III.

Boekarest, aanzien van de stad.--De zoutmijnen van Slanic.--De

petroleumbronnen van Doftana.--Sinaïa, wandeling in het bosch.--Busteni

in het kroondomein.

De entrée in Boekarest is voor den vreemdeling een teleurstelling. Van

het station zich begevend naar het midden der stad, gaat men door

straten, die tot de primitiefste dorpen konden behooren, straten,

waar instortende huizen en schunnige winkels aan gelegen zijn en waar

de trottoirs onder hoopen vruchten en groenten verborgen zijn. Maar

spoedig wordt die indruk weggevaagd. Op die onfrissche voorsteden

volgen prachtige straten, waaraan weelderige gebouwen staan, niet

onderdoend voor die der grootste europeesche steden.

De Roemeniërs zijn zeer trotsch op hun hoofdstad en roemen graag

het comfort, dat men er geniet. Zij vergelijken met een zekeren

nationalen trots hun bewonderenswaardig geplaveide straten en hun

openbare pleinen met de afschuwelijke straten van Belgrado, waar men

na een kwartiertje rijdens in al zijn leden pijn gevoelt. Ze noemen

Boekarest dan ook graag het Parijs van het Oosten. Reeds in 1864 zei

de heer de Blowitz, toen hij terugkeerde van een oostersche reis:

"Ik geloof niet, dat er in de wereld een tweede stad bestaat, die

even trouw als Boekarest het land, waarvan zij de hoofdstad is,

weerspiegelt.... Boekarest levert thans een levend en merkwaardig

beeld van Roemenië. De stad wikkelt zich los uit den chaos van

gisteren en haakt naar den luister van morgen. De lompen nemen de

kleur van het purper aan; de eerzucht wordt grooter en grooter;

dit is de nieuwgeboren hoofdstad van een nieuwgeboren koninkrijk."

Met niet minder recht zei Carmen Sylva, de koningin van Roemenië,

in 1892: "Het oostersche en schilderachtige Boekarest, het Boekarest

met kleine, in het groen verscholen huisjes, waar men zei "het huis

van den heer Zus of van mevrouw Zoo", terwijl men de menschen bij

hun voornamen noemde, dat Boekarest verdwijnt, om plaats te maken

voor een stad als alle andere. Het heeft nog alleen een oostersch

karakter voor hen, die pas uit het Westen komen. Zij, die uit Azië

naderen, gaan met een zucht van voldoening de Donau over en zeggen:

"Gelukkig, nu zijn we in Europa!"

Ons schijnt Boekarest nog heden den hoogmoed en de eerzucht te bezitten

van den pas onlangs vrijverklaarde, die door gloednieuwe weelde zijn

pas overwonnen staat van dienstbaarheid wil doen vergeten. Vandaar die

treffende tegenstellingen, die men telkens in de stad ontmoet, hier

lage huizen, echte zwerverskrotten, waar halfnaakte menschen uit te

voorschijn komen; daar prachtige paleizen als het Spaarbankgebouw en 't

Postkantoor, rijk versierde café's, waar de voorname roemeensche wereld

samenkomt. Aan den eenen kant winkels van oud roest als in de Leipziger

straat, waar de kooplui hun schatten zoo maar op straat uitspreiden,

en aan den anderen weelderige magazijnen van den modernsten smaak,

die met de mooiste winkels van Parijs kunnen wedijveren.

De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde

tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft

kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd

der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling

op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde

uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter

mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van

plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in

zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al

zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd,

de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl

opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch

wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die

oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de

eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.

Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte

heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het

siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie

maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt

de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen

soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam;

die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet,

en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van

den winter.

De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden,

worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken;

de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om

het middel en een platte pet op het hoofd.

Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte

der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M_2_. Als men dan ook van

de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het

groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen

en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts

een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen

armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de

Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen

en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen

van weldadigheid.

Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de

Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij

ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig

uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster

staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van

links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts

het gebouw der volksvertegenwoordiging.

Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat

zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van

Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die

kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste

uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.

Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door

de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen

woiwode van Walachije.

Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde

hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor

het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van

Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van

de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten,

van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.

Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om

haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft

een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen

bij hun terugkeer uit Konstantinopel.

Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de

Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van

het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader

der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de

russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877-78.

Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze

straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het

bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries,

de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en

vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs

de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de

grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea

Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.

Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de

meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht,

er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt

op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen

winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte,

een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer

zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder

schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt

den reiziger niet in verrukking.

Bij 't begin van den weg staat het paleis van den oud-minister

Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel

wat overladen versierd, is toch een zeer indrukwekkend gebouw. Het

staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men

ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen

bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar

net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van

die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest

gezochte lustverblijven.

Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien,

hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel

betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest

op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware

woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor

van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard,

vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op

te tooien.

Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn

vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt

wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is

opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen

arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die

aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den

arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en

vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.

Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan

de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der

theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor

de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende

musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude

fresco's uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde

tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders

gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien

stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij

werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan

voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den

aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen

stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in

't museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen,

moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met

edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De

ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.

Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het

eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den

erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen,

ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.

Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het

grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer

verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het

ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door

een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de

cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden

op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen

is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.

Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk

en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote

hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen,

arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten,

doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en

de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de

eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons,

leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar

speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote

tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.

Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der

belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den

spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.

De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op

verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche

hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië

een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de

zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien,

twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet

dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.

Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land,

en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen

voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend,

maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste

zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op

de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de

consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms

ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die

een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men

zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.

Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan

zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie

in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de

mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton

op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus

zijn op 't oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic,

van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.

De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van

den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte

een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die

uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent

in een marmeren kathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in

den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken

verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie

volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten

uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.

Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime

zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer

inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem,

die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het

smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden

met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van

elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men

door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen,

groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden

verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door

vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders

bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn

waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen

van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier

jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks,

in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren

zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning

van 60 à 80 _bani_ per dag.

Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze

groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei

vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in

zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste

afzetgebieden.

Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het

petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen

stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten

rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.

Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana,

om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het

dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een

vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele

middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is,

dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water

snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om

die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen

rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd

van hoogen waterstand tegenhoudt.

Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen,

moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs

allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier

zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle

kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan,

die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum;

de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn

alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt

het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts

zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen

de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft

men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem-

of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In

het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum

verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door

een zuigpomp.

Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen,

of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen

put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de

boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische

putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à

20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die

cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een

boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met

tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen;

hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer

naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort

zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens

voeren.

De petroleum is bij 't verlaten van den put een dikke vloeistof, die

troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen

weerschijn.

Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond

komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het

dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om

de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld

af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale

pompen, die soms verbazend krachtig werken.

In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge

temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats,

waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.

De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum

is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke

diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet

dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet

anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten,

welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie,

die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk

vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven

door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij

van petroleumexploitatie.

Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid

der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende

maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de

vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden

zijn voor Roemenië's industriëelen vooruitgang.

De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten

denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog

voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt

roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen

bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de

bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden,

en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als

geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.

Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen

om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart

in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie

wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door

fabrieksrook.

Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en

kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water

der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de

zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen

van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden

komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar

de weg doorheen leidt.

Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme

rots van 2500 M. Sinaïa.

Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te

danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van

Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen

als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de

aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten,

hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in

Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.

Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa's;

dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons,

watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa

liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd

overvol; het kost ons moeite logies te vinden.

In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij

onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in

een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen

wij genoegen meê.

Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor

ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar

divans, die 's nachts in legersteden worden veranderd en over dag de

gewone diensten bewijzen.

In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt

Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen

het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast,

dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.

De roemeensche wijnen zijn over 't algemeen zacht en fijn. De

witte wijnen van Dragashani en Cotnar zijn dadelijk bij ons in de

gunst. Wij kunnen de roode wijnen minder prijzen, hoewel ze hier

veel lof inoogsten en men tracht, ze in waarde gelijk te stellen

met Bordeauxwijn. Ofschoon de Roemeniërs lofwaardige pogingen in het

werk hebben gesteld voor het welzijn van hun wijngaarden, ofschoon

ze zelfs uit Frankrijk veel wijnbouwers hebben laten overkomen, om

de roode wijnen te bereiden, toch zal de roemeensche wijn nooit met

den franschen kunnen wedijveren.

Te Sinaïa is het leven weelderig en duur; trouwens de rijke Roemeniër

geeft graag geld uit, hij houdt van mooie kleeding en van pleizier;

hij is een beschaafd man in elken zin des woords.

