Het hollandsche land.--Het water.--De molens.--De landbouw.--De
polders.--De dijken.--Oorsprong van Holland.--Een avond te
Veere.--Wemeldinge.--De vijf jonge meisjes.--Stomme flirt.--De dronken
man.--Het leven op het water.
Een deel van Nederland ligt, zooals bekend is, ver onder het niveau
van den zeespiegel en zelfs van de rivieren, hetgeen de werken van
allerlei aard verklaart, door de inboorlingen gebouwd om het water
tegen te houden, sommige schijnbaar van weinig beteekenis, maar
kolossale werken, als men ze nader onderzoekt.
Voordat de Rijn geboren was, waren de Nederlanden een zee. Op een
goeden dag werd er in de Ardennen een bres geslagen door de meren, in
hun omtrek opgesloten; de bergen weken voor de overweldigende kracht
en hun wanden werden weggeslingerd tot op grooten afstand. De Rijn,
een nieuwe waterloop, teekende toen Nederland, zooals het hem behaagde,
met behulp van Maas en Schelde.
Aanhoudend een massa alluviaal slib aanvoerend, deed hij stapje voor
stapje de zee terugwijken, tot deze haar revanche nam en toen werd
tegengehouden door een nieuw menschengeslacht. De Rijn, zwakker
geworden door de vele zijtakken, die hij uitzond, zou in het zand
gestikt zijn, als de genialiteit der menschen hem niet te hulp was
gekomen.
De krachten van de zee en die van het stroomende water, de neiging der
rivieren, om hun mondingen te laten verzanden, de hevigheid der winden
en de overvloed van regen, van watertoevoer bij den voorjaarsdooi,
deden de drie rivieren zwellen en buiten haar oevers treden, waarbij
zij in het land veel moerassen achterlieten en meren, die drooggemaakt
moesten worden en daarna door dijken moesten worden omringd.
De geschiedenis der overstroomingen in Holland is bijgevolg een
lange, treurige historie; zonder de Hollanders zou Holland er niet
zijn; zonder hun voortdurende waakzaamheid, zou het land weldra een
waterwoestijn wezen.
Van Middelburg in Zeeland tot Amsterdam en Hoorn wordt het land, dat
eindeloos vlak is, door tallooze kanalen doorsneden, door bruggen,
slooten, moerassen en sponzige weiden, waar de beesten soms tot de
knieën inzakken.
Men moet zich een reuzendambord voorstellen, in alle richtingen
doorsneden door waterwegen, waarin zich altijd wolken spiegelen en
kleurige huizen, dikwijls van hout opgetrokken, en molens en kudden.
Smalle wegen, met steenen geplaveid, loopen langs de groote kanalen
en brengen steden en dorpen met elkander in gemeenschap.
Weinig of geen landbouw. De veeteelt is voldoende en voedt den bewoner
met vette melk, met kaas en biefstuk.
Het water heerscht alom, het overweldigende water, het water, dat
rijst of daalt met de maan, en dat, zoo ver het oog reikt, zijn zacht
vloeiend reuzennet uitbreidt, waar altijd-door de schepen en de booten
en de eenden gaan.
De weide, van een wonderbaarlijk teeder groen, trekt bij den eersten
oogopslag de aandacht, breidt ver zich uit tot aan den grijzen horizon
en is bezaaid met pyramidevormige daken, met koeien en stieren van
onbegrensde en verbazende rustigheid, die de welriekende geuren
snuiven van de bloeiende grassen en hun tong laten strijken langs
het fluweel der zachte groenheid vóór hen.
Het is eentonig, en die eentonigheid, verkwikkend voor het oog als
een licht gewasschen waterverfteekening, wekt indrukken van vredige
kalmte, welker afstraling men overal bespeurt, in de menschen zoowel
als in de dingen.
Zenuwlijders en zij, wier bitter verdriet of wier heftige
gemoedsopstand hen in onrust brengen, moeten hier bij 't dwalen langs
die duizenden van rimpellooze spiegels, te midden van die eindelooze
natuurlijke tapijten, hun hart tot rust voelen komen.
Ziehier een paar schetsen. Na een hevigen regen op den weg van
Monnikendam, een rood huis in een kring van kortdikke boomen; het
lint van den weg ligt vol plassen, heldere vlekken, waarin het blauw
van den hemel zich weerspiegelt. Andere huizen staan verderop; twee
molens draaien heftig met stooten, houden een seconde op, beginnen
weer, draaien, houden stil en draaien weer, de groote stilte brekend
met hun gevleugeld rhythme.
