N.

N, z. n. v. -- Beteekent: 1o. Noord, Noorden. De wind is N. (is

noord). Texel ligt ten N. van Holland.

2o. Een onbepaald getal. Dat schip ligt op N. mijl afstand (op een

getal mijlen, onverschillig welk).

Na, bw. -- Dicht, naby. Het zeil staat te N-- aan den wind. Wy liggen

te N-- aan den wal.

Naad, z. n. v. -- 1o. Afstand tusschen twee nevenplanken. Opene N--

(verwijdering van dien afstand, ten gevolge van de droogte of van de

beweging van 't schip).

2o. Vereeniging der banen van een zeil. Platte N-- (welke de

zeilemakers maken, wanneer zy de banen een duim over elkander doen

kruisen). Ronde N-- (eenvoudige N--, die de banen van het zeildoek

baan aan baan verbindt).

Naadhaak, z. n. m. -- Yzeren werktuig, waarmede men het werk, dat

vernieuwd moet worden, uit de Naden der planken haalt.

Naadprezennings, z. n. v. mv. -- Smalle strooken Prezenning, om de

Naden en luiken op kleine vaartuigen te dekken.

Naaien, b. w. -- 1o. Met de naald vasthechten.

2o. Aanslaan, beleggen. Een blok N--.

Naaibouten, z. n. m. mv. -- Zie Koppelbouten.

Naald, z. n. v. -- 1o. Puntig werktuig van een oog voorzien en dienende

om voorwerpen met een draad aan elkander te hechten.

2o. KompasN--, MagneetN--: plat stalen lemmer, in 't midden met

een spil bevestigd op de roos van 't kompas, en de windstreken

aanwijzende. Doode N-- (die haar kracht verloren heeft). Walende N--

(die zich niet dan langzaam richt). Zie Lelie.

De Naelde wijckt noch wraeckt en alle gissingh sluyt.

Huyghens. Hofwijck.

Naald, z. n. v. -- Strook houts, die somtijds tusschen het rahout en

den zitgang wordt aangebracht.

Nachtglas, z. n. o. -- Zandlooper, die acht glazen of vier volle uren

loopt eer hy ledig is.

Nachthuisjen, z. n. o. -- Houten kast, gewoonlijk in drie nevens

elkander gestelde vakken verdeeld, waarvan het middelste een lamp

bevat, bestemd om de beide anderen, die ieder van een kompas voorzien

zijn, te verlichten. Het N-- is vlak tegenover den roerganger

geplaatst.

Nachtschot, z. n. o. -- Schot, dat aan boord van groote schepen gelost

wordt, om aan te kondigen, dat het werk van den dag verricht is. Elken

avond te acht ure doet de vlootvoogd het N--.

Nachtschuit, z. n. v. -- Veerschuit, die 's avonds afvaart, om 's

morgens op haar bestemmingsplaats te komen.

Spreekwijze: Hy komt met de N-- (hy komt laat: hy brengt nieuws,

dat ieder reeds weet).

Nachtwijzer, z. n. m. -- Werktuig, waarvan men zich aan boord plach te

bedienen, om 's nachts het uur te weten, door de hoogte der Noordster

boven den pool te meten.

Naderen, b. en o. w. -- Naby komen. 't Is gevaarlijk, die kust te

veel te N--. Het vaste land begint reeds te N-- (wy komen reeds in

de nabyheid van het vaste land).

Nadir, z. n. o. -- Het punt, dat loodrecht onder een aangegeven plaats

of voorwerp en alzoo tegenover het Zenith staat.

Nagels, z. n. m. mv. -- Houten, ronde, langwerpige cylinders,

die gebezigd worden tot het vastmaken van buitenhuidsplanken. Zy

behooren gekloofd te worden uit taai hout, dat niet vatbaar is voor

zwelling. N-- over N-- schieten (werd vroeger van het vooruitsteken

van den steven gezegd).

