebben begrepen. En

beiden vonden wij het erg dom en onbegrijpelijk van elkaar.

Om half vijf waren wij weer in Kyoto terug en gingen eten in het reeds

genoemde restaurant, waar men een zeer goede, europeesche tafel krijgt

voor niet veel geld.

Daarna bezochten wij een "Shibai" (theater). Kyoto is de bakermat

der Japansche tooneelkunst. Een zijner inwoners verzamelde eeuwen

geleden jongens en meisjes, die dansen konden, en deed hen opkomen

op een stellage te midden van een grasveld. Vandaar de naam Shibai,

d.i. "zittende op het gras".

In de zoogenaamde Theater-straat, die men hier in alle groote steden

aantreft, is het dag en nacht een vroolijk gewoel, een kleurengewemel

van prachtige zijden vlaggen, die, zeer lang en zeer smal, van hooge

staken neerhangen of de geheele breedte der straat overkronkelen,

en een geschitter van kleurige, papieren lampions, alsof het altijd

feest ware.

Aan de gevels ziet men niet onverdienstelijk geschilderde dramatische

scène's of komische tooneelen--de eerste het meest--afgebeeld, en

van alle kanten hoort men de tonen der muziek, die voor bioscoop of

acrobaten-troep het publiek moeten lokken. Kermisphotografen vindt men

er in menigte, waarzeggers eveneens; theehuizen, curiositeitenwinkels

en café-chantant's wisselen elkander af. Hier zitten in een winkel een

zestal jonge meisjes met vaardige hand en veel smaak prentbriefkaarten

te kleuren; daar is een wassenbeeldenspel, waarin men steeds dezelfde

woeste krijgers in oud-nationaal kostuum met korte haarvlecht en

wreede gelaatstrekken opmerkt, terwijl vóór den voorhang een kleine

doch griezelige groep de aandacht moet trekken; ginds weer hoort men

van de bovenzaal van een restaurant de banjo klinken.

En de ricksja's voeren geen lantarens, maar lampions; de krantenjongens

roepen niet, maar hebben een bel rond hun middel gebonden; ieder loopt

met een waaier; de vrouwen en meisjes dragen geen hoed, maar hebben

allen bloemen in het donkere haar, dat bij de ongetrouwden op een

bijzondere manier is opgemaakt, bij de getrouwden glad naar achteren

weggestreken; zij dragen, evenals de mannen, klompjes, bestaande

uit een plat stuk hout met twee verticale plankjes er onder--hoe

vuiler de straat des te hooger de plankjes--, welke klompjes worden

vastgehouden door bandjes, die tusschen de van een teen voorziene kous

doorgaan. Bij het loopen hoort men een eigenaardig, klapperend geluid.

Wij traden het voornaamste theater binnen en ontvingen een programma,

waarop in het Engelsch de naam van het drama en de prijzen der plaatsen

vermeld stonden. De rest was geschreven met die kabalistische teekens,

die, bij alle onaangename herinneringen aan evenwijdige streepjes,

die nooit evenwijdig, en puthaakjes, waarvan er nooit twee gelijk

waren, ons toch onszelven gelukkig doen prijzen, dat we geen Japansche

schooljongens geweest zijn.

Als men in Japan een theater binnenkomt, merkt men altijd in

het portaal, dat de geheele breedte van het gebouw beslaat, een

ontzaglijke hoeveelheid klompjes op, die aan den wand hangen,

allen genummerd. Behalve de Europeanen gaat n.l. ieder op zijne

sokken binnen.

Het geheele gebouw is electrisch verlicht en het zacht glooiende

parterre verdeeld in vierkante hokjes, slechts gescheiden door latten

en met matten belegd, waarin vier personen kunnen plaats nemen, hetgeen

zij doen hurkende of zittende op hunne knieën op een kussen. Het is

dus wel werkelijk "par terre".

Twee gangen--feitelijk breede, onbelegde planken--die iets hooger

zijn dan de zitplaatsen, loopen van den achterkant regelrecht naar

het tooneel, dat op de gewone wijze is ingericht. Boven, aan den

achterkant, zijn de zitplaatsen evenzoo, doch op zijde zijn het een

soort van loges met schuifdeuren--alle deuren schuiven in een Japansch

huis--en een iets hoogere afscheiding, welke echter nog niet tot de

knieën reikt. Dat is de 1ste rang, waarop wij plaats namen, nadat

men ons een laag bankje gebracht had. Achter de loges is een gang,

van waar men bij de buren in huis of in een zijstraat kijkt.

Het eerste wat opvalt is een ontelbaar aantal waaiers, zoowel door

ruwe knuisten als door poezele handjes in beweging gebracht, hetgeen

een eigenaardig effect maakt, daar deze, soms schitterend gekleurde,

in September hier nog onmisbare instrumenten nu in het licht, dan in

de schaduw zijn. Verder is het opmerkelijk hoeveel kleine kinderen met

hunne ouders meegaan, en hoe elke familie voorzien is van theeservies,

gebak- en vruchtenschaal en aschbakje.

Ook wij bestelden thee--van groene, ongedroogde bladen, waaraan men

eerst moet wennen--en bepaalden daarna onze aandacht bij het tooneel.

Het drama was reeds in vollen gang; er werd veel gepraat, handen

gewrongen en geweend, alles met begeleiding van muziek, maar naar ons

oordeel zat er niet veel actie in. Het midden van het tooneel was een

draaibare schijf, zoodat onder het spel de mise-en-scène soms geheel

veranderde. Na het vallen van het gordijn snelden vele bezoekers naar

voren, gluurden er onder door of begaven zich er zelfs achter. Nu en

dan kwamen de acteurs en actrices op, niet van achter de coulissen,

maar over de zooeven genoemde gang, dus midden uit het publiek.