O, die molens!... Hun aantal brengt een mensch van de wijs. Nooit
zou men kunnen gelooven, dat er zooveel zijn. Ze dienen voor alles,
voor het uitpersen van olierijke zaden, het braken van vlas, het
zagen van hout, het pompen van water. Het minste zuchtje wind, dat
over het land strijkt, moet voor de industrie zijn dienst bewijzen,
wordt even vastgehouden om de duizend wieken te helpen draaien,
die hun bewegelijke kruisen teekenen op de grijze lucht.
Groote en kleine, ronde en vierkante, er zijn er van allerlei soort
en vorm en afmeting, van 't kleinste watermolentje, dat wanhopig en
woedend draait, tot den indrukwekkenden toren van den tolhuismolen,
begroeid met zachtgroen mos.
Die molens hebben reden van bestaan. De dijken en de sluizen, die tegen
het buitenwater zijn gemaakt, tegen de zee en de rivieren, zouden
alleen niet voldoende zijn geweest, om Holland bewoonbaar te maken,
zoo het land niet de kunst verstaan had, zich van het binnenwater
te ontdoen, dat aangevoerd wordt door de regens, de hooge vloeden,
de bronnen en de afgraving van het veen. Bij gebrek aan machines,
ging men bij den wind om hulp, en men bevond er zich wel bij.
In 1850 berekende men, dat 30.000 H.A. lands, met inbegrip van het
beroemde Haarlemmermeer, zoo van den Oceaan teruggewonnen en voor
den landbouw beschikbaar gesteld waren.
De groote moeilijkheid bestond in de handhaving van het evenwicht
tusschen de bijzondere belangen van die polders en de algemeene
belangen van het afwateringssysteem, waaraan het land zijn bestaan
te danken heeft. De verdeeling van de watermassa's moet met oordeel
geschieden, of er kunnen de grootste rampen uit voortvloeien. Maar men
voorzag erin door het in 't leven roepen van scholen voor ingenieurs,
waar het kleine leger werd gevormd, dat in opdracht heeft, het
grondgebied te verdedigen tegen den eeuwenouden vijand. Als het
al niet zoo moeilijk is, een sluis te bouwen, een dijk te dichten,
een moeras droog te leggen, er is veel wetenschap en veel oplettende
waarneming noodig, om op de goede wijze de watermassa's af te voeren
en te verdeelen.
Een ander schetsje. Te Westkapelle komen twee vrouwen uit den molen,
waarvan de ramen twee groote oogen lijken boven een deur, die een
neus verbeeldt. Eén heet Keetje; zij is getrouwd met Jocker, den
eigenaar van den molen; de andere is haar schoonzuster, Van de Eserke,
wier man boer is. Beide verbazen zij zich, dat de boot van Rotterdam
nog niet de zakken koren heeft meegenomen, waarmee men haast heeft,
als men ten minste ooit haast met iets kan maken.
De landbouw, voor zoo ver men eigenlijk hier van landbouw spreken kan,
bepaalt zich tot aardappels, kool, wortels en bieten. Weinig koren,
alleen wat tarwe en haver, en dan nog vlas, ziedaar alles. Dat is
zeker een der redenen, waarom men geen brood eet, maar zich voedt
met meelspijs, melk en boter.
De velden, waar iets verbouwd wordt, zien er slikkerig, vet, leemachtig
uit; in regenachtige perioden zakken de karren er tot de naven der
wielen in. Zoo'n land zou niet geschikt zijn voor de verschillende
producten van onze landbouwstreken.
De beetwortel wordt in Zeeland over een groote uitgestrektheid
verbouwd. Als de herfst in het land is, ziet men van alle kanten
wagens, door sterke paarden getrokken, heele bergen er van naar de
aanlegplaatsen vervoeren. Indrukwekkend verrijzen die hooge hoopen,
alsof er manna uit den hemel was gevallen, en onophoudelijk worden de
vrachten geschift en geteld door groepen, die niet veel haast maken,
terwijl de dikke kegels, die bultig of opgezwollen en log zijn,
symbolen lijken van de menschen, die ze wegen.
De schuiten, het eenig mogelijke vervoermiddel in deze vochtige
oorden, komen ze halen, om ze te brengen naar de rustige fabrieken,
waar de stoom hen zal vervormen.
