Er is geen L-- met hem te bezeilen (er is geen middel om met hem te
recht te komen).
Het zal hier op het L-- waaien (daar is wat kwaads naby).
Hy kan wel zien, hoe na by L-- (hoe het met een zaak gelegen is).
Hy durft niet van L-- (hy durft het niet wagen).
Ik heb het L-- (ik ben gemelijk--als een zeeman, die zich aan wal
verveelt).
Iemand het L-- opjagen (iemand uit zijn humeur brengen).
Landen, o. w. -- Zich aan Land begeven, aan Land komen. Een geschikte
plaats om te L-- (om aan wal te komen). De troepen zijn Geland (zyn
aan land gekomen).
Zoo blinckt de zon op 't schoonst, die aanbreeckt uit den damp,
Zoo lant de vloot, na storm, gelukkigst in de haven.
Vondel, Inw. van 't Stadthuis.
Landganger, z. n. m. -- Een die van scheepsboord zich aan Land
begeven heeft.
Landing, z. n. m. -- Het aan wal gaan, byzonder met vyandelijke
inzichten. De L-- der Engelschen in Noord-Holland. Wy konden ons
voordeel niet doorzetten by gemis aan L--troepen.
Landingboot, z. n. v. -- Boot, waarmede een Landing verricht wordt.
Landingsplaats, z. n. m. -- Plaats, bekwaam gemaakt om er te landen:
ook eenvoudig de plaats waar men geland is, of welke men uitkiest om
er te Landen.
Landkrab, z. n. m. -- Schimpnaam, door 't zeevolk aan de Landsoldaten
gegeven.
Landmerk, z. n. o. -- Wordt in 't algemeen genomen voor elk vast
voorwerp, dat, op het land staande, door de richting, waarin men
het uit zee bespeurt, dienen kan om in het vaarwater te blijven,
klippen en banken te mijden, enz.
Landontdekking, z. n. v.-- 1o. Het Ontdekken van een te voren
onbekend Land.
2o. Verkenning van land. Op de hoogte van Mauritius gekomen, zond de
Amiraal een brik uit op L--.
Spreekwijze: Op L-- uitgaan (zich van een zaak vergewissen).
Landslot, z. n. o. (veroud.) -- Haven, die door bergen of hoogten
ingesloten, tegen alle winden beschut ligt.
Landstreek, z. n. v. -- Gewest, landouw.
Landtong, z. n. v. -- Strook Lands, die als een Tong in zee
uitsteekt. Wy liepen langs eene met boomen begroeide L-- die ons in
de rivier bracht.
Landvalling, z. n. v. (veroud.) -- Ontdekking, opdoeming van eenig
Land.
Landverkenning, z. n. v. -- 1o. Het verkennen, onderzoeken eener
landstreek.
2o. Men noemt ook L--en zekere merken, als torens, molens, enz.,
van welker betrekkelijke plaatsing men den ingang van een stroom of
van een haven enz. herkent.
Landwind, z. n. m. -- Wind, die van het Land zeewaarts inwaait en op
gezette tijden, gelijk zulks in bergachtige landen zeer gewoon is.
Landziekig, b. n. -- Door Landziekte of heimwee aangetast; van hier:
langzaam, traag, verveelend. Wy hadden een L--e reis. (wy waren
lang onderweg).
Spreekwijze: Een L--e redevoering (die te lang duurt, verveelt).
Landziekte, z. n. v. -- 1o. Ziekte, aan welke men onderworpen is,
wanneer men aan de luchtgesteldheid of leefregel van een vreemd land
nog ongewoon is.
2o. Het heimwee aan boord van onbevaren matrozen, waardoor zy zich
moedeloos, traag, verveeld gevoelen, en langzaam aan het werk worden.
Langeveld, z. n. o. of Mondstuk. -- Het gedeelte van een mortier,
van waar het topperstuk eindigt tot aan de monding.
Langs, bw. -- Bezijden, voorby. L-- een kust heenzeilen (een kust
voorbygaan). Dicht L-- den wal loopen. Een schip, een eiland L--
zeilen.
