Met een geschoten S-- varen (zwichten).
Sprietbeugel, z. n. m. -- Soort van leguaan, om een mast geslagen,
en tot steun strekkende aan den Spriet, waarmede een zeil wordt
uitgespannen.
Sprietzeil, z. n. o. -- Zie Zeil.
Spring, z. n. m. of Sprenkel. -- Lijn of kabel, gebezigd om een schip
dwars te halen, 't zij dat die op hetzelfde anker gestoken worde als
een der kabels, 't zij dat die op een kleinen afstand omgeslagen
zij. Een S-- opsteken.--Met een S-- op het touw ten anker komen
(het anker uitwerpen, nadat men daar te voren een S-- op gestoken
heeft). Met een S-- op het touw onder zeil gaan. (Een S-- steken met
geen ander doel dan om by 't onder-zeil-gaan te wenden).
Springen, o. w. -- 1o. Losraken. Het anker staat op S-- (is op 't
punt van los te raken). De grondt houdt zoo vast, dat men moeite
heeft zijn anker te doen S--.
2o. Splijten, barsten. De mast is Gesprongen:--Het kanon is
Gesprongen:--Het touw is Gesprongen.
3o. Uit elkander vliegen. Hy deed met zijn eigen buskruit het schip
in de lucht S--.
Springpaard, z. n. o. -- 1o. Strop van het Paard: lijn, waarvan de
twee enden aan de ra vastzitten, en het dubbel tot kous verstrekt
aan een strop, waar het Paard in hangt.
2o. Het buitenste Paard, tot aan de nok van de ra, dienende voor den
man, die, by reeven, de steekbout moet leggen.
Springstopper, z. n. m. -- Zie Breekstopper.
Springton, z. n. v. -- Ton, hoedanige (naar sommigen beweeren) op
de kampanjes en hoofddekken der schepen, waar men een entering op
vreesde, plachten geplaatst te worden, en welke men in de lucht kon
doen springen.
Springtij, z. n. o. -- De hoogste Tijen by nieuwe en volle maan. Wy
hebben de S--en, wy zijn in de S--en.
Vloed en Springty moog wat rijzen
Boven zijn gewonen peil,
Boom en heide en veld vergrijzen
En het noord zijn kracht bewijzen
Aan het uitgespannen zeil.
Bilderdijk.
Springvloed, z. n. m. -- Hooge vloed.
Gelijck een waterstroom geweld baert op een sluys
En elx gehoor verdooft door 't vreesselijck gedruysch.
De deuren kanten sich geweldigh tegen 't wringen
Des springhvloets, voor een wijl, tot dat sy openspringhen,
En geven 't water ruymt', den springhvloet vrijen toom.
Die wint dan velt en ruckt de wortels met den boom
En huys en hof omveer en zet de laege landen
In eene baere zee met groene en nieuwe stranden.
Vondel, Gysbr. v. Aemstel.
Sprong, z. n. m. -- Zeegt, rondte: Dat schip heeft te veel S--.
Spruit, z. n. o. -- Uitschietend touw. Zie BoelijnS--.
Spruitblok, z. n. o. -- Blok, waar een Spruit doorloopt.
Spui of Spei, z. n. o. -- Kolk, watervloeing, verlaat.
Spuien, b. w. -- 1o. Doortocht geven, 't zij aan 't water, 't zij
aan de lucht. Het overtollige water S-- (het weg laten loopen). Wy
mochten wel eens S-- (lucht maken).
2o. Het uitdiepen van een haven, door middel van sluizen.
Spuidok, z. n. o. -- Kom, die by hoog tij vol loopt en, by laag tij met
kracht ledig loopende, het zand, dat voor een haven ligt, medevoert.
Spuigat, z. n. o. -- Zie Spijgat.
Spij, Spei of Spie. -- Yzeren werktuig, dat in de enden van een bout
gestoken wordt.
Spijbout, z. n. m. -- Bout, die in de lengte doorboord is om een pen
te ontfangen.
Spijgat, Spiegat of Spuigat, z. n. o. -- Van Spyen (spouwen) of wel
van Spuien, (loozen). Looden of houten buis, boven de waaiers in
het scheepsboord aangebracht en dienende om het water, waarmede de
schepen worden schoongemaakt, of dat door een regenvlaag of door de
golven op het dek komt, weder weg te laten loopen.
Spreekwijze: Het loopt de S--en uit (het gaat al te grof:--om dat
het by een scheepsgevecht al zeer hevig moet toegaan als het bloed
der gekwetsten langs het dek stroomt en de S--en uitloopt).
Spijgatklep, z. n. v. -- Sterk stuk leder, dat op de Spijgaten van
de eerste battery wordt gespijkerd.