Over de kanalen met de duizenden van zijtakken glijden de
vaartuigen. Den ganschen dag gaan er zoo voorbij, en men vraagt zich
af, hoe de schippers niet verdwalen te midden van die waterwegen,
die alle op elkaâr gelijken.... Maar de wind, die hen leidt, bedriegt
hen niet, en zij komen zonder ongevallen in de gewenschte havens,
waar ze hun lading lossen en haar na zorgvuldige opeenstapeling
inwisselen tegen klinkende guldens of tegen ruilwaren.
De voortglijdende schepen en de draaiende molens zijn de eenige
verlevendiging van de al te groene landschappen.
Achter de kunstmatige oevers, aangelegd om het land te beschermen,
komen de met wimpels versierde masten aanglijden, zachtjes en
voorzichtig, en het is allermerkwaardigst, die zeilen en masten te
zien passeeren boven de landen als lange, zwarte kaarsen.
Door het trillend water van 't kanaal wenden de schuiten stil
en ernstig hun steven stroomaf langs de buigende waterlelies en
trekken strepen over het water, en op den kalen oever zeulen magere,
kleine paarden ze voort, langzaam en voorzichtig door het groene
polderland. Links en rechts strekt dat zich onafzienbaar ver uit,
zeeën van groen vormend, waar het eenig teeken van menschenleven
gegeven wordt door de molens met hun wijde wiekenvluchten, als spoken
ijlend door de lucht. Zij knikken den reiziger toe, al springend en
huppelend in een rhythme als van den dans. Ernstig loopen koeien en
ossen van bruine kleuren door de velden en scheren de malsche grassen
af, terwijl door het water van de vaarten de schuiten gevolgd worden
door een stoet van eenden.
Holland is het land, waar het allerminst geluiden worden gehoord,
want alles glijdt er over 't water.
Er bestaan booten voor iedere soort van transport, dus ook voor
passagiers. Dat zijn kleine stoombooten, met hutten en dekken, die
zonder eenigen schok voortglijden door de kronkelende wateren.
Als de reis lang is, richt ieder zich in als thuis, zit te rooken
of zet zijn werk voort, als om zuinig te zijn met de stof, waaruit
het leven is gemaakt. Er wordt geschreven, gegeten, geslapen. De
vrouwen naaien, breien, vertrouwen elkander geheimen toe. Van die
haven tot die gindsche ligt voor haar de lengte van een halve kous,
van een boezelaar of een intiem verhaal.
Men vaart langs een eentonig landschap, dat is waar; maar hoe rustig en
verkwikkend is het niet, in die algemeene stilte den vorm der wolken
na te gaan en het oor te luisteren te leggen naar 't geschuifel van
het water, als het door het bootje wordt gekliefd! Dit is een feest
der diepe gewaarwordingen, feest van vloeiend water en nevel, van
't koeltje en het licht en de golfjes!
De minste afwisseling krijgt dadelijk een wonderlijk groote beteekenis,
en men gaat een molen bewonderen, die er wat sierlijk uitziet, of een
roode boerderij, een vreedzaam rund, een jongen, die voorover buigt,
om zijn bootje voort te trekken met behulp van zijn hond.
In 't voorjaar en den zomer geven waterlelies en irissen witte en gele
tinten aan het blauwgroen water van den kant der kanalen, en in de
schemering werpt de zonsondergang van mooie avonden er het geheele
gamma van zijn kleuren neer, en men krijgt de illusie, over goud,
purper en saffier te varen. Wie Holland wil leeren kennen, moet per
boot reizen liever dan per spoorweg. Het aanleggen bij de verschillende
landingsplaatsen brengt den reiziger tot in het hart van 't hollandsche
land en laat indrukken na, die een vreugde zijn voor langen tijd.
Trouwens die methode van vervoer beantwoordt zoo uitstekend aan de
natuur van het land, dat zij de eenig mogelijke schijnt te zijn. De
meeste diensten, die elders per wagen worden verricht, gaan hier door
middel van booten. De groenteboer duwt zijn schuit voort, beladen met
groenten, vrachten of bloemen, zooals hij in Frankrijk zijn ezeltje
of zijn karretje leidt.
Te Amsterdam hebben de verhuizingen te water plaats; melk, bloemen,
hout enz. worden eveneens zoo vervoerd en aan de eene gracht heeft
men de markt voor het eene, aan de andere gracht die voor het andere
product.