Langsdennen, z. n. v. mv. of Langshouten. -- Leggers eener helling.
Langshouten, z. n. v. mv. -- Zie Langsdennen.
Langscheepsch, b. n. -- Van voren naar achteren. Een L-- verband
(een verband, dat zich langs het schip uitstrekt).
Langszalings, z. n. m. mv. -- Eikenhouten dwarsbalken, twee in getal,
aan weêrskanten op de ooren der benedenmasten en op de hommers der
topmasten geplaatst.
Langs zijde, voorz. voor langs de zijde van. L-- de Argo.
Laning, z. n. v. -- Planken brug, overloop.
Lanspassaat, z. n. m. (veroud.) -- De laagste Onderofficier. 't
Woord is afgeleid van 't Ital. lancia spezzata (gebroken of geknotte
lans). In 't Groot-Placaetboek, D. V. bl. 173, vinden wy in een opgave
van krijgsonkosten den Landtspassaet tusschen den Korporaal en den
Tamboer geplaatst. Zie De Vries op Hoofts Warenar, bl. 109.
Lantaarn, z. n. v. -- Verschillend in grootte en gebruik. Zie DieveL--,
GeschutL--, KruitL--, SeinL--. 't Woord wordt ook meer bepaald genomen
voor de met glazen voorziene kap, waardoor licht in de kajuit gegeven
wordt.
Lantaarngat, z. n. o. -- Hok achter de kruitkamer, waarin de
kruitlantaarn wordt ontstoken.
Lantaarnvuur, z. n. o. -- Vuurbaak, in een haven geplaatst om de
binnenkomende schepen te lichten.
Lantaarnstander, z. n. m. -- Stijl of Stander, waar de Lantaarn
op rust.
Lantione, z. n. v. -- Soort van Sineesche kustgalei, van een aantal
riemen voorzien.
Lap, z. n. v. of Lap tegen den achtersteven. -- 1o. Stuk hout, dat
tegen den achterkant des achterstevens geplaatst is, en dienen moet
om voor te komen dat dit deel te veel verzwakt worde door het inlaten
der vingerlingen en het maken van de messing.
2o. Zeil; doch meest gebruikelijk in het m. v. of als diminutief. Zie
Lapjen.
Alle L--pen uithangen (alle zeilen byzetten). Voor de L--pen afloopen
(voor-de-wind afloopen).
Spreekwijze: Hy laat het onder de L-- hangen (hy verteert veel geld).
Lapjen, z. n. o. -- Zeiltjen. De wind is vlak voor 't L-- (is
voordeelig).
Spreekwijze: Het gaat hem voor 't L-- (het gaat hem voorspoedig).
Iemand voor 't L-- houden (iemand voor den mal houden: oorspronkelijk;
iemand gebruiken, om er zijn doel mede te bereiken).
Lappen, b. w. -- Tijdelijk herstellen.
Lapzalven, b. w. -- Is eigenlijk: "Lappen met zalf bestrijken,"
waarom ook een heelmeester spotswijze een Lapzalver genoemd wordt. Als
scheepsterm neemt men het voor: "scheepstuig nazien en teeren".
Lasch, z. n. m. -- Vereeniging van twee of meer in dezelfde
richting loopende stukken, zoo dat hun breedte en dikte onveranderd
blijft. Platte L-- (wanneer de enden der deelen schuins op elkander
sluiten). Zie HaakL--, TandL--, enz.
Laschyzer, z. n. o. -- Soort van dubbele spijker, voor de
deksverbindingen in gebruik.
Laskaar, z. n. m. -- Indiaansche matroos.
Last, z. n. o. -- Gewicht van twee ton of 4000 Pond. Dat schip voert
N. L--. Een vaartuig van 100 L--.
Last, z. n. m. -- 1o. Vracht, lading. Het schip heeft zijn L--
in. Het schip is wel by L-- (is behoorlijk geladen). Zie Lastbreker.
2o. Bevel, kommando.
3o. In 't mv. voor "belasting." Zijn L--en opbrengen.