Spijker, z. n. m. -- Stuk gepunt yzer, doorgaands van boven met een kop
voorzien, en dienende om voorwerpen op elkander te bevestigen. SchotS--
(met een langen kop, die in het hout wegzinkt.) BoutS-- (die in
stede van met een kop, met een bout is voorzien.) IJsS-- (die een
speervormigen kop heeft.) Platkop, MamieringS-- (die een platten kop
en 2 1/2 duim lengte heeft.) PompS-- (die een vierkanten kop en 2 duim
lengte heeft.) ZestigpondsS-- (die 6 duim lengte heeft.) SchietS-- (die
een vierkanten kop en 4 duim lengte heeft.) SchotS-- (die een ronden
kop en 54 streep lengte heeft.) DuimS--, TimmerS--, KlampS--, KnaapS--;
DiamantS-- (die een pyramidaalvormigen kop heeft.) RoerS--, BoersS--
(korte en dikke S--.) SchroefS-- (die van onderen kan ingeschroefd
worden.) DubbelingS--s, dubbelS--s (die voor de dubbeling gebruikt
worden.) Een S-- indrijven, inslaan. Een S-- uithalen, klinken. Een
S-- omslaan (zoo dat die zich in 't hout verliest.) Zie verder
Timmerspijkers, Nagel, Duiker.
Spreekwijze: Den S-- op zijn kop slaan (de zaak recht beoordeelen).
Hy (Justinianus), koning met of zonder kop
Hy sloeg den spijker op zijn kop.
Bilderdijk.
Weet ik een S--, hy weet een gat (hy heeft altijd een uitvlucht;
ik kan hem niet pal zetten).
S--s op laag water zoeken (met nietige vitteryen voor den dag komen,
onbeduidende gronden voorbrengen; ook: iets voorwenden om een kwade
zaak te verheelen). Bilderdijk in zijn Gesl. op 't woord Spei geeft
van dit spreekwoord, een verklaring, welke ik twijfel dat aan eenig
zeeman voldoen zal en die bovendien niet met de beteekenis van 't
spreekwoord rijmt. Hy wil namelijk een schip, dat aan den grond zit,
weder vlot maken, door 't water, dat zich in 't scheepsruim bevindt,
door de spijgaten weg te laten loopen--!--en beweert, dat men, op laag
water zittende, zijn toevlucht dus neemt tot de spijen,--welk woord
wederom in spijkers zoû zijn veranderd.--!--Ik waag het, een andere
verklaring voor te stellen. Het is alleen als 't water laag is, dat
men de gezonken waren en kostbaarheden, die uit een gestrand schip
te gronde zijn gegaan, op den bodem gaat zoeken. Maar wie daarvoor
duikt en zijn leven waagt, brengt gaarne iets boven, dat waarde heeft,
en laat de gezonken spijkers liggen. Die dus, op laag water, beweert,
S--s te zoeken, is of een dwaas, of iemand, die zijn wezenlijk doel
verbergen wil.
Spijkeren, b. w. -- Met Spijkers beslaan.
Spijkerhuid, z. n. v. -- Buitenhuid van het schip, die, zoo ver zy in
't water komt, geheel met breedkoppige Spijkers beslagen is, om haar
tegen den worm vrij te waren.
Spijkyzer, z. n. v. -- Yzer, dienende om Spijkers om te klinken.
Spijl, z. n. m. -- Pen, spie.
Spijlbouten, z. n. m. mv. -- Bouten met een gat aan 't vooreinde,
waardoor een spijl gestoken wordt.
Staaf, z. n. m. -- Baar, metalen strook.
Staal, o. w. of Staalgrond (veroud.) -- Plaats, die met bagger of
modder is opgehoogd.
Spreekwijze: Noch Grond noch S-- (noch vleesch, noch visch).
Staan, o. w. -- Zich bevinden, in een bepaalden toestand zijn. De
golven S-- hoog:--Aan het roer S--:--De zeilen S-- goed:--Het glas
laten S-- (zonder het te ledigen).
Staand, deelw. -- Wat vast staat. S-- en loopend want:--Een S--e wind
(die uit een vasten hoek blijft waaien.
Staander, z. n. m. -- Koning, as, stijl. S-- van een kraan, van
een spil.
Staart, z n. m. -- Achterste gedeelte. S-- van een kraanbalk (het
gedeelte, waarmede die in het schip is vastgemaakt).
Staartblok, z. n. o. -- Balk, waaraan een eind oud touw is gesplitst
om het ergends mede aan vast te maken.
Staartstoppers, z. n. m. mv. of Zwiepingstoppers. -- Naam van twee
zware Stoppers, die het dichtst achter aan de betings zijn aan
bakboord- en stuurboordzijde.
Staat, z. n. m. -- 1o. Rol, lijst, inventaris. S-- van bouw,
uitrusting en wapening (geschrift, dat de byzonderheden bevat van al
wat betrekking heeft tot den aanbouw, de tuigaadje, enz. van een uit te
rusten schip). S-- der mondbehoeften (geschrift, waarop de hoeveelheid
en hoedanigheid van den ingescheepten leeftocht vermeld wordt). S--
van kosten, van uitgaven, enz. en S-- van dienst, (waarop iemands
ouderdom, rang, diensttijd, enz. vermeld staan).