Wij snapten er natuurlijk niets van. Er was evenwel eene verrassing

voor ons weggelegd. Blijkbaar was het een modern stuk, want op

een gegeven oogenblik kwam een Europeaan op, een Japansch meisje

medevoerende, aan wie hij in een mengelmoes van Engelsch en gebroken

Japansch zijne liefde verklaarde op westersche wijze, hetgeen zeer den

lachlust scheen op te wekken. Zij wilde echter niets van hem weten,

waarop hij, vertoornd, een revolver nam en haar daarmede eenige malen

over het tooneel achterna liep, herhaaldelijk uitroepende: "Stop! I

will kill you". Voor hij evenwel aan zijn voornemen gevolg gaf,--gekund

had hij het al lang--verscheen er een krantenjongen op het tooneel,

beschermde het meisje en ontrukte den woestaard zijn wapen, die toen

z'n jas uittrok en z'n tegenstander te lijf wilde, totdat deze hem in

de knie schoot. Daarna kwam een andere Engelschman op. Deze wenkte

een ricksja, welks bestuurder in zijn zenuwachtigheid heelemaal den

gewonde niet hielp, doch ouder gewoonte eerst 'n voertuig afstofte

en, nadat de wonde over alles heen met een zakdoek verbonden was,

den snooden belager der onschuld langzaam wegvoerde, terwijl het

meisje met haren bevrijder verdween.

Verscheidene blikken wendden zich naar boven om te zien, hoe wij die

scène opnamen. Natuurlijk schaterden wij het uit.

Intusschen was het al laat geworden. Wij reden naar het station en

namen te kwart na twaalf den nachttrein naar Nagoya.

Daar de beide banken van het rijtuig overlangs stonden en er slechts

één passagier was, hadden wij ruimte genoeg. Een trein-beambte trok

onze schoenen uit en bracht ons een paar sandalen benevens een

waaier, en weldra staken wij de wacht op, n.l. de wacht te kooi,

na den man order te hebben gegeven, ons een half uur voor aankomst

te "porren". En terwijl de trein in den helderen maannacht met ons

voortsnelde, voorbij Baba, Kusatsu, Osaki en Gifu, sliepen wij gerust.

's Morgens om 5 uur waren wij te Nagoya, een stad met ongeveer

1/4. millioen inwoners en bekend om hare porcelein-fabrieken en

zijde-weverijen. Ons eerste bezoek gold het Kasteel, hetwelk dagteekent

uit het begin der 17de eeuw. Het bestaat uit vijf verdiepingen,

opgetrokken in den interessanten Japanschen bouwstijl, en is omringd

door breede, hoewel droge grachten en enorm dikke steenen wallen.

Boven op de nok staan twee gouden dolfijnen, die nog heden ten

dage met dezelfde glorieuse pracht in het zonlicht glinsteren als

voorheen. Hunne hoogte is 2,5 Meter; zij zijn gemaakt van oude,

Japansche goudstukken en worden gezegd eene waarde te vertegenwoordigen

van f 4.000.000. Eén er van is in 1873 op de tentoonstelling te Weenen

te zien geweest.

Daar wij geen permissie hadden het Kasteel te betreden,--waarvoor

eene aanbeveling van den gezant te Tokyo noodig is--moesten wij

ons met den buitenkant vergenoegen en onze fantazie te hulp roepen

om eene voorstelling te krijgen van de pracht, die er binnen moet

heerschen. Het behoort aan de keizerlijke familie.

Vervolgens bezochten wij de vermaarde oudheidwinkel van Asahina. Nooit

heb ik zooveel antiquiteiten bij elkaar gezien. Harnassen,

maliënkolders, helmen, zwaarden, dolken, speren, pijlen, bogen,

lansen, beschermplaten voor paarden, stijgbeugels van wel 10 kilo

gewicht, maskers, heidensche goden, altaren, reliquien, potten en

pannen,... dat alles lag dooreengestapeld op de beide verdiepingen

van het huis, zoodat men zich nauwelijks kon roeren. Afgodsbeelden

om van te droomen, vaasjes om te stelen, porceleinen borden om van

te watertanden, beschilderde waaiers van eeuwen her, soms half tot

stof vergaan, en ik weet niet wat nog al meer. En ze gooien er met

honderdtallen van jaren en tientallen van yen's (1 yen = ± f 1.25), dat

men er wee van wordt. Men kan echter afdingen, maar dat is eigenlijk

niet eens prettig, want na er b.v. 20% te hebben afgekregen, heeft

men per slot van rekening later toch altijd het idée, minstens nog

den dubbelen prijs te hebben betaald.

Buiten op het uithangbord staat: 800.000 curios. Of ze dat getal ook

met zes verminderd hebben na ons vertrek? Ik denk, dat het altijd

wel 800.000 zal blijven.

De ricksja-koelies, die al dien tijd getroost op ons hadden gewacht en

zich den tijd gekort met het rooken van een onnoemelijk aantal pijpjes,

brachten ons daarna op een plein, alwaar een gedenkteeken staat,

opgericht ter eere van de gevallenen in den oorlog met China, 1894/95.

Het oude Japan stichtte tempels en altaren en feestdagen ter

nagedachtenis zijner helden; het moderne Japan richt monumenten op,

gekroond door een nieuwerwetsch projectiel, dat 's avonds omgeven

wordt door een krans van electrische lampjes.

Het was inmiddels middag geworden, de scholen gingen uit en wij

hadden gelegenheid, het jeugdige Nippon eens goed op te nemen. De

meisjes, zonder hoed, maar allen gewapend met een zwarte parasol,

hadden in zóóverre aan de westersche mode geofferd, dat haar kleeding

van boven op een kimono en van onderen meer op een damesrok geleek,

die dan bijna altijd donkerrood was. Ook droegen enkelen schoenen.

Bij de jongens kon men de verschillende scholen onderkennen. Sommigen

liepen in de nationale kimono, met een grooten hoed op, terwijl van

een andere school allen een wit pak aan hadden, met een pet. Er waren

verscheidene intelligente gezichten bij.

Na in ons hotel geluncht te hebben, namen wij onze siësta totdat de

grootste hitte ietwat geweken zou zijn.