Lastaadje, z. n. v. (veroud.) -- Scheepstimmerwerf of plaats, waar
die gelegen is of kan worden opgericht. Een buurt aan den IJkant te
Amsterdam plach er haar naam van te dragen. Bild. leidt den naam van
't Deensch af: zie zijn Gesl. in v.
Lastbalken, z. n. m. mv. of Ruimbalken (veroud.) -- Balken, die
tot versterking dienen van het onderschip en waarvan het koebrugdek
gevormd wordt.
Lastbreken, o. w. -- Een gedeelte van de lading lossen.
Lastgeld, z. n. o. (veroud.) -- Tonnegeld, geld, dat in evenredigheid
der zwaarte van het schip geheven werd.
Lastlijn, z. n. v. of Eerste Waterlijn. -- Denkbeeldige lijn, welke men
zich voorstelt langs een schip gelijk met den waterspiegel getrokken
te zijn, wanneer het zijn gewone lading in heeft en gezonken is op
de diepte welke de bouwmeester gewild heeft.
Lat, z. n. v. -- Dun, lang en plat stuk hout of yzer.
Laten, b. w. -- 1o. Verlaten. Zijn ankers L-- (voor achterlaten).
2o. Hulpwerkwoord. Een schip L-- loopen (het zijn koers doen
houden). Het anker L-- vallen (het anker uitwerpen). Een onderzeil L--
vallen (het byzetten). Een touw L-- vliegen (het in eens losgooien).
Latijnzeil, z. n. o. of Emmerzeil. -- Driehoekig zeil, aldus genoemd,
omdat het by de Latijnsche volkeren in gebruik was.
Laveeren, o. w. -- 1o. Een zeilend vaartuig beurtlings over den eenen
en den anderen boeg doen wenden, ten einde in den wind op te werken.
2o. De beweging, welke alsdan het vaartuig zelf doet.
Hetzij wy zeilen of laveeren,
Is Godt met ons, niets kan ons deeren.
Cats.
Lazaret, z. n. o. -- Gesticht in eenige havens, voornamelijk der
Middellandsche Zee, en ingericht om er lieden of goederen, die uit
besmette of verdachte havens komen, quarantaine te doen houden,
't Woord is Ital. en beteekent Lazarushuis.
Leeftocht, z. n. m. -- Voorraad van spijs en drank.
Legdagen, z. n. m. mv. of, naar de hedendaagsche speling, Ligdagen. --
Dagen, bepaald tot lading of lossing van een schip.
Leggen, o. w. of, naar de latere spelling, Liggen, -- 't welk men
echter nooit uit den mond van een zeeman hooren zal, in uitdrukkingen
als: De wind gaat L-- (het wordt stil weer). Voor anker L--.
Leggen, b. w. -- De kiel L-- (haar op blokken stellen). Het geschut
in de rolpaarden L-- (het op zijn plaats brengen). Het Land L-- (zich
verwijderen van het Land, zoodat het in 't water schijnt te verzinken).
Legger, z. n. m. -- 1o. Geteerd watervat.
2o. Stutbalk.
3o. Vaartuig, dat men by het kielen of timmeren van een schip by de
hand heeft liggen om 't een of ander te bergen.
4o. Waker op een ledig schip. 't Schip is opgelegd en heeft een L--
aan boord.
Leguaan, z. n. m. -- Bekleedsel van touw om de raas, mede dienende ter
vervanging van het bindwerk der raas. SloepsL-- (Gordel van touwwerk,
voor aan een sloep gebonden, en dienende om haar by stooten van
beschadiging vrij te waren.)
Legwaring, z. n. v. -- Lijfhouten op het dek langs het boord.
Leider, of meer gebruikelijk Leier, z. n. m. -- 1o. Touwwerk,
dat van den masttop naar de richting der stags getrokken wordt, en
waartegen men de voornaamste foks en middelzeilen ophaalt. Staande L--
(zwaar touw, dat voor of tegen een schuinschen mast geplaatst wordt,
om het gebruik van een vierkant zeil gemakkelijker te maken).