Nadat hij het water heeft teruggedreven, weggejaagd en met dijken
beteugeld, houdt de Hollander ervan, het overal heen te voeren; hij
leidt het door zijkanalen en slooten, maakt er de afsluiting zijner
landerijen en weiden van, de barrières voor zijn kudden, zonder dat
hij honden of herders noodig heeft.
Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de schapen, die dwaze
viervoeters, die verdrinken zouden zonder opzet, doordat ze met hun
neus al te ijverig den weidegrond besnuffelden. Men komt ze soms
tegen langs de vaarten, ijverig grazend, gehoed door hun eigenaar in
een rossige overjas.
Te Wemeldinge, ten zuiden van Goes, vindt men zulke tooneeltjes
ook, getuige dit haastige schetsje, dat mij een mijner meest typisch
hollandsche gewaarwordingen gaf: een avondhemel van lichtgrijze kleur,
een geelachtig kanaal, een langzame schuit, stijve molens, bruine
polder, witte beesten met zachte omlijning, oude man in gedachten,
stilte.... Zelfs de hond blaft niet, als een schaap den verkeerden
kant uitgaat, maar bepaalt er zich toe, zijn snuit tusschen de pooten
van de afgedwaalde te steken.
Wemeldinge is een oud plaatsje, vooruitgeschoven sluizenpost in de
wateren. Ik kwam er op een regenachtigen morgen aan, toen de hemel in
toorn zijn ganschen watervoorraad uitgestort had. Ik had Zoutelande
verlaten, om mij naar Westkapelle te begeven, waar de beroemde
westkappelsche zeedijk is, alleen te vergelijken bij die van dichtbij
den Helder. Die dijk, verscheiden duizenden meters lang, uit enorme
steenen en stevige palen bestaande, stelt een verbazende hoeveelheid
arbeid voor, wanneer men bedenkt, dat er noch steengroeven, noch wouden
in de buurt zijn. Een kolossale molen steekt er boven uit, niet ver van
de huizen met roode daken. Dat alles ziet er niet juist treffend uit,
doet ten minste niet bij den eersten aanblik verbaasd staan. De natuur
verzacht ook een beetje het bewijs der menschelijke energie, door elk
open plekje met gras te bekleeden; maar zij kan de zee niet beletten,
er onophoudelijk tegen aan te slaan, en als men zich keert naar de
vlakte, krijgt men een indruk van wat de zee heeft moeten afstaan.
Van Westkapelle naar Veere is niet ver, langs een goed onderhouden
weg. Te Veere is een oud kasteel in een hotel veranderd, onmiddellijk
aan het water gelegen. Een ronde toren is het eigenlijke hoofdblok van
het huis en dient als gezelschapszaal op de eerste verdieping. Hooge
vensters met diepe vensterbanken bieden een goede zitplaats, om den
strijd gade te slaan van de zonnestralen tegen de nevels en de wolken
en de schaduwen.
Bij het vallen van den avond vallen er subtiele, teedere kleuren in
de ruimte neer, en mooie lichteffecten worden verkregen; als dan de
avond en de nacht daar zijn, dansen overal op het water de lichtjes
en de vuren, teekenen zich eerst onduidelijk af, komen naderbij,
worden rooder, verdwijnen weer. Men hoort geen roeiriemen plassen,
noch geklepper van zeilen of liedjes van scheepsjongens, en 't is,
of het spookschepen zijn, die schatten van de diepten zoeken.
Te Veere nam ik den volgenden dag een vroege boot en voer naar
Zierikzee in een fijnen regen, wanhopig eentonig, een hollandschen
regen, die echter spoedig overging in dikke pijlvormige stralen,
met woeste vaart uit den hooge naar beneden schietend.
Ineengedoken in mijn regenmantel, onderging ik op stoïcijnsche manier
den storm, kijkend naar de wagens, die weggezakt waren in den weeken
grond der velden en nu en dan omhoog gehaald werden door de krachtige
inspanning van paardenheupen en pooten, met vet slib bezoedeld.
Maar ten slotte werd het toch weer helder; ik besteeg mijn fiets en
rolde door het land, overal rondkijkend en tegen den wind in trappend.
Ik legde vele kilometers af, reed over ophaalbruggen en dammen, langs
weiden en stukken bouwland, door dorpen, die alle aan elkaar gelijk
waren, en kwam te Wemeldinge op den tijd toen mijn maag luide riep
om nieuwen voorraad.