Klokke vijf vond ons staande op de electrische tram, die van het

station door de lange, breede en drukke hoofdstraat geheel Nagoya

doorkruist en een half uur verder ergens buiten de stad eindigt. De

conducteur verstond geen Engelsch en begreep er niets van toen wij,

aan den terminus gekomen, slechts van balcon verwisselden en weer

mee teruggingen. Het was evenwel een gemakkelijke en prettige manier,

het leven in die drukke straat vol winkels, bazaar's, restaurants en

theaters eens goed op te nemen.

Japan is het land der contrasten!

Welk een zonderlingen indruk maakt het niet, wanneer men in een

kapperswinkel, slechts door een gordijn van kralen van het trottoir

gescheiden, den barbier in zwembroekje en lang hemd het hoofd

van een even ongekleeden bezoeker ziet behandelen, edoch met de

allernieuwste tondeuse, terwijl de klant bij het electrisch licht

in de courant de allerlaatste telegrammen uit de geheele wereld

leest en een electrische waaier hem intusschen een heerlijk koeltje

toewuift! Of wanneer men in een nauwe straat een warnet van telegraaf-

en telefoon-draden ziet, terwijl de huizen van gloeilampjes zijn

voorzien en de straatverlichting uit booglampen bestaat! Of ook,

als men in een steeg eenige onaanzienlijke winkels binnentreedt en

daar verrast wordt door de nieuwste snufjes op elk gebied! En in de

haven! Bijna overal zijn het vrouwen, die de schepen met steenkolen

beladen. Moeders dragen onder dat werk haar zuigelingen op den rug,

en deze blijven rustig doorslapen onder het doorgeven der mandjes

kolen. Wordt er even gerust, dan krijgt de kleine de borst, en

ondertusschen stopt mama een pijpje en dampt en spuwt er lustig op los.

Daarentegen wordt men b.v. in het post- en telegraafkantoor te

Tokyo geholpen door allerliefste jonge dames, die, gekleed naar

de voorlaatste Parijsche mode, den vreemdeling vriendelijk en in

onberispelijk Engelsch te woord staan.

Een koelie, in meergemeld zwembroekje en met of zonder hemd, trekt

een kar voort. Hij rust even uit, vuil en bezweet. Maar in plaats

van een roode katoenen zakdoek, neemt hij van zijn kar een keurigen

waaier en gebruikt dezen niet geheel zonder gratie.

En zoo zou ik nog veel meer kunnen opnoemen.

Toen het donker werd, gingen wij naar het hôtel terug en gebruikten

na het diner de thee op het balcon, waar Sjiso en Nóbo, de dochters

van den hôtelhouder, ons gezelschap hielden.

Wij spraken over allerlei dingen, en natuurlijk ook over den

oorlog. Tegen de Kussen waren zij bitter gestemd, hetgeen wij des te

beter konden begrijpen, toen zij ons vertelden dat een broer van haar

in den slag aan de Yaloe gesneuveld was.

Het lawaai der stad klonk als het ruischen eener rusteloos deinende

zee in de verte; aan den helderen sterrenhemel straalde de maan,

en beneden in den tuin klaagde een banjo....

Dit alles was zeer poëtisch, maar aan alles komt een einde, en

vier minuten na middernacht zaten wij weder in den sneltrein naar

Tokyo. Sayonara (vaarwel), Nagoya! Sayonara, Sjiso! Sayonara, Nobo!

Wij troffen het minder goed dan den vorigen nacht. De banken waren

bijna geheel ingenomen door slapende reizigers, allen in meer of

minder bekoorlijk négligé, en wij moesten ons met een zitplaats

vergenoegen. Van slapen was dus voor mij geen sprake. Ik deed maar

net alsof ik de "hondewacht" had en trachtte rookende en lezende den

tijd te dooden.

Spookachtig gleed het landschap ons in het blauwe maanlicht voorbij;

soms ging het vlak langs de kust en zagen wij den Grooten Oceaan

glinsteren. Mijn reisgenoot was weldra ingeslapen; wat mij betreft,

een zachte plank om op te liggen is mij voldoende, doch zittende kan

ik niet slapen. Er was wel een slaapwaggon, maar dat was ons te duur.

Mijn buurman, een roode Ier, bood mij zeer vriendelijk eenige malen

zijn whisky-flesch aan, met het gezegde: "a small drip in the morning

is better than a lot in the day". Ik bedankte echter en verdacht hem,

van ook "a lot in the day" niet afkeerig te zijn. Gelukkig brak om 5

uur de dag aan; het werd levendig in den waggon, van die ongegeneerde

levendigheid, welke ontwakenden personen eigen is. Van toilet-maken

was evenwel pas sprake toen wij Tokyo naderden.

Japan is dicht bevolkt en volgt daarin op België en Nederland. Wij

snelden langs steden en dorpen, over rivieren en door tunnels,

voorbij heuvels en valleien, met voortdurend de Fuji-Yama in de blauwe

verte, de heilige berg van Japan, 12.400 voet hoog, welke men overal

afgebeeld ziet: op waaiers en photo's, op porcelein en lakwerk, en

die, als een oude, trouwe waker, met zijn besneeuwde kruin de wacht

schijnt te houden over gansch Nippon, en zoowel de Japansche Zee als

den Stillen Oceaan domineert.

Half tien arriveerden wij te Tokyo. De stad heeft ruim 1.400.000

inwoners en beslaat de enorme uitgestrektheid van honderd vierkante

mijlen, wat niet te verwonderen is, als men bedenkt dat de huizen over

't algemeen laag zijn en zelden meer dan ééne verdieping hebben. De

ministeries en andere gouvernementsgebouwen, de vreemde legaties en

paleizen maken hierop natuurlijk eene uitzondering. Deze zijn alle

gebouwd in westerschen stijl.

Het paleis van den Mikado daarentegen is echt Japansch. Het staat in

het centrum der stad, omringd door wallen en grachten. Oorspronkelijk

was het een fort, de sterkte der Tokagawa-regenten, gebouwd in de 13de

eeuw, toen Yeddo nog slechts een klein dorpje was. In 1868 werd deze

naam veranderd in Tokyo, hetgeen beteekent: "Oostelijke hoofdstad",

om het te onderscheiden van Saikyo of "Westelijke hoofdstad", den

naam, ter zelfder tijd aan Kyoto gegeven. Verscheidene malen door

brand vernield, dateert het tegenwoordige gebouw slechts van 1889.