2o. Leuning. L-- van het galjoen, L-- van de verschansing, L-- rondom
het boord, L-- van de helling, L-- van de wieg.
Leissels, z. n. o. voor Lei-zeels. -- Stroppen van de raas.
Leizeil, z. n. o. -- Zeil, dat men by ruimen wind buiten de razeilen
uitvoert.
Lek, b. n. en bw. -- Open, zoo dat het vocht uitloopt. Dat vat is L--
(het houdt geen water). Met een L--ke boot is 't slecht varen.
Lek, z. n. o. -- Toevallige opening in een vaartuig, waar het water
door binnen dringt, veroorzaakt door 't stooten op een klip, baak
of ander voorwerp, door aanzeiling, door grondschoten, door zwaar
slingeren, enz.
De bodem slorpte 't nat
Door 't stooten op een paal; waardoor een yeder zat
In 't water tot de knie en vreesde te versticken,
Het ongemack was groot, noch durfde niemant kicken.
Doch 't Leck geraeckte dicht en stopte wonderbaer
Van zelf.
Vondel, Gijsbrecht van Aemstel.
Dat schip heeft een L--, Dat L-- moet gestopt. Ook opening van een
vat, kuip, enz. waar het water door weg loopt. In dat vat is een L--
gesprongen. Cats bezigt het woord vr.
Ziet door een kleine lek zoo komt een schip te zinken,
Al schijnt het maar de zee by droppels in te drinken.
Spreekwijze: Het L-- stoppen (het verlies vergoeden).
Lekkaadje, z. n. v. -- Wegsypeling van het vocht, gevolg van een
Lek. Er is zware L-- geweest: er moet zoo veel worden afgetrokken
voor L--.
Lekken, o. w. -- Uitloopen, wegsypelen, ledig loopen.
Lelie, z. n. v. -- De punt der kompasnaald, die den vorm eener
lelie heeft.
Schoon zegt Vondel, Lof der Zeevaart:
De leli doelt naar d' as, en dwaalt en is ontrust
Tot dat ze Areturus vint en hem van blijschap kust.
Leng, z. n. o. -- Strop, dubbel geslagen touw, dienende om vaten of
andere zware voorwerpen op te hijschen.
Lengen, b. w. -- Aaneenbinden van de netten voor de steurharingvangst
in gebruik. Doorgaands wordt het L-- van de eerste vleet (21 netten)
door vrouwen verricht.
Lengte, z. n. v. -- 1o. Afstand tusschen den meridiaan eener plaats
en den eersten meridiaan. Die stad ligt op N. graden Wester- of
Ooster L--.
2o. Astronomische L-- eener planeet (boog der ekliptika, begrepen
tusschen den evennachtslijn of het eerste punt van Ariës en de plaats
op de ekliptika, waarmede de planeet loodrecht overeen komt).
3o. Geocentrische L-- (punt der ekliptika, waarop het middelpunt
eener planeet, van de aarde gezien, loodrecht neêrvalt).
4o. Heliocentrische L-- (punt der ekliptika, waarop het middelpunt
eener planeet loodrecht zoû neêrkomen, indien zy van de zon gezien
werd).
Lens, bw. -- Ledig. Een schip L-- pompen (het door middel van pompen
van het ingezwolgen water bevrijden). De pomp L-- pompen (pompen,
tot dat het water, dat zich in 't ruim bevindt, lager staat dan het
benedeneinde der pomp).
Spreekwijze: De beurs is L-- (het geld is op).
Lenspomp, z. n. v. -- Pomp, die in een stoomvaartuig door de
stoomkracht in beweging gebracht wordt, en die voornamelijk dienstig
is om het water, door lekkaadje of uit de ketels in het ruim geloopen,
weder weg te werken.
Lens (ter) gaan, o. w. (veroud.) -- De zeilen met ruime schoten ter
windvang stellen. Thands zegt men daarvoor "van den wind loopen."
Lenzen, o. w. -- By stormweer met weinig, of zonder zeil voor den
wind of de zee weg loopen. Het voor tip en takel L--de houden.
Leuning, z. n. v. -- Borstweering. L-- van het galjoen.