2o. Houding, toestand. Het schip is in goeden S--:--Wy zijn door den
toevoer van nieuwen voorraad, weder in S-- eenige dagen zee te houden.
Stadig, b. n. -- Langzamerhand, loopsgewijze S-- aanstrijken, hand over
hand bijvieren (een gespannen koord langzamerhand laten doorschieten).
Staf, z. n. m. -- Benaming, die in 't algemeen gegeven wordt aan
officieren en onderofficieren zonder troepen:--somtijds ook de
hoofdofficieren van een korps aanduidt. Generale S-- (het lichaam der
Hoofdofficieren). Chef van den S-- (officier, belast met het uitdeelen
van al de bevelen, het verslag geven der militaire operatiën, enz.) Zie
Etat-major. Op een oorlogschip bestaat de S-- uit den Amiraal, den
Vlagkapitein (die het Amiraalschip kommandeert) en de Adjudanten.
Stafofficier, z. n. m. -- Kolonel, Luitenantkolonel en alzoo:
Kapitein-ter-zee, Kapitein Luitenant. De Subalternen, die by den Staf
dienen, heeten: "Officier naby den Staf."
Stag, z. n. v. -- Staand touw, dienende om een mast te steunen
en te beletten achterover te slaan. Groot S-- (van den grooten
mast.) FokkeS-- (van den fokkemast.) Looze S-- (die nevens een ander
geplaatst is en weêrstand bieden moet, als deze breekt.) StangeS--
(zwaar touw, waarmede, by slecht weer, de fok geschoord wordt.) Zie
BakS--. Spaansche S-- (daar de ra van het blind mede vast gehouden
wordt.) Over S-- smijten (schielijk wenden.) Over S-- loopen (buiten
nood de hoogte zoeken of loeven).
Spreekwijze: Iemand over S-- werpen (iemand van zijn stuk brengen,
iemand overreden).
Zy smeken even graegh
En smijten endlijck hem gezeghlijck over staegh.
Vondel. Verovering van Grol.
Stagkraag, z. n. m. -- Kraag van een Stag.
Stagzeil, z. n. o. -- Zie Zeil.
Stagzeilringen, z. n. m. mv. -- Ringen, door de oogen van het Stagzeil
gehaald.
Stampen, o. w. of Heien. -- Een schip wordt gezegd te S-- wanneer de
boeg diep in zee steekt.
Stampen, b. w. -- Indrukken, inpressen, stuwen. Waren in een ton
S--. Het kruid in den mond van een stuk geschut S--.
Stamper, z. m. m. -- Werktuig, waarmede een lading wordt aangestampt.
Stampstag, z. n. m. -- Zie Stag.
Stampsteven, z. n. m. (veroud.) -- Breede Steven.
Stampstooten, o. w. -- 't Zelfde als Stampen.
Stampsel, z. n. v. -- Zware baar of golf, die tegen den boeg aanslaat.
Stand, z. n. m. -- Vaste plaats. Vaste S-- van een mast, goede S--,
goede richting van een mast.
Standert of Standaart, z. n. m. -- 1o. Vlag eener galei. Koninklijke
S-- (die van de hoofd- of koninklijke galei, breede wimpel, gevoerd
door een kapitein, die schepen onder zijn bevelen heeft).
2o. 't Zelfde als Staander, met de versterkende t.
Stang, z. n. v. -- Zie Steng.
Stapel, z. n. m. -- 1o. Naam der vereeniging van stijlen, waar een
schip in aanbouw op rust. Het schip staat op S--. Een schip op S--
laten zetten.
Spreekwijze: Daar is wat op S-- (daar is wat gaande, gewoonlijk:
daar is een kleintjen te verwachten).
2o. of Stapelplaats. Marktplaats, vereenigingspunt, waar goederen
worden heengebracht. De S-- van het koren is van deze naar gene
plaatse verlegd.
Stapelbocht, z. n. v. -- Bocht, welke men aan een scheepswerf geeft,
om die aan de kiel van een schip in aanbouw mede te deelen.
Stapelen, b. w. -- Stuwen, ophoogen, op Stapel zetten.
Stapelplaats, z. n. v. -- Zie Stapel.
Stapelrecht, z. n. o. -- Recht, aan deze of gene plaats toegekend,
om er een bepaald getal goederen te mogen opstapelen.
Station, z. n. o. -- Standplaats, post, kruispad, ligplaats: streek,
aan een of meer oorlogschepen aangewezen, waar zy belast zijn, voor
de veiligheid der koopvaardyschepen hunner natie te waken, of de
onderdanen dier natie te beschermen. Op S-- zijn. Het S-- aflossen.