Wij besloten, voor de curiositeit eens in een Japansch logement

te overnachten. Ook voor de deur van zoo'n logement staat het vol

klompjes. Binnenshuis draagt de Japanner sandalen van gevlochten

stroo, zonder de vroeger vermelde verhoogingen er onder. Het loopen

op die klompjes--waarbij wij gevaar zouden loopen onze enkels te

verstuiken--is nu juist niet elegant, daar de voeten binnenwaarts

gekeerd zijn. Ook geeft het een eenigzins hulpeloos idée, vooral bij

vrouwen, ofschoon ze er toch vrij vlug op voort kunnen en het nog

een zeer groot verschil maakt met de hulpeloosheid hunner Chineesche

zusteren, die zonder steun bijna niet kunnen loopen op haar walgelijk

verminkte voetstompjes. Alles wijst er echter op, in den tegenwoordigen

tijd, dat China ontwaakt, en zoo is er ook pas eene vereeniging

opgericht tegen die gruwelijke misvorming. Les idées marchent!

In het eerste logement, waar wij afstapten, sprak men bijna

geen Engelsch, in het tweede kon men ons geen europeesche tafel

verstrekken. Bovendien zag de kamer, waarin ik een kijkje nam,

na mijne schoenen te hebben uitgetrokken, er wel netjes, maar zeer

ongezellig uit, doordat zoowel stoelen als tafel ontbraken. Bedden

waren er ook niet; men slaapt op den grond op matten en kussens, en

eet op zijn kamer met houten of beenen stokjes, terwijl men daarbij

zijne houding voor 't kiezen heeft. Het leek ons minder aangenaam toe,

en ten slotte kwamen wij toch weer in het Hôtel Métropole terecht,

alwaar wij onze vermoeide ledematen op een behoorlijk bed uitstrekten

en vervolgens lunchten in een vroolijke zaal, uitzicht gevende op de

haven, onder tal van slingerende "poenka's", door bedienden buiten

de zaal in beweging gebracht.

Een kleine lofrede op de hôtels in Japan is hier wellicht op hare

plaats. En eene lofrede moet het zijn, want, hetzij onder Europeesch,

hetzij onder Japansch beheer, de bediening is er uitstekend, de

keuken uitmuntend, het menu uitvoerig en het bed uitlokkend. Ze zijn

van de nieuwste gemakken voorzien, het personeel is zeer attent,

men behoeft nooit iets tweemaal te vragen en slechts te zinspelen op

het een of ander om het te krijgen, als het ten minste mogelijk is.

Na den middag spoorden wij naar Yokohama, waar het schip lag, gingen

even aan boord, ontdeden ons van de overtollige bagage en spoorden

daarna weer terug naar Tokyo.

In beide steden zag men overal voor openbare gebouwen, legaties,

consulaten, hôtels, enz. politie geposteerd, versterkt door

soldaten. Het was juist in de historische dagen na het bekend

worden der vredesvoorwaarden, die de beruchte troebelen ten gevolge

hadden. Opmerkelijk, dat het volk tot gewelddadigheden overging

alleen in die plaatsen, waar vele vreemdelingen wonen, n.l. Tokyo,

Yokohama, Osaka en Kobé. Toch merkten wij nergens iets van eene

anti-vreemdelingen-stemming, niemand veroorzaakte ons ooit eenigen

last, integendeel, men kwam ons vaak tegemoet met den Japanschen

groet: "Ohayo" (eigenlijk: goeden morgen), en was steeds beleefd

en hulpvaardig.

Ook voor ons hôtel in Tokyo was een tent opgeslagen en liep een

gewapende schildwacht heen en weer. Toen wij 's avonds langs de haven

wandelden, door haar geringe diepte slechts bereikbaar voor kleine

schepen, en door de opening der tent de soldaten zagen rooken en

praten bij het flauwe licht van een olielamp, werden onze gedachten

als vanzelf gevoerd naar de doodenvelden van Manchourije.

Voor de poort, die toegang gaf tot den tuin, had de schildwacht het

geheele bediendenpersoneel om zich heen verzameld, dat aandachtig naar

hem luisterde. Waarschijnlijk vertelde hij hen van de slagvelden

aan gindsche zijde der Japansche Zee, van den moed der Russen,

de nog grootere doodsverachting hunner tegenstanders, en van de

overwinningen, die altijd waren aan de zijde van het grootste

intellect, den onverzettelijksten wil en de vurigste vaderlandsliefde.

Wij begaven ons vroeg ter ruste, want een lange dag wachtte ons.

Den volgenden morgen zaten wij om 4 uur reeds in de ricksja, daar de

trein een uur later van het Uyeno-station vertrok, gelegen aan het

andere einde van Tokyo. Het begon pas te schemeren en de stad lag nog

in diepe rust. Hier en daar een enkele voetganger, een patrouilleerende

agent of soldaat, of een ricksja-koelie, die in zijn voertuig zat te

slapen, door een deken beschermd tegen de ochtendkoelte, was het

eenige, dat de egale grauwheid van den September-morgen verstoorde. De

lage, houten huizen met hunne oploopende dakvorsten staken grijs

af tegen de heldere sterrenlucht, die wederom een prachtigen dag

beloofde; achter hunne gesloten luiken, van waar geen enkel lichtje

uitstraalde, leken zij wel gepantserde blokhuizen.

En zoo draafden onze koelies door een warnet van straten drie kwartier

lang voort, rechts-om, links-om, rechts-om, links-om ... zonder ooit

een oogenblik te aarzelen.

Aan het station vroeg ik aan de jonge dame achter het loket--aan de

groote stations vindt men hier veel dames-employées--in het Japansch

twee kaartjes naar Nikko [1], maar dat bekwam mij slecht. Zij vroeg

mij op haar beurt iets in dezelfde taal en toen bleek mijne onkunde

en moest ik wel terugkrabbelen en Engelsch spreken.