Leunstag, z. n. o. -- Stag, waar een schip in aanbouw op steunt.
Leuvers, z. n. m. mv. -- Oogen met yzeren kousen in de lijken der
zeilen, waarin boelijns, gordings enz. worden vastgemaakt.
Levendig (De zeilen) houden, b. w. -- De zeilen laten wapperen,
op den wind brassen, doen hellen.
Licenten, z. n. v. mv. (veroud.) -- Rechten op den in- en uitvoer
gesteld. Zie Konvooien.
Licht, z. n. o. -- Voor kunstlicht, vuurbaak.
Licht, b. n. -- By vaartuig gevoegd, geeft daaraan doorgaands de
beteekenis van hulpvaartuig. Zoo worden onder de L--e vaartuigen
genoemd de sloepen, booten, jols, enz. die een groot vaartuig ten
dienste staan.
Lichten, b. w. -- 1o. Ophalen. Het anker L--.
2o. Uit zijn plaats nemen. Het roer L--.
3o. Ontlasten, Lichter maken. Een schip L-- (er een deel der lading of
der goederen uit nemen of over boord werpen). Dit mag volgends art. 19
der Alg. Wet van 26 Aug. 1822 alleen op bepaalde lichtingsplaatsen
geschieden.
Spreekwijze: Het anker L-- (vertrekken).
Alle beetjens helpen, alle vrachtens L--, zeî de schipper, en hy
smeet zijn vrouw over boord.
Lichter, z. n. m. -- Vaartuig, waarmede groote schepen gelost
worden, wanneer zy te veel diepgang hebben om met ongebroken lading
hun bestemmingsplaats te bereiken. Vóór de doorgraving van het
Noord-Hollandsch kanaal, werden de goederen uit de koopvaarders by
hun aankomst op de reede van Texel, alle door L--s naar Amsterdam
vervoerd. Zie de bepalingen, omtrent de L--s in artt. 19, 20, 21 en
22 der Alg. Wet van 26 Aug. 1822.
Spreekwijze: Een L-- aan boord krijgen (ondersteuning krijgen om door
de bezwaren heen te komen).
Lichter, z. n. m. -- Lichtverschaffer: Hek- of Marslantaarn.
Lichting, z. n. m. (veroud.) -- De kring of draaijing van het touw
rondom den spil.
Lier, z. n. v. -- Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om
vrachtgoederen in een schip te hijschen.
Ligdagen, Liggen, enz. -- Zie Legdagen, Leggen.
Ligging, z. n. v. -- Gesteldheid, waar een plaats zich bevindt.
Linie, z. n. v., Evennachtslijn of Equator. -- Cirkel om den aardbol,
die overal even ver van de beide polen verwijderd is. De L-- passeeren
(van het N. in het Z. halfrond gaan of omgekeerd).
Spreekwijze: De L-- gepasseerd zijn (50 jaar oud zijn geworden).
Linie, z. n. v. -- Lijn, slagorde. In L-- geschaard zijn. Gesloten L--
(wanneer de schepen op korten afstand van elkander zijn). Loefwaartsche
L--, Lywaartsche L-- (wanneer twee vlooten zich op evenwijdige lijnen
by elkander bevinden).
Linieschip, z. n. o. of Schip van Linie. -- Groot oorlogsvaartuig,
vroeger "Schip van oorlog" genoemd.
Lip, z. n. v. -- Keep.
Lipklamp, z. n. v. -- Zie Klamp.
Loef, z. n. v., Loefboord of Loefzijde. -- 1o. In een zeilend schip,
de zijde, waar de wind op staat. Aan L-- zitten.
2o. De benedenhoek van een groot zeil windwaarts.
3o. Het voordeel van den wind. De L-- afwinnen (het voordeel van den
wind bekomen). De L-- houden (het voordeel van den wind bewaren).
Spreekwijze: Iemand de L-- afsteken (voordeel op iemand behalen,
iemand voor zijn).
Iets eens L--s doen (iets zonder beraad, zonder aarzelen doen).