Steek, z. n. m. -- 1o. Vereeniging van twee saamgevlochten touwen.
2o. End van een kabel, dat door den ring van een ankeroog gestoken
wordt.
3o. Staketsel van palen, waardoor de zalmen, steuren enz. gestuit en
in de fuiken gedrongen worden.
Steekspeen, z. n. v. -- Sprong van de beting.
Steel, z. n. m. -- Handvatsel, van een bijl, hamer enz.
Spreekwijze: Hy wint op een eerlijke wijze met S--en de kost (hy is
een handwerksman).
Steengrond, z. n. m. of Steenrif. -- Rif, uit steenachtige
zelfstandigheid bestaande.
Steenrif, z. n. o. -- Zie Steengrond.
Steiger, z. n. m. -- Houten getimmerte langs den oever, dat tot
aanlegplaats dient aan de vaartuigen. Het schip ligt aan den S--. Men
heeft aan den S-- gelost.--Hooft noemt in zijn Ned. Hist. Calais den
ZeeS-- van Frankrijk.
Steigeren, o. w. -- Een Steiger maken.
Spreekwijze: Ik heb zoo veel van S-- als van metselen (ik heb zoo
veel van 't een te doen als van 't ander).
Steigerschuit, z. n. v. -- Schuit, die gewoon is van denzelfden
Steiger af te varen.
Steil, b. n. -- 1o. Recht opstaande: Een S--e kust.
2o. Strak, scherp. Een S--e wind.
Steken, b. w. -- Een Steek doen, of geven. Een knoop S-- (een knoop
leggen.) In zee S-- (t. w. het schip); voor: zich in zee begeven,
uitloopen De zware touwen S-- (Die uit de kluis steken).
Steker, z. n. m. -- Vorkvormige vrang.
Stel, z. n. o. -- 1o. Volledige verzameling. Een S-- zeilen: een S--
vlaggen: een S-- riemen.
2o. Voor Stal. Op S-- zijn (gereed zijn, klaar zijn).
Stelen, b. w. -- Benemen. Het land Steelt den wind van dat schip.
Stelhout, z. n. o. -- Stelling, dienende om een kanon in goede richting
te houden.
Stellaadje, z. n. v. of Stelling. -- Opgerichte planken, op palen
rustende en dienende om de bedden te dragen by het bouwen of
vertimmeren.
Stellen, b. w. -- Richten. Een stuk geschut S--.
Stelling, z. n. v. -- Zie Stellaadje. S-- van windboomen (driehoek,
gevormd van drie met de uiteinden in een punt saamgebrachte boomen,
uit welk punt zy hun kracht uitoefenen).
Stelpnet, z. n. o. -- Soort van bun, in den vorm van een kippehok,
waarmede men den visch overdekt, die men onder in 't water ziet. Met
het S-- visschen.
Stelsel, z. n. o. -- Yzerwerk van het roer.
Stempelbout, z. n. m. -- Zie Drevel, Drijfbout.
Stempelen, b. w. -- Uitdrijven, uitjagen. Een bout S--.
Steng, z. n. v. of Stang. -- Bovenmast. Blinde S--, BoegS-- (mast
van den boegspriet.) Groote BramS--, KruisS--, Groote MarsS--
enz. (Stengen, waar het Bram-, Kruis- of Marszeil enz. aan vast
zijn.) De vlag ter halver S-- laten zakken (ten bewijs van rouw.) De
S-- schieten, (laten zakken.) De S-- om hoog winden (ze op haar plaats
brengen.) Met een geschoten S-- varen (voor den storm vluchten).
Steun, z. n. m. of Steunder. -- Stut, schoor.
Steunders, z. n. m. mv. -- Verbindingsstukken in sommige
kruisverbanden. Zie Trekkers.
Steunstuk, z. n. o. -- Rechthoekig stuk hout naast elke poort tegen
de inhouten geplaatst en zich van den balkweger tot den zetweger
uitstrekkende, tegen de doorzetting dienende.
Steunwegers, z. n. m. mv. -- Zware wegers, omstreeks de kim en waar
de Steunders op rusten.
Steven, z. n. m. -- De stijving of sterkte van 't schip, waar de deelen
zich tot een punt vereenigen. Zie VoorS--, Achter S--, BinnenS--
of looze S--. Den S-- ergends heen wenden (ergends heen varen.) Het
schip schiet over S-- (het gaat vooruit.) Wy liepen den vyand op S--
(wy ontmoetten den vyand.) Met den S-- in den wal (naar het land
toe leggende).
Stevenen, o. w. -- Den Steven wenden. Wy moeten naar huis S--.
Stevenkroon, z. n. v. -- 't Lat. corona rostralis. Zie Scheepskroon.
Stevig, b. n. en bw. -- Sterk, kras. Een S--en voor-de-wind hebben. Dat
schip gaat S-- voor den wind.
Stikgrond, z. n. m. -- Bodem van zware klei.