Wij reisden tweede klasse, een zuinigheidsmaatregel, want het geld

is in Japan minstens even rond als ergens anders en de winkels zijn

er verleidelijker. De tweede klasse is echter zeer netjes; even goed

als in Europa.

Vrouwen en meisjes schijnen in Japan tamelijk veel vrijheid te

genieten, maar van de galanterie der mannen heb ik geen zeer hoogen

dunk. Ten minste, wij zaten naast een echtpaar, waarvan _zij_ last had

van de zon. _Hij_ dacht er blijkbaar niet aan, met haar van plaats

te verwisselen, en nadat onze pogingen, de jalouzie op te trekken,

gefaald hadden, stonden wij haar onze plaats af en kwamen zoodoende

tusschen hen in te zitten. De echtgenoot vond zulks waarschijnlijk

geheel overbodig, want toen zij een half uur later uitstapten, deed hij

zulks zonder boe of ba te zeggen of ons met een blik te verwaardigen,

terwijl zij dankend boog. Dit kleine lesje in westersche beleefdheid

jegens het schoone geslacht viel schijnbaar niet in goede aarde.

Krijgt een burgerman eenigszins aanzienlijk bezoek, dan zitten vrouw

en dochters niet mede aan, doch bedienen en bewaaieren den gastheer

en zijne gasten. Na afloop van den maaltijd mogen zij gaan eten. En

toch is er te Tokyo eene universiteit voor vrouwen!

Tegenover ons zat eene dame in een keurige kimono. Het zitten op de

gewone manier verveelde haar zeker na eenigen tijd, zoodat zij hare

sandalen uittrok en met de knieën onder het lichaam plaats nam. Dit

bewerkstelligde zij op haar nauwe plaats door eerst met het gezicht

naar den wand te gaan zitten, in welke houding zij zich in den korst

mogelijken tijd op de kleinst mogelijke ruimte wist om te draaien.

Even later nam zij uit haar wijde, afhangende ondermouw, welke voor zak

dient, een keurig zijden doekje en ontrolde dit, waarna te voorschijn

kwamen een keurig zijden foudraaltje, waarin een tabakspijpje met

klein, koperen kopje, een keurig zijden tabakszakje en een doosje

lucifers. Zij stopte het pijpje en stak het aan. Na eenige trekjes

was het al leeg; deze manoeuvre nu werd een keer of vier herhaald,

waarna alles weer werd opgeborgen. Het maakte een wonderlijk effect.

De weg was eenigszins eentonig: het ging voortdurend door vlak en

vruchtbaar bouwland. Doch in de verte vertoonden zich als een belofte

de bergen, die wij naderden. Ten 8 uur moesten wij overstappen te

Utsunomiya en hadden daar ruim een half uur tijd. Daarna duurde de

rit nog zeven kwartier.

Wij hadden eene afdeeling van twee coupé's geheel voor ons

alleen. Weldra begon de weg sterk te stijgen, de natuur veranderde en

het duurde niet lang of wij hadden geen oogen genoeg. Wij liepen van 't

eene raampje naar het andere, keken nu voor-, dan achteruit en werden

niet moede, elkaar op de prachtige vergezichten opmerkzaam te maken.

Nu eens boeiden ons de trotsche bergen, bedekt met donkergroene

pijnboomwouden, afgewisseld door het lichtere groen der eiken; dan

weer rustte het oog met niet te beschrijven verrukking op glanzende

valleien met blinkende meren; soms werd onze aandacht gevangen door

een enkel boschje glinsterende berken, als een fijn grijs-groen

getinte schilderij, gevat in bruin-fluweelen omlijsting van beuken,

of een idyllisch dorpje, half verscholen achter teer sparregroen;

even later omvatte onze blik een golvende vlakte, bekoorlijk door de

oneindige kleurschakeeringen van duizenden veldbloemen.

En waar af en toe de flanken der bergen elkander naderden en

slechts luttele ruimte overlieten voor de ijzeren baan, die door

het puffende, achtwielige monster slechts langzaam veroverd werd,

den blik begrenzende, de zon verbergende, daar was het uitzicht

des te verrassender, als zich wederom de gansche omtrek aan ons oog

vertoonde, badende in het gouden zonnelicht, dat de dalen vulde en de

bergen streelde, dat de wouden kuste en op de watervlakten danste,

dat minnen _moest_ dit zijn land, dit land der zonne, der rijzende

zonne.... Het was onvergelijkelijk schoon.

De temperatuur was zeer aangenaam en een heerlijke dennengeur vervulde

de lucht. Een prachtige weg, aan weerszijden beplant met eene dubbele

rij eeuwenoude dennen, voerde van Utsunomiya naar Nikko en liep het

laatste gedeelte vlak langs den spoorweg.

Half elf arriveerden wij op onze bestemmingsplaats, waarvan een

Japansch spreekwoord zegt: "Nikko minai uchi wa, kikko to iuna",

hetgeen beteekent: "Totdat gij Nikko gezien hebt, zeg niet kikko",

d.i. magnifiek.

Nikko ligt op eene hoogte van 2000 voet te midden der bergen en wouden,

heeft een koel klimaat en is dan ook een druk bezocht zomerverblijf. In

den omtrek wemelt het van watervallen, warme bronnen en kopermijnen.

Wij lieten ons naar het prachtig gelegen Kanaya-hôtel brengen, waar

nog juist twee kamers disponibel waren. Overigens was het geheel bezet,

zeker wel eenigszins het gevolg van de groote, jaarlijksche processie,

die den volgenden dag zou gehouden worden.