Loefbalk, z. n. m., Maststut of Mastschoor. -- Naam van zware stukken
hout, die tot stut van een benedenmast dienen, als hy in de kiel ligt.
Loefboom, z. n. m. -- Zie Botteloef.
Loefboord, z. n. o. -- Zie Loef.
Loefbras, z. n. m. -- Bras aan de windzijde.
Loefgierig, b. n. -- Zwaar op het roer. L-- schip (dat gemakkelijk
naar den wind luistert en tegen het roer in geneigd is te Loeven).
Loefhals, z. n. m. -- Hals aan de windzijde.
Loefhouden, o. w. -- Goed by-de-wind zeilen, zonder af te vallen.
Loefhouder, z. n. m. -- 1o. Schip dat goed by-de-wind zeilt.
2o. of Bitstuk. -- Strook hout, tegen den voorkant des voorstevens
aangebracht.
Loefpardoen, z. n. o. -- Vliegend Pardoen.
Loefschoot, z. n. v. -- Schoot aan de windzijde.
Loefspant, z. n. v. (veroud.) -- Spant, die in verband staat met
de halsklamp.
Loefwaart (Te), bw. -- Zie Loevert (te).
Loefwal, z. n. m. -- Wal, kust aan de windzijde.
Loefzijde, z. n. v. -- Zie Loef.
Loerding, z. n. v. -- Zie Lording.
Loet, z. n. v. -- Spaansche bezem, waarmede een schip onder water
geschrobd wordt.
Loeven, o. w. Aanloeven of Oploeven. -- By-de-wind komen,
den voorsteven van het schip naar den wind brengen. L-- is het
tegenovergestelde van Afhouden. L--! L-- op! Houd de L--! L-- op
stijf! (houd dicht by den wind!) L-- op voor de bui! L-- voor de zee!
Loevert (Te), bw. -- Aan de windzijde. Een schip te L-- bespeuren.
Log, b. n. -- Bang, zwaar. L-- in het zeilen. Dat schip ligt L--
op het water.
Log, z. n. v. -- Werktuig, in zee gebezigd, om de voorwaartsche
snelheid van een schip te meten.
Logboek, z. n. o. -- Dagregister, scheepsjournaal.
Loggaten, z. n. o. (veroud.) -- Thans Vullingsgaten genoemd. Zie ald.
Loggen, o. w. -- De Log over boord werpen.
Logger, z. n. m. -- Klein oorlogsvaartuig, meestal met zoomwerk
voorzien. Het heeft veel diepgang achter, voert een grooten mast,
een fokkemast en een druil, en is met marszeilen getuigd.
Logglas, z. n. o. -- Zandloopertjen, dienende om de tijdruimte te
bepalen, waarin de Loglijn loopt.
Loglijn, z. n. v. -- Lijn, die van den overlooper af met knoopen
en halve knoopen voorzien is, de eerstgemelde op 15,5 el,
de laatstgenoemde op 7,7 el afstands. De knoop maakt het 120ste
gedeelte van het derde eener zeemijl: de tijdruimte der meting is
een halve minuut.
Logplankjen, z. n. o. -- Driehoekig plankjen, dat aan de onderste zijde
met lood voorzien, en door een hanepoot aan de loglijn vastgemaakt,
van het achterschip in zee geworpen, overeind blijft staan, terwijl
het schip voortgaat, en alzoo dient om den afstand te meten, welken
een schip gedurende 15 à 30 seconden heeft afgelegd.
Logrol, z. n. m. of Logwuit. -- Spil, waar de Loglijn over loopt.
Logtafel, z. n. v. -- Zwart geschilderde plank, in kolommen afgedeeld,
en waarin met het einde van elke wacht wordt opgeteekend, wat noodig
is om te weten, ten einde den koers van het vaartuig te berekenen en
den afstand, welken het volgends de Log heeft afgelegd.
Logwuit, z. n. v. -- Zie Logrol.
Lokgat, z. n. o. (veroud.) -- Waterloozing.
Lont, z. n. v. -- Gedraaid touw, dienende om het geschut te doen
ontbranden.
Lontstok, z. n. v. -- Stok, waar de Lont aan gehecht is.