Stiklijn, z. n. v. (veroud.) -- Beslagseizing, zesdraadslijn.
Stil, b. n. -- Wordt de zee genoemd, wanneer zy noch wassende noch
afnemende, of tusschen eb en vloed is. Wy gingen met S-- water onder
zeil, om van de eb gebruik te maken.
Stillen, o. w. -- Bedaard worden. De wind begint te S--.
Stilstaand, b. n. -- Dat zich niet van zelf beweegt. S-- water (dat
geen stroom heeft).
Stilte, z. n. v. -- Kalmte, rust. Wy hadden vier dagen S-- van wind
(vier dagen, dat het niet woei). S-- overal! (komm.)
Stinkpot, z. n. v. -- Vuurpot, vuurdrager. De S--ten plachten in
zeeslagen gebruikt te worden, om, by het enteren, den vyand uit
de hut, kajuit of andere voordeelige stellingen, door den stank te
doen verhuizen.
Stoel, z. n. m. -- Rustplaats. De S-- van den vlaggestut, of het hout,
waar de vlaggespil in staat of rust.
Stofregen, z. n. m. of Motregen. -- Fijne regen.
Stok, z. n. m. -- Dun en lang hout. Zie AanzettersS--, HelmS--,
KolderS--, LontS--, PompS--, VlaggeS-- enz.
Stokken, b. w. -- Van een Stok voorzien. Een Anker S--.
Stokvisch, z. n. m. -- Gedroogde en gebeukte Kabeljauw.
Spreekwijze: Een drooge S-- (een houten klaas, een stijve hark van
een vent).
Iemand op S-- zonder boter onthalen (hem slagen geven).
Stomp, z. n. v. -- Kleine mast of brok van een mast.
Stooken, o. w. (veroud.) -- Hard waaien.
Als door 't langdurigh stoocken
't Plechtancker naulycx vat.
Vondel. Lof der Zeevaart.
Stooker, z. n. m. -- Harde wind. 't Woei een fikschen S--.
Daer nochtans een eyke stam
Die hier aen den Hemel quam,
Licht ter aerden wort geruckt,
Licht ter neder wort gedruckt,
Licht daer henen wort gedrayt,
Alser maer een stooker waayt.
Cats.
Stoomboot, z. n. o. -- Zee- of Rivier-Vaartuig, dat door Stoom wordt
voortgedreven. De S-- op Londen. De S-- op Alkmaar.
Stoomjacht, z. n. o. -- Jacht, dat door Stoom gedreven wordt.
Stoompaket, z. n. o. -- Stoomvaartuig, dat met het overbrengen der
maal belast is en op vaste beurten vaart.
Stoomschip, z. n. o. of Stoomvaartuig. -- Vaartuig, dat door Stoom
gedreven wordt.
Stoomsleeper, z. n. m. -- Zie Sleepboot.
Stoomvaartuig, z. n. o. -- Zie Stoomschip.
Stooten, o. w. -- 1o. Stampen, bonzen. Dit vaartuig Stoot geweldig
(men ondervindt, daarin gezeten, een S--de beweging).
2o. Raken, tegenkomen. Het schip heeft op de Haaks gestooten.
De bodem slorpte 't nat
Door 't stooten op een pael,
zegt Vosmeer in den Gysbreght.
Stootgaren, z. n. o. -- Wanneer men de beslagbanden van de marszeils
losmaakt, en deze alleen met kabelgarens op de ra samenbindt, zoo
dat die maar los te snijden--of als 't ware te Stooten--zijn, noemt
men dit: de zeilen op S-- zetten.
Stootkeggen, z. n. v. mv. -- Keggen, op de werven in gebruik.
Stootklamp, z. n. m. -- Klamp, die onder een schoor of stut gezet
wordt.
Stootlap, z. n. m. -- Lap of oordubbeling, op een zeil tot versterking
aangebracht.
Stootmat, z. n. m. -- Matwerk, ter afweering van 't een of ander
ingericht.
Stootschaal, z. n. v. of Brasklamp. -- Zie Schaal.
Stoottalie, z. n. v. -- Zie Talie.
Stop, z. n. m. -- 1o. Tap, deuvik, kurk.
2o. Tonnetjen proviand op de vischschuiten.
Stoppegeld, z. n. o. -- Geld voor proviand.
Stoppen, b. w. -- 1o. Doen ophouden. De vaart van een Schip
S--. Stop! Stop dat! (komm.).
2o. Tegenstand bieden, gaande houden. Wy wierpen het anker om het tij
te S-- (om te beletten, dat wy door het tij uit onzen koers gedreven
werden). De vyand bevond zich te loefwaart van ons, hetgeen onzen
Amiraal deed besluiten om elke eb tij te S--. De zeilen tegenbrassen
om vaart te S--.