Wij lunchten in de eetzaal en ik wenschte wel, dat ik daarvan een

goed idée kon geven. Het was een ruime, lichte zaal, voorzien van

een vroolijk beschilderd plafond en met tal van typische, japansche

schilderijen aan den muur. Aan de overal verspreide tafeltjes, bedekt

met flonkerend kristal en veelkleurige bloemen, zat een opgewekt,

internationaal gezelschap, en daartusschen bewogen zich een twaalftal

lieve japansche meisjes met haar eigenaardige dribbelpasjes, gekleed in

lichte kimono en kleurige, zijden obi, een breede ceintuur, die eenige

malen om de middel gewonden wordt en van achteren zóódanig opgenomen,

dat het net lijkt, alsof zij een kussentje op den rug hebben; met

een frisschen, door de gezonde berglucht veroorzaakten blos op de

wangen, en bloemen in de glanzend zwarte lokken; welke meisjes met

sympathieken blik, zachte stem en gracieus gebaar de gasten bedienden.

Rondom de geheele zaal liep een glazen veranda, die een prachtig

uitzicht vergunde op de bergen, terwijl beneden in de diepte een

wilde bergstroom zijn eeuwigdurend lied zong....

Daar wij den volgenden morgen weer terug moesten, wilden wij

dienzelfden dag nog de Kegon-waterval bezoeken, den hoogsten van

Nippon. Het is een vrij verre tocht, dien men doet te paard, per

ricksja of in een draagstoel. Wij kozen het eerste en stegen om half

twee in het zadel. Een groom werd ons meegegeven om den weg te wijzen.

Een hulpbrug bracht ons aan de andere zijde der rivier. De

rood-verlakte heilige brug, welke anders daarvoor dienst doet,

was kort geleden door de golven meegesleurd, hetgeen bewijst dat

voor de elementen niets heilig is. De tocht ging eerst langs

de rivierbedding en soms een eind er door. Het landschap was

buitengewoon mooi. De weelderige, afwisselende plantengroei op de

hellingen der ons aan alle zijden omringende bergreuzen, helaas nog

geen sterk geprononceerde herfsttinten vertoonende; de steile rotsen,

soms in woeste wanorde langs het pad oprijzende; de overhangende

boomen, hun grillige kronkelvormen afteekenende tegen de blauwe

lucht; de diepe kloven, waarlangs de paarden met rustige zekerheid

voortdraafden; de schitterende bloemen, tegen de met mos en varens

begroeide granietwanden opklimmende tot onbereikbare hoogten; het

vogelenheir, zingende in het geboomte ... dat alles maakte op ons

een onvergetelijken indruk.

Op sommige mooie punten, een magnifieke kiek biedende op een

waterval of rotspartij, stonden theehuizen. Wij hadden echter haast

en hielden ons nergens op. De weg werd steil en zigzagwijze ging

het naar boven. Onze groom was, naar wij meenden, achtergebleven,

maar op een zeker punt zagen wij hem in een theehuis zitten rooken en

drinken, terwijl hij op ons wachtte. Hij had n.l. het veel kortere,

voor paarden onbegaanbare voetpad gevolgd.

Om 4 uur waren wij bij den beroemden waterval, die van eene hoogte

van 250 voet naar beneden stort. Wij daalden langs een smal paadje

naar beneden en bevonden er ons vlak tegenover, aan den anderen kant

van het ravijn, waaruit een fijne mist opsteeg, die den bodem geheel

verborg. Het was een grootsch gezicht. Uit het donkere oerbosch te

voorschijn snellende viel de breede waterkolom met donderend geraas

naar beneden; door een sluier van duizende in het zonlicht glinsterende

waterdroppels zagen wij den mozaïekwand der rots, op vreemde manier

met scherpe, naar beneden wijzende punten uitgesleten en begroeid

met bloemen, varens en rood, bruin en groen mos.

Slechts noode verwijderden wij ons van dit schouwspel. Een ritje van

5 minuten bracht ons bij het bergmeer van Chuzenji, 4400 voet boven

den zeespiegel gelegen, 12 K.M. lang en 4 K.M. breed. Het voedt den

grooten waterval.

Op de brug, die naar het Lake-Side-hôtel voert en waaronder het

water slechts langzaam voortstroomt, om echter spoedig te versnellen,

bleven wij vol bewondering staan. De zon had zich achter een donkere

wolk verborgen, welks gekartelde randen zij gouden kleurde, en hare

stralen vielen heel in de verte op het kalme meer, op den achtergrond

van bergen en op den 8800 voet hoogen vulkaan Shirane-San.

Het contrast met het even te voren geziene was groot. Hier de

liefelijke kalmte der uitgestrekte watervlakte, daar de woeste

grootschheid der ontbonden natuurkrachten; hier de zachtkens kabbelende

golfjes aan den oever, daar de vrijgelaten bruisende watermassa's.

Kinderen speelden aan den kant, zwaluwen scheerden langs de

oppervlakte, witte zeilen gleden over den vloed en jonge menschen

waren aan 't spelevaren in slanke roeibootjes.

Het was een ideaal plekje, een Eden op aarde!

Wij rustten wat uit in het hôtel, welks uitgestrekte tuin een pracht

van lelies en een kleurenweelde van chrysanthen vertoonde, en stegen

toen weder te paard.

De lucht betrok en weldra reden wij in een vochtigen nevel, waarin

het gebergte dreigende, spookachtige gedaanten aannam. Onder het

zware geboomte werd het spoedig duister, zoodat wij stapvoets moesten

gaan. De paarden schenen bij voorkeur vlak langs den kant van het

ravijn te loopen, waar één misstap den dood beteekende. Doch waar is

de jeugd, voor wie het gevaar geen aantrekkingskracht bezit?

Bovendien zijn zij zeer vertrouwd en zóózeer op hun eigen veiligheid

bedacht, dat wij ze gewoon hun gang lieten gaan.

Spoedig werd de weg minder steil en konden wij draven. Mijn paard had

blijkbaar zwakke voorpooten, het was al een paar malen gestruikeld

en juist toen wij in de schemering met flinke snelheid eene helling

afgingen, viel het op zijne knieën en wierp mij af. Wat doet ook een

zeeman boven op een biek!

Gelukkig had ik mij heelemaal niet bezeerd; erger was evenwel, dat

wij ons allebei al zoo ongeveer doorgereden hadden. Of het kwam door

het Japansche zadel, of door den hoogen gang der dieren, ik weet het

niet, maar het was met opeengeklemde tanden,--hoewel in sierlijken

draf, daar wij niet konden vergeten, dat wij in dit cosmopolitisch

gezelschap "Nederland" vertegenwoordigden--dat wij om 7 uur voor ons

hôtel aankwamen, waarna de marteling van het laatste uur een einde nam.