De wereld in dit hôtel is een officiëele wereld. Het is het hôtel der

gezanten en ministers. Er zijn hier roemeensche families, die op zeer

grooten voet leven en geheel in de mondaine wereld op hun plaats zijn.

De groote namen, die men hoort, doen mij denken aan een eigenaardige

bijzonderheid van den roemeenschen burgerlijken stand. Niet dat men

de echtheid van hun hooge afkomst behoeft in twijfel te trekken;

maar tot in den laatsten tijd bestond nog niet de erfelijkheid der

familienamen. Gewoonlijk noemde men zich maar doodeenvoudig Jan,

Filipszoon of Philepsco, zooals men in Servië Pavitsj zegt voor den

zoon van Paul. Ieder kan naar believen bij zijn voornaam den naam

van zijn buurman voegen, of zelfs dien van een vorst of een beroemd

generaal en dien tot zijn eigen maken, ook voor zijn erfgenamen die

hem wilden behouden. Zoodat die groote namen, die ons aan beroemde

personen doen denken, niet het idee moeten wekken, dat we ons in de

tegenwoordigheid bevinden van afstammelingen dier grootheden, doch

alleen van afstammelingen hunner bewonderaars, die den beroemden naam

hebben aangenomen.

Een verschrikkelijke storm met diluviaanschen regen heeft den geheelen

nacht onze vensters geschud, en 's morgens bij het opstaan zien wij

de treurig slikkerige wegen gehuld in een niets goeds voorspellenden

mist. Wat te doen in Sinaïa, als het regent? Er is geen kurzaal,

noch casino, en in de hôtels, die te klein zijn voor het aantal

reizigers, dat zich er ophoopt, vindt men slechts een klein lees-

en biljartzaaltje. Ondanks den fijnen, aanhoudenden regen besluiten

wij een exploratietocht te doen.

Bij het stijgen in de boschjes achter het hôtel komen we al spoedig aan

het klooster. In 1695 gesticht door Michaël Cantacuzenos, bestaat het

als alle kloosters van eenige beteekenis uit twee pleinen, waar rond

omheen de woningen der monniken en de bijgebouwen van het klooster

zich groepeeren. Midden op ieder van de beide pleinen staat een

klein byzantijnsch kerkje. Een werd op dat oogenblik gerestaureerd,

en dank zij der vrijgevigheid van den koning kan de restauratie zeer

goed geschieden.

Lang diende het klooster in troebele tijden als schuilplaats voor de

bewoners van het laagland, die in de bergen een toevlucht zochten,

terwijl het tevens gastvrijheid bood aan reizigers.

Toen koning Karel en koningin Elizabeth, aangetrokken door de machtige

bekoring en de vreemde poëzie van het woud te Sinaïa, voor de eerste

maal er een deel van den zomer kwamen doorbrengen, namen zij hun

intrek in een der bijgebouwen van het klooster.

Eerst na eenige jaarlijksche bezoeken besloten zij in een liefelijk

dal achter het klooster een paleisje te bouwen, dat door den kunstzin

en den goeden smaak der koningin een der juweeltjes van Roemenië

werd. Weldra werd het voorbeeld gevolgd, en midden in het bosch

verrezen aan alle kanten sierlijke villa's en optrekjes. De regeering

bouwde een paar hôtels voor reizigers, en het begin van Sinaïa was er.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, heet naar den berg waarop

het ligt. Uit de verte gezien, treedt het naar voren uit een dicht

dennebosch, dat de rooskleurige rotsen van het Bucegi-gebergte

kroont. Het prachtige gebouw van steen en hout, waar gothische

en byzantijnsche elementen in vereenigd zijn, is een harmonieus

geheel, met sierlijke torentjes, mooie balcons en terrassen, een

dichterdroom van de kunstenares Carmen Sylva. Inderdaad, wie Sinaïa

noemt, roept dadelijk zich het beeld van de vorstin voor oogen, van

haar, die dit lustoord in het leven riep. De koningin van Roemenië is,

zooals ieder weet, een dier superieure vrouwen, die van kunst, poëzie

en melancholie leven. Zij is graag in het woud, kent er alle paden,

en om er naar hartelust te kunnen droomen, heeft zij zich een hoog

verblijf laten inrichten, een huisje, hangend in de boomen hoog op den

top van een der bergen, die Sinaïa omgeven. Het Nestje der Koningin,

zoo noemt men hier die plek. Van daar overziet zij den gansenen omtrek.