3o. Stoppers opzetten, opvangen. S-- om touw te steken wordt gezegd
wanneer men de lengte vermeerderen wil van het touw, dat van de
beting naar een gezonken anker loopt. Men Stopt alsdan dat touw voor
de beting, waardoor het gemakkelijk valt, het ankertouw om de beting
te slaan. Het komm. luidt: Stopt en legt beting!
4o. Dicht maken. Een lek S--.
Spreekwijze: Dit lek is niet te S-- (die schuld is te groot dan dat
er aan te helpen valt).
Stopper, z. n. m. -- Min of meer kort en stevig touwwerk, dat, met het
eene end aan eenig steunpunt verbonden, om een kabel of ander tuig
met herhaalde en stijf toegehaalde slagen gewonden wordt, ten einde
het gespannen te houden. S-- met een zwieping (S-- die het touw vat,
wanneer het schip ten anker ligt).
Stopstuk, z. n. o. -- Stuk, dat in het boord van een schip wordt
aangebracht om een gat te stoppen, 't welk men tot het laatste toe
open houdt om er de groote stukken door te laten gaan.
Storm, z. n. m. of Stormwind. -- Hevige beweging van de lucht,
doorgaands vergezeld van regen, hagel, onweer enz. Schepen, door den
S-- geslingerd. De Schepen zijn door S-- beloopen, overvallen. Het
woei een zwaren S-- uit het N. W.
Stormgolf, z. n. m. -- Een massa water van meer of minder
uitgebreidheid, naarmate van den stroom, opgeheven boven de gewone
vlakte des Oceaans door de verminderde dampkringsdrukking en wellicht
door andere oorzaken, in haar geheel door den Storm voortgedreven en by
het bereiken van baaien, riviermonden en andere engten, door de rijzing
ten gevolge der samenpersing, vreeslijke overstroomingen veroorzakende.
Stormfok, z. n. m. -- Voorstagzeil.
Stormhoek, z. n. m. of Stormkaap. -- Landhoek of kaap, waar gewoonlijk
zware stormen waaien.
Stormkaap, z. n. m. -- Zie Stormhoek.
Stormkluiver, z. n. m. -- Voorstengestagzeil.
Stormladder, z. n. m. -- Touwladders, die achter over het hek hangen.
Stormstroom, z. n. m. -- Cirkelvormige Stroom in den omtrek van een
cirkelvormigen Storm.
Stormweer, z. n. m. -- Harde wind, wiens richting gedurende eenige
dagen, ja weken, dezelfde blijft.
Stormwind, z. n. m. -- Zie Storm.
Stormzeil, z. n. o. -- Zie Zeil.
Storten, o. w, -- Nedergaan. De baren S-- (als zy hoog geweest zijn
en weder dalen).
Stortgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen of waren, die niet ingepakt
worden, als b. v. granen, zout, enz. Met S-- laden. De bepalingen
omtrent S--, waarvan by invoer de hoeveelheid in vreemde maat of
gewicht is uitgedrukt, zijn te vinden in art. 16 der Alg. Wet van 22
Aug. 1820.
Stortregen, z. n. m. -- Zie Plasregen.
Stortvloed, z. n. m. -- Ondiepe, maar hevige stroom, waarin zich
gewoonlijk een schuit niet durft wagen.
Stortzee, z. n. v. -- Hooge zee, die, boven het schip brekende en er
op neêrstortende, alles wegspoelt.
Stouwen, b. w. of Stuwen. -- Goederen in het ruim pakken, dicht op
elkander drukken. Die kapitein verstaat zich op het S--.
Spreekwijze: Hy kan wat S-- (hy kan wat in zijn maag stoppen).
Straat, z. n. v. of Zeestraat. -- Zeeëngte tusschen twee landen. De
S-- van Gibraltar: de S-- van Babelmandeb.
Strand, z. n. o. -- De oever die zich langs de zee strekt. Een effen
S--. Een zandig S--. De scheepjens steken van 't S-- af. Een schip
van het S-- halen. Hy zit met zijn vaartuig op 't S--.
Stranddief, z. n. m. -- Die op het Strand geredde goederen steelt.
Stranden, o. w. -- Op het Strand geraken. Wy vonden een op de kust
gestranden walvisch. Ook, eenvoudig, stooten, vastraken. Het fregat
Strandde op een rots.
Stranding, z. n. v. -- De daad van stranden. Zie Schipbreuk.
Strandjut of Strandjutter, z. n. m. -- voor Stranddief.
Strandrecht, z. n. o. -- Recht van den eigenaar der kust op gestrande
wrakken of goederen.
Strandvonden, z. n. m. mv. -- Aan Strand gespoelde goederen.
Strandvonder, z. n. m. -- Ambtenaar, belast met het beheer der
aangespoelde of geborgen goederen uit een gestrand schip.
Strandvondery, z. n. v. -- Het beheer of bestier van den Strandvonder.