Aan tafel veroorzaakte het eenige hilariteit, toen ik de lieftallige

Hebe, die ons bediende, met gebaren duidelijk maakte, dat ik gaarne een

kussen op mijn stoel wenschte te hebben. Mijn reisgenoot versmaadde

dit verzachtingsmiddel, doch trok dan ook onder het eten van de soep

gezichten, die veel te denken gaven, echter niet omtrent de soep.

Nog lang bleven wij rooken en praten in de heerlijk koele avondlucht,

totdat vermoeidheid ons naar bed dreef.

En zoo brak dan de laatste dag van mijn verlof aan, een donkere,

trieste morgen. Het motregende af en toe. Wij lieten ons daardoor

evenwel niet afschrikken en zaten om half zeven al weer in de ricksja,

teneinde nog zooveel mogelijk te kunnen zien. Daar we naar boven

moesten, hadden we aan één koelie niet genoeg en kwam er nog een tweede

bij, die genoemd wordt "ato-oshi", d.i.: duwer. Hortend en stootend

hobbelden de ricksja's over den weg, wat in onze omstandigheden nu

juist niet bijster aangenaam was.

Millioenen regendruppels schitterden in ontelbare spinnewebben tusschen

het lage hout; tegen de bergen lag een blauw waas, waarin de dennen

kleurloos stonden, als op het punt van te vervluchtigen. Na een half

uur stapten we af bij een theehuis en daarna bracht eene wandeling

van tien minuten, nu eens stijgende, dan weer dalende, over een smal

pad langs den rand eener kloof ons bij een rustiek bruggetje op den

bodem van een ravijn, vlak onder den Urami-waterval, die 50 voet hoog

is. Het was een woest brokje natuur.

Wild dooreengeworpen rotsblokken rondom, waaruit overal groote

en kleine waterkolommen te voorschijn kwamen, die zich beneden

vereenigden en zich daar, bruisend en spattend, een weg baanden over

den steenigen bodem; hoog boven ons een stukje grauwe hemel, waarin

langzaam overdrijvende nevels van hunnen last afgaven aan de takken

der boomen, welke dien weder druppelend op ons deden nederstorten;

en nergens eenig teeken van leven te bespeuren. Langs denzelfden weg

wandelden wij terug, dronken een kopje thee, kochten als souvenir

eenige photo's en stukken kopererts van de mijnen daar in de buurt,

en waren ten 8 uur bij den Yasu-tempel, den mooisten Shinto-tempel

van Japan.

Eene beschrijving van dit complex van gebouwen zou boekdeelen vullen,

en eveneens de verklaring der beteekenis van al hetgeen men hier

ziet. Er is misschien geen enkele Europeaan, die dit laatste zou

kunnen.

Wij hadden slechts tijd voor een vluchtig bezoek. Allereerst viel onze

aandacht op een stal met een heilig paard, dat opgetuigd was als voor

een steekspel en eenige uren later aan den optocht zou deelnemen. In de

andere helft van dit gebouwtje zaten twee dansmeisjes in lange roode

en witte gewaden, die voor een paar koperen muntstukken een heiligen

dans uitvoerden. Met zedig neergeslagen oogen en langzamen cadans

bewogen zij zich voor- en achterwaarts en vormden vreemde figuren,

in de eene hand een waaier houdende en in de andere een handvat met

koperen belletjes. Dan hurkten zij weer neder, bogen ten dank eenige

malen diep met het hoofd op den grond, en zaten verder zwijgend en

bewegingloos te wachten.

In het mausoleum van Iyeyasu, een beroemden "Shogun", bewonderden

wij het prachtige snijwerk van deuren en plafonds, voorstellingen

van beesten, vogels--waarbij de ibis een groote rol speelt--bloemen,

vruchten, enz.

Onze schoenen moesten wij buiten de deur uittrekken; binnen heerschte

een doodsche stilte en een mystiek halfduister, waarin het goud en

koper van altaren en beelden een vreemden glans verkreeg.

Nog meer uitgesneden en beschilderde paneelen, elk weer een andere

teekening vertoonende; nog meer begraafplaatsen van vermaarde

"Daimyo's"; nog meer beelden van vroegere oorlogshelden, half naakt

en nu eens groen, dan blauw van kleur, met woeste, grijnzende trekken

en gespannen boog of getrokken zwaard. In één gebouw hing zelfs een

schilderij van een modern slagschip en zat een symbolieke adelaar

op den mond van een snelvuurkanon. Is het wonder, dat de Japanner

slechts overwinnen of sterven kent, ondanks de leer van Boeddha,

die verbiedt te dooden?

En langs de grijze, verweerde steenen trappen, waarop mos van eeuwen

her, opklimmende naar weer andere poorten, naar weer fraaie torens,

heeft men het oerwoud rondom.

Er waren vele bezoekers en de pleinen en gangen begonnen zich al te

vullen met de deelnemers aan de jaarlijksche processie, gehouden

ter nagedachtenis van Iyeyasu. Kleurige altaren en banieren,

wonderlijke kleedingstukken en hoofddeksels, antieke wapens en

wapenrustingen,... het beloofde een interessant schouwspel te zullen

geven. Wij konden er helaas niet van genieten, daar de tijd van vertrek

naderde. Alras waren wij op weg naar het station, na onze bagage te

hebben gehaald van het Kanaya-hôtel, dat ik niet licht zal vergeten.

En dat niet wegens zijn onovertrefbare tomatensoep, niet om

zijn overheerlijke zalm uit het bergmeer, noch om zijn delicieus

pijnappelijs, zelfs niet wegens de donkere amandel-oogen zijner

bekoorlijke, dienende geesten, die der volmaaktheid nabij komen en den

onuitgesproken wensch gehoorzamen, maar enkel om het onvergelijkelijk

natuurschoon in zijne nabijheid, om den zorgen-bannenden invloed

zijner paradijsachtige omgeving.