Lontvat, z. n. o. -- Vat voor de Lonten.
Lood, z. n. o., Diep- of Peillood. -- Langwerpig vierkant stuk
lood, van boven met een gat, waarin de strop gesplitst is, aan
welken de loodlijn vast zit, dienende om de diepte van het water
te peilen. DiepL--, ZwaarL-- (het Lood waarmede groote -), HandL--,
LichtL-- (waarmede kleine peilingen verricht worden). Aan het onderste
van 't zwaar L-- is een holte, die met talk gestopt wordt en dient om
de natuur van den bodem, b. v. zand, modder, steen- of korrelgrond,
te onderkennen.
Looden, o. w. -- Diepte-peilen.
Loodbalie, z. n. v. -- Tobbe, waar de natte Loodlijn by 't binnen
halen in wordt geborgen.
Looding, z. n. v. -- Diepte-peiling.
Loodlijn, z. n. v. -- Witte Lijn, waar het Lood aan gehecht is,
en door welke de diepte van het water gemeten wordt.
Loodlijnblok, z. n. o. -- Blokjen, dat aan het want van een benedenmast
gehecht wordt, en waarvan men zich bedient om de Loodlijn gemakkelijker
uit de diepte op te halen.
Loods, z. n. m. -- Iemand, die een schip in zee, of uit zee op de reede
brengt, en meer byzonder iemand, die een vaste aanstelling heeft om
zulks te verrichten. BinnenL-- (die zijn bedrijf op de binnenwateren
uitoefent). BuitenL-- (die met het buitenwater bekend is).
Antonides noemt in zijn IJstroom, de Loodsen:
Een volk, in 't peilen van den gront en droogte ervaren.
Spreekwijze: Het zit er niet dieper, zei de L-- en hy peilde in de
vleeschbalie (op botterikken toe te passen).
Loodsboot, z. n. v., Loodsschuit of Loodsvaartuig. -- Vaartuig, dat
den Loods ten dienste staat, om hem aan boord der schepen, aan welke
hy hulp verleenen moet, te brengen, of er hem van daan te halen. De
L-- is aan een bepaalde vlag of teeken kenbaar.
Loodsen, b. w. -- Een schip naar binnen of naar buiten voeren, met
behulp, 't zij van theoretische, 't zij van plaatselijke kennis. InL--,
BinnenL--.
Nu scheen zy eens een kleene boot
In 't roeien na te bootsen
En 't vlot, by 't kronklen van den stroom
De bochten in te lootsen.
Bilderdijk, Elius.
Loodsgeld, z. n. o. -- Geld, dat voor het Loodsen betaald
wordt. Ontfanger der L--en (ambtenaar, die de L--en ontvangt en aan
het Departement van Marine verantwoordt).
Loodsman, z. n. m. -- 't Zelfde als Loods.
Loodswezen, z. n. o. -- Al wat tot het bestuur en de inrichting van
het Loodsen betrekking heeft.
Loog, z. n. v. -- Stukken hout, die volgends 't beloop van 't schip
moeten gebogen worden en door bevochtiging en branding krom trekken.
Loogen, z. n. v. -- Stukken hout nat maken en buigen.
Loom, b. n. -- Wordt een schip gezegd te zijn, wanneer het traag is
in zijn bewegingen.
Loop, z. n. m. -- 1o. Richting. De L-- van een stroom.
2o. Bus van een schietgeweer.
3o. Het terugspringen van een losbrandend kanon.
Loopen, o. w. -- 1o. Varen, zeilen. Dat schip Loopt snel. Zie
Binnenloopen, Uitloopen.--Achterom L-- (Engeland omzeilen, 't geen
vroeger de retoervloot in oorlogstijden dikwijls genoodzaakt was
te doen).
2o. Zakken. Het zeil laten L-- (het zeil strijken).
Loopend want. -- Zie Want.