Streek, z. n. v. mv. -- 1o. Windstreek, kompasstreek. Eene der
tweeendertig afdeelingen, waarin het zwerk wordt verondersteld te zijn
afgedeeld, en het kompas werkelijk afgedeeld is. Dat schip zeilt op
zes S--en (er zijn maar zes windstreken tusschen de richting van den
wind en die van het schip.)
Spreekwijze: Dat (het kompas) houdt geen S-- (dat gaat niet door,
dat is niet juist).
Dat woort moet weer berijmt zijn
Of 't streeck houdt of geen streeck of 't dicht soud ongelijmt
zijn.
Huyghens. Hofwijck.
Hy is van zijn S-- (hy is ongesteld).
Hy heeft werk om weder op zijn S-- te komen (om weder te herstellen).
RechtS--s (recht door zee).
2o. Plaats, uitgestrektheid, omtrek. Wy hebben in die geheele S--
geen schip ontmoet. Die S-- wordt door zeeroovery onveilig gemaakt.
3o. Luchtstreek. Wy komen weldra in een heeter S--.
Streektafels, z. n. v. mv. -- Tafels, die het verschil van breedte
en omtrek aanwijzen.
Strekken, o. w. -- Zich richten. Die kust Strekt 4 mijlen zuidwaarts
heen.
Strekking, z. n. v. -- Richting, wending, ligging. De S-- eener kust.
Streng, z. n. v. -- Lang verbindsel van in elkander gewerkte draden,
geschikt om met dergelijke verbindsels gestrengeld te worden en een
dik touw of kabel te vormen. Drie S--s-touwwerk. Vier S--s-touwwerk.
Spreekwijze: De derde S-- maakt den kabel (Zie Kabel).
Striem, z. n. m. -- Zie Binnenrahout.
Strik, z. n. m. -- Zie Strop.
Strook, z. n. m. -- 1o. Smalle band of baan. Een S-- zeildoeks.
2o. Smal vooruitstekend stuk lands.
Strooken, o. w. -- 1o. Zich voordoen. Dat schip Strookt wel.
2o. Overeenkomen. Dit bevel Strookt niet met de gegevene
instruktie. Die bepaling van lengte en breedte, waarop die klip is
gezien, Strookt niet met die van den kapitein N.
Strooking, z. n. v. -- Vorm, voorkomen. De S-- van een schip.
Stroom, z. n. m. -- 1o. Hoeveelheid water, die zich met meer of mindere
snelheid in een bepaalde richting beweegt. Geregelde S--en (die door
de beweging des aardbols, of door de bewerking van regelmatige winden,
of door de zon ontstaan.) Veranderlijke S--en (die aan wisselingen
onderhevig zijn.) Tegen den S--en op- of ingaan. Het bed, de bedding
van een S-- (de ruimte, door welke hy gewoonlijk vloeit.) Door den
S-- medegevoerd worden, afdrijven. Die S-- loopt N. knoopen (heeft
de snelheid van N.) Op S-- liggen.
Die tegen stroom zijn schuitje roeit
Dient nimmermeer te zijn vermoeid.
Cats.
2o. Vloed, rivier, die in zee uitloopt. De RijnS--; e GangesS--
(de Rijn, de Ganges). De uitleggers zijn gelegd op alle onze S--en.
3o. S--en voor: "de zee." De zilte S--en.
Spreekwijze: Den S-- volgen (denken of handelen gelijk de menigte
doet).
't Is doodS-- (er is geen handel, geen bedrijvigheid: om dat een
doode S-- gelijk staat met een stilstaand water). Zoo zegt Hooft:
De winden zonder toom
Aan 't rennen schut ik kort en maak een dooden stroom.
Stroomen, o. w. -- Met kracht vloeien.
Strop, z. n. m. -- Touw, waarvan de enden aan elkander zijn gesplitst
en 't welk men om een blok of kous bindt. S-- met een kous, (om een
haakblok in te hangen.) Enkele S-- (die ergends omheen wordt geslagen,
om het op te hijschen, strak te zetten enz.) Yzeren S--, (yzeren band,
die om het blok is geslagen.) Zoo RoeiS--, RoerS--, WantS--.
Stroppen, b. w. -- Een Strop omleggen. Een blok, een kous, een
juffer S--.
Strijken, b. w. -- Neêrhalen, doen zakken. Een ra S-- (een ra langs
den mast doen zakken.) Een vlag S-- (de lijn, waar de vlag aan vast
zit, om laag halen.) De vlag S-- (zich overgeven, om dat een schip,
dat voor zijn vyand de vlag strijkt, daarmede sein doet, dat het
zich overgeeft.)
Ter zee is dit gebruik, daer moet de minder strijcken,
Te lant is 't even zoo, daer moet de minder wijcken.
Cats.