Wemeldinge heeft een hoofdstraat, beplant met geschoren olmen. Geleid
door een klein meisje, kwam ik al gauw in 't eenige logement der
plaats.
De waard, een groote, magere man met een profiel voor een medaille,
ontving mij vriendelijk. Hij waarschuwde zijn vrouw. Deze was niet bij
machte mij te begrijpen en riep haar dochters. Vijf jonge, frissche
deerntjes, lachend en rose en mooi, kwamen te voorschijn en stonden
met haar bloote armen en haar gevleugelde mutsen om mij heen. Ik
nam een blad papier en teekende een koe, toen een brood, een karn en
andere ingrediënten, die als symbolen konden dienen van voedsel, dat
ik wenschte te verorberen. Zij vouwden de handen, lachten zeer luid
en spraken allen tegelijk onder druk bewegen van haar kleine handen,
om mij een massa geheimen te onthullen.
Ik haalde mijn woordenboek voor den dag. Dat wekte sensatie.
"Lief boerin ... aardige meisjes..."
Zij dansten van pret. De moeder liet ze op een rij staan, telde ze
met den voorvinger en klopte zichzelve op de borst.
"Ik heb ze het leven gegeven."
"Mijn compliment... Bekoorlijk... Ik heb zoo'n honger!"
Nu haastten zij zich. Eén bracht melk, een ander roastbeef, een
derde brood, een vierde kaas. De vijfde, die heel mooi was, een Martha
gelijk, bleef stil bij mij en hielp mij den weg vinden in het labyrinth
van mijn zinnetjes, die zulk duister Nederlandsch bleken te zijn.
Als een pacha ging ik aan de tafel zitten, bediend door de bekoorlijke
schoonen, wier rustige gratie en frischheid mij kalm stemden. Ik
verscheurde het taaie vleesch met mijn tanden en verslond met mijn
oogen de aardige tronies. Inderdaad ben ik nooit het voorwerp geweest
van zooveel attenties, zelfs niet in mijn vaderland, waar de jonge
meisjes toch heel lief zijn.
Toen ik verzadigd was, stak ik een sigaret aan en beloofde den jongen
dames waar te zeggen. Het was vermakelijk. Zij kwamen dicht bij mij
staan, terwijl ik met gefronste wenkbrauwen als een wijze sybille de
lijnen van haar handjes bestudeerde.
Daarop wilde ik weten, hoe oud ze waren. De handjes gingen omhoog en
als kleine kinderen, die op de vingertjes optellen, rekenden zij de
lentes na, die ze achter zich hadden.
Ik vroeg ze, mij een hollandsch liedje voor te zingen. Ze vatten
elkander om het middel, traden terug tot achter in de kamer en liepen
naar mij toe onder het zingen van een airtje, tra la la.... Toen
bukten ze allen en lachten, dat ze schaterden, om daarna haastig weg
te loopen. De vader, die tusschen zijn glazen en blaadjes kalm zijn
pijpje zat te rooken, lachte mee.
"Waar zijn zij heen?" vroeg ik in armzalig Duitsch.
"Naar boven," zei hij, wijzend naar 't plafond.
"Ik wou haar portret wel maken."
"Wacht een oogenblik."
Beneden aan de trap wezen vijf paar zwarte pantoffeltjes, met kralen
versierd, op een overhaaste vlucht. Hoewel ik er lust toe gevoelde,
durfde ik niet naar den harem opstijgen; dus vergenoegde ik mij met
wachten en een sigaartje te rooken.
Een kwartier ging aldus voorbij; daarna hoorde ik achter de deur een
onderdrukt geluid. Ik deed de deur open. De oudste drie stonden daar,
uitgedost in de beste spullen.
"En de beide anderen?"
Zij schudden het hoofd, wezen op haar kapsel, haalden de schouders op,
en ik meende uit de bewegingen te moeten opmaken, dat een aanleiding
van coquetten aard ze belette, naar beneden te komen.
"Maar wij zijn er, wij!" beduidden ze mij.