Eenige jaren geleden zag men haar dikwijls met de dames van haar

gevolg gekleed in de nationale kleederdracht, die zoo goed past bij

haar hooge, majestueuse gestalte. Maar de poging, om het bekoorlijke

costuum weer in eere te brengen onder de deftige dames, heeft niet

het succes gehad, die de sierlijke witte, met byzantijnsch borduursel

getooide dracht verdiende.

De roemeensche dames, minder dichterlijk van aanleg dan haar

souvereine, worden bekoord door de parijsche modes, en men ziet heel

zelden de nationale kleeding meer te Sinaïa. Eigenlijk treft men die

alleen aan als historische merkwaardigheid en wel vooral op de markt,

die des Zondagsmorgens gehouden wordt in de groote laan. Boerinnen

spreiden er op het gras langs den weg en op de hekken der tuinen

de mooie borduursels uit, doorschijnende sluiers, halsdoekjes en

lijfjes met rijke patronen en andere fraaie toiletartikelen. Sinaïa is

eigenlijk een wonderlijke badplaats! Men zou er dépendances verwachten

van alle groote huizen te Boekarest en winkels, waar de elegante

dames al haar luimen konden bevredigen, maar er is niets van dat alles.

Wij hebben het dorp Sinaïa bekeken. Het bestaat enkel uit een

kronkelende, sterk hellende straat. Een gewone kruidenierswinkel is

er, met een paar winkeltjes van visch en groenten. Te Sinaïa boven

vindt ge een kapper, een photograaf en een paar banketbakkers; maar

artikelen van dagelijksch gebruik kan men er niet krijgen.

Wat de bijzondere aantrekkelijkheid van de plaats uitmaakt, zijn

de verrukkelijke wandelingen, die men in 't oneindige variëeren

kan in de dalen en op de hellingen der bergen. Bij het verlaten

van den grooten weg is men dadelijk op goed onderhouden voetpaden,

die tot in het diepste van het woud voeren, en hier begrijpt men de

koninklijke gril van Carmen Sylva; men kan zich niets woesters en

dichterlijkers en idealers denken. Dit is het maagdelijke woud in

den besten zin. Boomen van zes meters in omtrek en vijftig meter

hoog staan er in grooten getale. Meest zijn het dennen en beuken,

die met hun groen de bergen tot groote hoogte bedekken.

De grond is geheel bedekt met heide en mos. Hier en daar blijven

omgevallen stammen op den bodem liggen, zooals de storm ze velde. De

koning, tot wiens domeingoederen het bosch behoort, wil niet, dat

iemand eraan raakt.

Elk voetpad leidt naar een mooi uitzicht. Het toeval voert ons naar de

Promenade der H. Anna aan de grenzen van het woud. Boven ons hoofd op

een kalen top van rood gesteente, die wel ontoegankelijk lijkt, staat

een sierlijk paviljoentje, dat ons schijnt uit te tarten. Maar 't is

al laat, en het weêr is onzeker. Wij durven ons niet verder wagen.

Op regendagen is het stil en somber te Sinaïa; maar als de zon

schijnt, hoort men overal muziek in de tuinen, militaire muziek en

Zigeunerliederen, die de echo's wekken van de donkere bergen.

Het kroondomein heeft overal een goeden invloed op de

boerenbevolking. Door de vele scholen, die het bestuur der domeinen

opricht, ook vak- en landbouwscholen, worden de boeren op de hoogte

gebracht van een rationeele manier om den grond te bebouwen en gebruik

te maken van machines en andere verbeteringen. Zij krijgen onderricht

in de behandeling van het vee en van allerlei aanplantingen. Alle

pogingen worden door de kroon in het werk gesteld voor de verheffing

van den boerenstand.

In den loop zijner regeering heeft de koning veel wegen laten

aanleggen, en hij heeft daarbij dikwijls een beroep gedaan op

buitenlandsche ingenieurs, ook voor den aanleg van spoorwegen. Niets

wordt verwaarloosd, wat den boer vooruit kan brengen en hem in staat

stelt zijn woning gezonder en zijn leven rijker te maken. Maar de

slavernij heeft diepe sporen nagelaten, en al zijn sommige streken,

vooral die tusschen Predeal en Boekarest, krachtig ontwikkeld, aan de

bergachtige randen van Roemenië is de bevolking nog niet veel verder

gekomen, dan zij was onder de turksche heerschappij.

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 · 第 20 / 49 题