En gij, globe-trotter, die geluisterd hebt naar het zoet-vloeiende

"Dormi o bella" van den gondelier in den Venetiaanschen toovernacht en

bij maanlicht den Nijl zijt afgevaren, terwijl uw bootje schuurde langs

het papyrus-riet en een bruine gestalte op de voorplecht op zangerigen

toon zijnen makkers verhalen deed uit de "Duizend-en-een-nacht";

die evengoed bekend zijt in den Harz als in de Ardennen; die het

weemoedvolle lied van de Lorelei gezongen hebt aan den Rijn en de

tintelende Marseillaise aan de boorden van de Seine; die gezworven hebt

zoowel in de Schotsche hooglanden als in het Zwarte Woud; die de Alpen

hebt beklommen en op een drijvend hôtel naar de Nieuwe Wereld zijt

overgestoken; die het land der middernachtzon hebt leeren liefhebben en

ook uw eigen vaderland hebt leeren waardeeren; die den zonsondergang

hebt aanschouwd onder de linie ergens op den Oceaan en den zonsopgang

aan het Vierwaldstädtermeer; die Napels hebt gezien zonder te sterven

en Monte-Carlo zonder te spelen ... voor u herhaal ik:

"Nikko minai uchi wa, kikko to iuna!"

Ten 11 uur van Nikko vertrekkende, waren wij 4.15 te Tokyo en gingen

precies 6 uur door met den nachttrein naar Kobe. We konden dus niets

meer zien van Tokyo, zijne straten en paleizen, zijne schouwburgen

en bazaars, zijne tempels en museums, zijne parken en vijvers. Dat

was wel jammer, doch kon niet verholpen worden. De plicht gebood ons

terug te keeren.

Wij hadden trouwens al veel meer ongezien moeten laten, zelfs in de

plaatsen die wij bezochten.

In den trein was eene restauratie-wagen, waar men zeer smakelijk kon

eten. Overal electrisch licht en dito waaiers.

Wat de spoorwegen aangaat is alles hier uitstekend in orde. Op

alle stations vindt men duidelijke aanwijzingen in de Japansche en

Engelsche taal aangaande den loop der treinen. Bordjes vermelden het

eerstvolgende station aan beide kanten, en den afstand tot begin- en

eindpunt der lijn. Nergens behoeft men de rails over te steken, want

zelfs op de kleinste stations leidt een ruime brug, geheel overdekt,

naar het 2de perron. Blijkbaar zijn de zaken hier van het begin af

goed aangepakt en was er een ruime beurs voorhanden. Maar de Japanners

konden ook dadelijk van de nieuwste uitvindingen gebruik maken en

zoo den langen lijdensweg vermijden, dien men vaak in andere landen

bewandelt, waar men, met primitief materiaal begonnen, slechts langzaam

en geleidelijk verbeteringen invoert en nieuw materiaal aanschaft.

Rook- en dames-coupé's mist men hier, maar die zijn eigenlijk ook

overbodig; immers de dames rooken ook.

Wat de reden is, dat wij gedurende onzen zesdaagschen tocht geen

enkele japansche dame in de 1ste klasse zagen, weet ik niet.

De trein was vrij vol. Maar mij in een flauwe bocht opschietende,

kon ik toch heel goed slapen, wat ik dan ook bijna den geheelen nacht

deed. Tegenover mij zat een cavalerie-officier, die op een gegeven

oogenblik zijn gespoorde laarzen uittrok, zijn sabel afgespte en

toen als een kleermaker op de bank ging zitten. En wij vonden het

niet eens vreemd meer!

We hadden dezelfde route als op de heenreis, passeerden midden in den

nacht Nagoya zonder wakker te worden en kregen, toen het licht werd,

af en toe een mooi gezicht op het Bima-meer, nabij Kyoto, dat wij

gaarne hadden bezocht.

Gedurende het korte oponthoud te Kyoto maakten de japansche reizigers

hun toilet op het perron, waartoe een tiental kranen met bassins

gelegenheid gaven. Broederlijk stonden de passagiers der drie klassen

naast elkaar, wieschen gelaat en handen en poetsten hunne tanden. Wij

echter verkozen de toiletkamer in den trein boven deze openbaarheid.

Weldra ging het weer verder, en het was niet zonder weemoed, dat ik

het einde der reis zag naderen, ofschoon toch vol dankbaarheid voor

al het genotene.

Eene waarschuwing van mijn reisgenoot maakte een einde aan mijne

overpeinzingen; want daar roldonderde reeds de trein het station te

Kobe binnen, precies op tijd, 15 uren en 20 minuten na zijn vertrek

uit Tokyo, en een half uur later roeide een sampang ons aan boord,

alwaar de dienst mij onmiddellijk in beslag nam.

Terwijl ik dit schrijf, ben ik reeds weder duizenden mijlen van Japan

verwijderd. Doch nogmaals doorleef ik in den geest die onvergetelijke

dagen in het Land der Rijzende Zon, en zie opnieuw dat merkwaardig

volk, waarvan Percival Lowell zegt:

"De Japanner is verliefd op de Natuur, en het schijnt bijna alsof

Natuur zijn stil gebed hoorde en hem goedgunstig tegenlachte; alsof

het liefdelicht aan haar gelaat de verhoogde schoonheid verleende,

die het geeft aan dat der vrouw.

"Want nergens ter wereld waarschijnlijk is zij beminnelijker dan in

Japan: een klimaat van lange, gelukkige gemiddelden en korte uitersten;

maanden van lente en maanden van herfst met slechts weinig weken van

winter er tusschen; een land van bloemen, waar de lotus en de kers,

de pruim en de wisteria welig groeien zij aan zij; een land, waar het

bamboe-gras den ahornboom omstrengelt, waar de pijnboom eindelijk zijn

palm gevonden heeft, en de tropische en gematigde zone hun scheidende

eenzelvigheid vergeten in een langen, zelfverloochenenden kus".

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 31 / 49 题