Ik volgde de meisjes in den tuin, waar een groen hek dien afsloot,
begroeid met klimrozen en loopend langs een wegje. De zon scheurde
bij tusschenpoozen de zware wolken, die in troepen langs den hemel
draafden, en verlichtte dan plotseling den violetten horizon met een
geelachtig schijnsel; maar de mutsjes met de ronde vleugels vulden
voor mij de gansche ruimte, zooals ze daar boven de levendige oogen een
geheimzinnige taal spraken. De jonge meisjes lachten en lieten de armen
hangen. Ik nam ze om beurten bij de pink en bracht ze naar het hekje,
waar ik tegen leunde, om haar in oud Fransch een fijn complimentje te
maken, waarvan zij enkel den klank begrepen; maar die was aangenaam,
want het was dit versje van Ronsard:
"Donc, si vous me croyez, mignonnes,
Tandis que votre âge fleuronne
En sa plus fraiche nouveauté,
Cueillez, cueillez votre jeunesse;
Comme à cette fleur la vieillesse
Fera ternir votre beauté."
Toen zette ik de drie gezichtjes door mijn voorbeeld in de gewenschte
plooi van ernstige vriendelijkheid, en ik ging wandelen, na even mijn
vinger gelegd te hebben op de gouden vlindertjes bij haar voorhoofd.
Ik liep langs het groote kanaal. De sluizen, die ieder oogenblik
opengaan, lieten langzame schepen door, die, met de zeilen geheschen,
zich verwijderden in de groene omgeving tegen den bewegelijken
achtergrond der lucht, waar zware wolken voortjoegen. Wagens waren
in de buurt bezig hoopen beetwortelen af te laden. Een oude man
hoedde de schapen op de hellingen van den wal. En overal stilte,
altijd stilte ... toen weer avond.
In de biljardkamer zie ik mij vervolgens, passend bij de omgeving,
gezeten in een hoek en sigaretten rookend met tegenover mij twee van
mijn jonge meisjes, die met droge tikjes aan het breien zijn. Wij
lachen nu en dan tegen elkander met in onze oogen werelden van
onuitgesproken dingen. Ik geniet van de witheid harer aardige huiven,
van de blankheid van haar teint, de lenigheid harer bloote armen,
mooi uitkomend tegen 't zwart fluweel der korte mouwtjes. En die stomme
flirt in het koffiehuis van het verloren dorp bij den rook van sigaren
en de schokjes van de biljardballen, bewogen door ernstige spelers,
bij de kolossale glazen bier en de verbleekte chromo's aan de muren,
wekt allerlei illusies in mijn geest.
Ik denk, dat ik een der boeren ben, en dat ik hier in huis aan de tafel
zit, om mijn hof te maken aan Reneetje Korstanje, dochter van Frans
Korstanje, waard te Wemeldinge. Reneetje is met de laatste kermis
zestien jaar geweest, en ik heb haar onder de anderen uitverkoren
om haar oogen, die een gouden glans bezitten. Ik heb haar te dansen
gevraagd, heb haar poffertjes laten eten, en aan haar pink heb ik een
zilveren ringetje laten glijden, uit de schatten van een marskramer
opgezocht. Den volgenden dag ben ik aan 't venster komen kloppen,
en ik heb mijn eerlijke bedoelingen aan den vader blootgelegd. De
oudere zusters zijn een beetje jaloersch geweest, want zij wachten met
ongeduld, dat voor haar de tijd van trouwen komt; maar 't zijn goede
kinderen, en ze hebben vriendelijk tegen mij gelachen, nauwkeurig
lettend op mijn manieren, om te zien hoe een minnaar doet.
Ik ben in het bezit van drie schuiten, en ik vaar van Goes en de andere
plaatsen van de eilanden naar Rotterdam. Ik passeer alle twee of drie
dagen Wemeldinge, en dat zal heel gemakkelijk zijn, want ik zal daar
dan een mooi huishoudstertje op mij vinden wachten. De bruiloft moet
binnen een maand gevierd worden; er zal een groot feest zijn; we zullen
violen hebben en lange linten, jenever, rundvleesch en zwart bier.
Reneetje zit nog altijd te breien. In Holland breit men niet, als
in Frankrijk, met de punten der vingers. De breisters hebben in de
ceintuur een scheede van gesneden hout; ze steken daar een naald in
en de wol wordt tot breisteken met een verbazingwekkende snelheid,
begeleid door een aanhoudend gegons.... Reneetje breit. Ik schets haar
portret. Zij houdt nu en dan even op, om haar vingers rust te geven,
en ziet met open blik zonder schroomvalligheid of brutaliteit naar
den franschen meneer, wiens baard veel indruk op haar maakt.
De oudste, een mooie blondine, komt binnen en wenkt mij, haar te
volgen. Zij brengt mij naar een zaal en wijst naar de tafel, waar
vijf porseleinen dekschalen op staan met melk en thee en boter.