Nagelbank, z. n. m. -- Smalle plank, van bouten voorzien en horizontaal

in het want geplaatst om tot steunpunt by onderscheiden kleine

verrichtingen te dienen.

Nageldraaibank, z. n. m. -- Bank, waarop Nagels vervaardigd worden.

Nagelen, b. w. -- Een Nagel inslaan.

Namiddagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord van 's middags tot 4 uur

's avonds.

Naschip, z. n. o. of Achterblijver. -- Schip, dat trager dan de

overigen aankomt.

Spreekwijze: Hy komt met de Naschepen (hy brengt een tijding, die

aan iedereen bekend is).

Nasleepen, b. w. -- Op 't sleeptouw hebben, achter zich trekken. Het

fregat Sleepte de gemaakte prijzen achter zich Na.

Nat, z. n. o. -- Wat vloeibaar is.--Door de dichters wel eens voor zee

gebezigd, doch dan immer met een b. n. Het zoute N--, het peilloos N--.

Langs 't golvend nat naar de Oosterkust getogen.

K. W. Bilderdijk.

Spreekwijze: Geen N-- of droog hebben (niet te eten noch te drinken

hebben).

Hy lust zijn N--jen wel (hy is een drinkebroêr).

Nathals, z. n. m. -- Zuiplap, drinkebroêr.

Natten, b. w. -- Nat maken. De zeilen N-- (die bevochtigen, om het

doek te doen krimpen, en, wanneer het ontplooid wordt, de spanning

te vermeerderen). Het geschut N-- (bekoelen).

Navette, z. n. v. -- Indiaansch scheepjen.

Navloed, z. n. m. -- Zie Achtervloed.

Neb, Nebbe, z. b. v. -- 1o. De bovenarm van een knie, die tegen een

balk komt.

2o. 't Zelfde als Sneb. Zie ald.

Nebschuit, z. n. v. -- Schuit, van een Neb of snuit voorzien.

Neer, z. n. v. -- Sterke rafeling of kabbeling in het water,

veroorzaakt door de ontmoeting van een tij met een byzonderen stroom:

en in 't algemeen de tegenstroom, die langs den wal loopt. Met de N--

wegdrijven (van de deining gebruik maken om voort te komen). In de N--

oproeien (uit den stroom blijven).

Spreekwijze: Hy is in de N-- geraakt (het loopt hem tegen).

Neêrgaan, o. w. -- Van de hoogte naar de laagte gaan. N-- noemen

onze strandbewoners "in zee steken", omdat zy hun vaartuigen van het

hoogere strand af moeten brengen.

Neêrhalen, b. w. -- Naar beneden halen. De vlag N--. Zie Strijken.

Neêrhaler, z. n. m. -- Touw.

Neêrlaten, b. w. -- Laten zakken. Een mast N--, de jol N-- (in zee

strijken).

Neêrtrekken, b. w. -- Het vlot brengen der visschuiten of bommen.

Nering, z. n. v. -- De vrije N-- doen plach gezegd te worden voor:

"zeeschuimen, op zeeroof uitgaan."

Net, z. n. o. -- Gebreid of geknoopt samenstel van

garen. VerschansingsN-- (dat langs het boord loopt). MarsN--ten

(die aan den achterkant der marsen zijn). Zie verder EnterN--,

VischN--. Ook N--, gebezigd om visch te vangen. De N--ten schieten

(ze uitwerpen). De N--ten boeten (ze herstellen).

Ziet dat gy hierop naarstig let,

De groote visschen scheuren 't net.

Cats.

Spreekwijzen: Achter het N-- visschen (te laat komen om zijn voordeel

te doen).

Iemand in 't N-- krijgen (iemand verschalken).

Iemand het N-- over 't hoofd halen (hem met geweld verongelijken).