Dikwijls wordt het voorwerp verzwegen en er by verstaan: Geheel
S--. S-- overal, (al de zeilen in eens bergen) of, om by 't in- of
uithijschen, de takels tegelijk te vieren. Een schip doen S-- (een
schip tot de overgave dwingen.) Met de riemen S--: S-- stuurboord! het
tegenovergestelde van roeien, (komm.)
Wy vinden strijken onz. genomen by Cats in 't navolgende gedicht:
Hy is een pijl, die nimmer wijckt,
Hy is een zeil, dat nimmer strijkt;
Hy is een rots, die nimmer beeft,
Wie recht en rond daarhenen leeft.
Stuik, z. n. m. -- Vergaring van een oplanger. Eind, waarin een stuk
hout in een ander sluit. Een S-- oprichten. S-- van een lasch, (het
schuins gesneden end eener lasch, dat de richting volgt van het stuk,
waarin het sluiten moet).
Stuinder, z. n. m. -- Zie Staander.
Stuiten, b. w. -- Stoppen, ophouden. De vaart van een schip S--.
Stuitklamp, z. n. v. -- Driehoekig stuk hout, 't welk men achter de
wielen van een rolpaard plaatst, om, by het slingeren van het schip,
het kanon vast te zetten.
Stuitwind, z. n. m. -- Zoo noemt men die windvlagen, welke in de
Japansche zee tegen de opkomende stormwolken waaien.
Stuk, z. n. o. -- Stuk geschut. Dat schip voert 100 S--ken. De S--ken
zijn aan boord gebracht. De S--ken zijn gesjord.
Stukgoederen, z. n. o. mv. -- Goederen, die Stuk voor Stuk worden
ingeladen. Hy heeft een lading S-- aan boord. Ook wordt met S--
laden gezegd, wanneer verschillende afzenders goederen afzonderlijk
laden. De bepalingen tot invoer omtrent onbekende S-- worden gevonden
in art. 15 der Alg. Wet van 26 Aug. 1827.
Stukschavielen, o. w. -- Zie Schavielen.
Stulpluik, z. n. v. -- Luik, dat over een gat heengestolpt wordt.
Sturen, b. w. -- Een schip of schuit, 't zij volgends theoretische of
praktische ervarenis, 't zij alleen met lokale kennis, geleiden. Het
schip in behouden haven S--.
Sturen, o. w. -- Het roer besturen. Het is zijn beurt te S--, (aan
't roer te staan.) Er is verkeerd Gestuurd. N. S--, op N. streken
S--, (aan een schip een zekeren afstand doen afleggen, evenredig
aan zijn snelheid op een gegeven windstreek.) By-de-wind S--,
(het schip zoodanig richten, dat de wind, er voorlijk inschietende,
met het schip van een hoek 46° tot 34° make.) In den koers S--, op
de zee, op 't zeetjen S--, (den voorsteven zoo keeren, dat hy zoo
min mogelijk de werking der golven ondervinde.) In het kielwater van
een ander schip S--, (het schip in het zog van een voorgaand schip
doen volgen.) Met een stuurrad, met een rad S-- (het roer door middel
van een rad in beweging brengen.) Met een inspit, met de roerpen S--
(het roer door middel der handen in beweging brengen).
Sturen, b. w. -- Door stuurmanskunst geleiden. Hy nam de taak op sich,
het schip in behouden haven te S--.
Spreekwijze: Een zaak verkeerd S--, in de war S--, (voor: haar verkeerd
leiden, in de war brengen).
Het schuitjen in 't riet S-- (de zaak verknoeien).
Iemand om een boodschap naar een ander toe S-- (voor: zenden: omdat
men hem als 't ware den koers voorhoudt, opgeeft, dien hy volgen moet).
Stut, z. n. m. -- Hout, balk, stijl, die een voorwerp Stut of
schoort. S-- aan den mast, verkeerde S--, (kromme rib aan het
achterschip).
Stutten, b. w. -- Ondersteunen. Stut zoo! Stut voor vallen, (komm. aan
den stuurman, om niet voor den wind te laten vallen).
Stuur, z. n. o. -- Hetzelfde als Roer. S-- hebben, S-- in het schip
hebben, (gang hebben, zoo, dat het schip naar al de bewegingen van
het roer luistert).
Spreekwijzen: Hy is het S-- kwijt, (hy weet zich niet meer te helpen).
Hy raakt over S-- (hy raakt achteruit, in de war).
Er is niets over S-- (er is niets aan verbeurd).
Stuurboord, z. n. o. -- Het rechter boord van het schip, wanneer men
van den achtersteven naar voren ziet. Over S-- liggen. S--s halsen
toe hebben, (met de zeilen op het rechter boord liggen.) Over S-- met
bakboordshalzen toe liggen, (over S-- by-de-wind zeilen.) Dat schip
ligt over S--, (het helt naar de rechterzijde over.) S-- het roer,
of eenvoudig S--: (komm. aan den roerganger, om de roerpen rechts te
draaien.) Zie voorts Bakboord.