Ik licht bevend die bedriegelijke deksels op en word bijna flauw
van de geparfumeerde geuren, die opstijgen van de voor mij bereide
gerechten. Maar ik moet dapper zijn, want elk oogenblik gaat de deur
half open, en een der vijf gezichtjes komt eens kijken naar wat ik
doe. Ik voel mij door blikken omringd.... Ze kijken stellig door
het sleutelgat, door het venster en glinsteren, om mij te dwingen,
die dingen daar in te slikken. Ik tracht mij te onderwerpen; maar ik
stik bijna en bepaal er mij toe den biefstuk te eten, het gekookte
vleesch en 't brood, die alle redelijk smaken.
De avond gaat om met langzamen tred. Een jonge onderwijzer, die
brokjes kent van Fransch, Engelsch en Duitsch, heeft met mij gepraat
over zijn toekomstplannen, zijn vrije gedachte en zijn familie. Om
elf uur gaan de klanten opstaan en vertrekken. Alleen een kleine,
ronde, oude man, wiens ambitie bij 't biljarten ik had opgemerkt,
bleef zitten en snorkte kalm.
De herbergier schudt hem heen en weer; verloren moeite. Men schreeuwt
hem iets in 't oor; hij beweegt niet. Men zet hem overeind; hij slaat
zijn zware oogleden op en is op 't punt te vallen. Hij wordt naar de
deur geloodst; maar hij doet drie schreden, om dan op den vloer te
vallen als een lijk. Zijn witte schedel met enkele gele lokken dreunt
dof op den grond, en hij blijft liggen, weer in slaap vallend....
De vijf boerinnetjes zijn doodverschrikt en vouwen de handen. De vader,
die het lastig vindt om de politie, gooit water in het bleeke gezicht
van den dronken man, terwijl de moeder mij geschiedenissen vertelt,
die zeker wel interessant zijn, maar waarvan ik geen woord begrijp.
Daarom neemt de waard een heldhaftig besluit; hij vat de beenen
van den oude, wijst mij het hoofd, en samen hijschen we hem op het
biljard, waar hij lekker blijft doorslapen, als lag hij in een veêren
bed. Buiten valt de regen met zacht geluid. Daar wordt kort op de deur
geklopt. Een stem vraagt iets. Er wordt open gedaan. Een jonge boer
met het ronde hoedje en het vest met metalen knoopen, komt binnen. Het
oudste meisje keert zich blozend om. Hij kijkt naar zijn oom, want
hij is, schijnt het, een neef, die zoo twee van de drie avonden den
dronken man komt halen. Hij schudt meewarig het hoofd, neemt hem
op zijn schouders en gaat heen, begeleid door een straal van licht,
die uit het koffiehuis over den weg valt onder de ronde, geschoren
olmen naar de donkerheid, het water, de zee, het onbekende. En ieder
volgt in stilte de schreden van den jongen man, den schutsengel,
die den als dooden grijsaard meevoert.
Den volgenden morgen ging ik, na een ruime uitdeeling van handdrukken
aan het geheele huishouden en slechts eenige guldens armer, aan boord
van de eerste stoomboot en voer over de kronkelende kanalen tusschen
molens, weiden en dijken naar Noord-Holland.
Die stoomboot zag er verbazend huiselijk uit, en ik voelde, toen ik
mijn voet op het dek zette, dat ik er zou kunnen slapen, zooveel ik
wilde, zonder te worden gestoord. De kapitein, een droog en ernstig
heer, stelde mij voor om naar beneden te gaan, daar het boven koud en
winderig was. Zijn vrouw, een jonge blondine met blauwe oogen, die er
met haar krulletjes en een kleine rose boezelaar kinderlijk uitzag,
zat er en streelde een dikke poes. Zij stond op bij een teeken van haar
man en trad een klein keukentje binnen, achter een schot verborgen,
bracht ververschingen en terwijl de rook der sigaretten haar blauwe
oogen verzachtte, er iets wazigs aan bijzette, zooals de ziel is van
haar volk, liet ik mij zachtjes door het bootje schommelen.
Des avonds, toen de lichten werden aangestoken, verschenen dokken
en bruggen en vele masten van schepen; klokkenspel weerklonk, en
het stoombootje gleed als een vlindertje tusschen reuzengevaarten
Rotterdam binnen bij het slaperig geluid van de stoomfluit....