N--jens droogen (zijn uitgaven bekrimpen:--omdat de visscher, door

zijn N--ten te droogen, zich voorbereidt om later daarmede voordeel

te behalen).

Neus, z. n. m. -- Benaming, die aan de meest vooruitstekende punt

van den voorsteven gegeven wordt. Hy haalt zijn N-- lustig onder. Hy

spoelt lustig zijn N-- (van een schip gezegd, dat met den boeg diep

onder water gaat). Den N-- in den wind steken (den boeg naar den

wind wenden).

Spreekwijze: Zijn N-- in den wind steken (onderzoeken).

Neuskijker, z. n. m. -- Jongen, of bootsgezel, die voor op den boeg

op den uitkijk staat.

Neut, z. n. v. -- Houten of holle gegoten yzeren rol, dienende

om het verschuiven van twee op elkander geplaatste stukken hout te

beletten. Yzeren N--en. Pokhouten N--en. N-- van de ankerschacht. (Zie

Ankerneut)

Spreekwijze: Heeft hy N--jens, hy zal wel doppen maken (hy zal van

hetgeen hy bekomt wel party trekken).

Een oude N-- (een oude vrijster).

Voor doove N--en zitten (zonder voordeel ergends zitten).

Nevel, z. n. m. -- Damp, mist.

Nevenschip, z. n. o. -- Het schip, dat men, in breede linie zeilende,

nevens zich moet houden.

Nippertjen, z. n. o. -- Eigenlijk Nijpertjen, als komende van

Nijpen. Dat was op het N-- (dat scheelde weinig). Een plaats op het

N--af, by het einde van een gang, te boven zeilen.

N. O., bw. -- Noord-Oost. N. O. ten N. (Noord-Oost ten Noorden).

Nok, z. n. v. -- Uiterste punt of spits; in 't byzonder van een ra

of zeil.

Nokbindsel, z. n. o. -- Bindsel, waarmede het zeil aan de Nok van de

ra wordt vastgemaakt.

Nokgording, z. n. v. -- Gording van de Nok. Zie Dempgording.

Nokken, b. w. (veroud) -- De nokbindsels leggen: de razeilen vastmaken.

Nokleuver, z. n. m. -- Boven- of buitenhoek van een vierkant zeil,

dat aan een ra is vastgebonden.

Nokooren, z. n. o. mv. (veroud.) -- Stevige, wel met marlijn voorziene

oogen, aan de benedenhoeken der vierkante zeilen, waardoor de schoten

loopen.

Nood, z. n. m. -- Dit woord duidt in de samenstelling een voorwerp aan,

dat bewaard wordt om, in tijd van N-- het ontbrekende of onklare te

vervangen. Zoo zegt men N--anker, N--gordingen, N--mast, N--talie,

N--want, enz. Zie Borg. Zie Stomp.

Spreekwijze: Die N-- heeft, moet pompen (zie Pompen).

Noodschot, z. n. m. -- Kanonschot, hetwelk, op zee gelost, aankondigt,

dat men redding of hulp verlangt.

Spreekwijze: Het is een N-- (het is een laatst, doch veelal hopeloos

middel, waartoe men zijn toevlucht neemt).

Noodsein, z. n. o. -- Teeken, waarmede een vaartuig, 't zij door

schoten, 't zij door 't hijschen van een vlag, 't zij op andere wijze,

te kennen geeft, dat het zich in nood bevindt.

Noord, bw. -- Duidt een strekking aan van of naar de noordzij. De

wind is N-- (het waait uit het noorden). Wy moeten N-- houden (wy

moeten naar de noordzij koers houden).

Spreekwijze: De wind is N-- (hy is in een kwade luim).

Noord (de), z. n. v. -- 1o. De noordelijk gelegen landen, als

Noorwegen, IJsland, enz. Om de N-- varen (het Noorden omvaren).

2o. Wat noordelijk gelegen is. Om de N-- houden (Noordelijk opvaren).

Noordelijk, b. n. -- Wat zich ten Noorden bevindt.

Noordelijken, o. w. -- Wordt van den wind gezegd, als hy naar 't

Noorden loopt.

Noorden, z. n o. -- 1o. Het gedeelte der waereld, dat tegen over het

zuiden ligt.

2o. Streek, die Noordelijk gelegen is van de plaats waar men zich

bevindt. Het waait uit het N--.

Noorden (ten), bw. -- Noordelijk, aan den Noordkant. Denemarken is

T--N-- van Duitschland gelegen.

Noorderbreedte, z. n. v. -- Afstand eener plaats van den Equator

Noordelijk op gerekend. Calais ligt op 51 graden N-- (Calais ligt op

51 graden noordelijk van den Equator).

Noorderlicht, z. n. o. -- Lichtverheveling by nacht, welke om de

Noord dikwijls zeer sterk is.

Noorderzon, z. n. v. -- Ontstentenis der zon, omdat, voor de bewoners

van 't Noordelijk halfrond, zich de zon nooit aan 't Noorden vertoont:

alzoo 't zelfde als "stikdonker".

Spreekwijze: Met de N-- vertrekken (zich by duisternis, in 't geheim,

wegpakken).

Noordewind, z. n. m. -- Wind, die van de Noordzijde waait.

Noordnoordoost, z. n. o. -- Windstreek, tusschen het Noord en

Noordoost. N-- ten N. N-- ten Z. (windstreken tusschen N-- en het

N. of Z. gelegen).--Tevens bywoord.

Noordnoordwest, z. n. o. -- Windstreek, tusschen het Noord en

Noordwest. N-- ten N. N-- ten Z. (windstreken, tusschen het N--

en het N. of Z. gelegen).--Tevens bywoord.

Noordoost, z. n. o. of ten Noordoosten. -- Windstreek, midden tusschen

het Noord en Oost gelegen.--Tevens bywoord.

Spreekwijze: Ik gaf hem een opzetter dat hy N-- lag (dat hy niet wist,

waar hy te land kwam).

Noordoosten (ten), bw. -- Zie Noordoost.

Noordoosteren, o. w. -- Naar 't N. O. loopen. De wind is aan 't N--.

Noordoostering, z. n. v. -- Afwijking der kompasnaald van 't N. naar

't N. O.

Noordpool, z. n. m. -- Zie Pool.

Noordsch, b. n. -- Wat uit het Noorden, bepaaldelijk uit Noorwegen

of Zweden komt. N-- hout. N-e Deelen.

Spreekwijze: Hy heeft N--e buien (hy is gemelijk, knorrig:--omdat N--

en norsch woorden zijn van eene beteekenis).

Noordstar, z. n. v. -- Star, die in 't N. staat en tot een baak aan

de zeevarenden strekt.

De Noortstar streckt aldus by nacht op zee

Een heldre baeck voor die de zee bevaren:

Zy wijst de streeck, de haven, en de reê

En baent den wegh in spoorelooze baren.

Vondel. Danckoffer aan Christine.

Spreekwijze: Hy is de N-- waarop ik my richt (hy is mijn gids,

mijn leidsman).

Noordwest, z. n. o. of Noordwesten. -- De windstreek tusschen het

Noorden en 't Westen.

Noordwest, bw. -- Wat zich ten N. W. bevindt.

Noordwesten, z. n. o. -- Zie Noordwest.

Noordwesteren, o. w. -- Naar 't N. W. loopen. De wind is aan 't N--.

Noordwestering, z. n. v. -- Afwijking der kompasnaald van 't N. naar

't N. W.

N. W., z. n. o. -- Beteekent Noord-West.

Nijptang, z. n. v. -- Tang, waarmede spijkers worden uitgehaald.

Zeemans-Woordeboek Behelzende een verklaring der woorden, by scheepvaart en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen daartoe · 第 46 / 74 题