Looper, z. n. m., Uithaalder, Wipper. -- Algemeene benaming van alle
touwen, die door een blok loopen. L-- die van achteren naar voren vaart
(die, door een schijf loopende, van het achterschip naar het voorschip
gestrekt is). Doorgeschoven, geschoren L-- (die van voren naar achteren
loopt). Beknepen L-- (die tusschen de schijf en het blok vast zit). Ook
wordt veelal dat gedeelte van een touw, 't welk men by 't hijschen of
halen in handen heeft, de L-- genoemd. KardeelL--, StengewindreepsL--.
Loopgang, z. n. m., of Loopplank. -- Het bak- en stuurboordsgedeelte
van het dek, waarmede men van het voor- naar het achterschip gaat.
Loopgraven, z. n. v. mv., van een Brander. -- Kruitloop, in een
Brander aangebracht, om dien aan te steken.
Loop-in-'t lijntjen, z. n. o. -- Jong matroos.
Loopplank, z. n. v. -- Zie Loopgang.
Loopstags, z. n. o. mv. of Leiers van den Boegspriet. -- Touwen op
gelijke hoogte evenwijdig aan weêrszijden van den boegspriet gespannen,
en tot steun dienende van de manschappen, die verplicht zijn langs
dien mast op en neder te gaan.
Loos, z. n. v. -- Losse bocht in een touw.
Loos, b. n. -- Alles wat men waarloos aan boord heeft. Looze stengen,
Looze zeilen: ook wat men tot sparing van het bestaande bezigt. Looze
voorsteven, Looze poorten (borden, waarmede men de geschutpoorten
sluit als het geschut te boord staat). Looze (ook Losse) kiel (die
aan de vaste kiel is gehecht van een schip, dat slecht stuurt).
Lording, z. n. v. of Loerding. -- Driedraads geteerd garen.
Los, bw. -- In verscheidene kommandoos gebezigd. Kluiver en
Stagzeilschoten L--, L-- overal! L-- overal in eens!
Losgooien, b. w. -- Snel losmaken.
Losplaats, z. n. v. -- Werf of Kaai, waar goederen gelost worden.
Losbranden, b. w. -- Afschieten. Een roer, een kanon L--. Brandt er
op Los! (schiet af!).
Losscherp, z. n. o. (veroud.) -- Allerlei yzerwerk, als staven,
schroot, enz. dat maar los en zonder kardoezen in 't geschut gestoken
werd.
Lossen, o. w. -- Zich van zijn vracht ontdoen. Wy werden genoodzaakt
te L--. Reglement op het laden en L--.
Lossen, b. w. -- 1o. Uitbrengen. Goederen L-- (ze uit het vaartuig
aan wal brengen). Zie omtrent het L-- van goederen de Alg. Wet van
26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127-152.
2o. Afschieten. Het geschut L-- (schieten).
3o. Bevrijden, ontslaan.
Lossing, z. n. v. -- Ontscheping van goederen.
Lucht, z. n. v. -- 1o. Hoofdstof, wier inademing den mensch onmisbaar
is om te leven. L-- maken (de L-- door het openen van luiken, deuren
of ramen, in een bedompte plaats doen binnen dringen).
2o. Zwerk, uitspansel. Betrokken L--. Dikke, verstopte L--. Heldere
L--. Mistige L--. De L-- staat naar regen (er zal regen komen).
3o. Wolk, bui. Er hangen zware L--en.
4o. Ruimte tusschen de deelen van een scheepsromp. De L--en
opvullen. L--en tusschen de wegers.
Luchtjen, z. n. o. -- Windtjen, koeltjen, briesjen.
Luchtgaten, z. n. o. mv. -- Vierkante gaten beneden het kolsem
door de zitters en buikstukken, waar het pompwater doorgaat. In de
buikdenningen worden ook L-- gemaakt om het water te doen schieten
dat daar op staat.
Luchtzeil, z. n. o. -- Zie Koelzeil.
Lui, b. n. (veroud.) -- L--hout heette by de scheepstimmerlieden wat
niet wel gekromd of gebogen was.
Luien, b. w. -- 1o. Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen.
2o. Voor: "de klok luiden," 't geen men by mistig weer doet; ter
waarschuwing om aanzeiling te voorkomen:--alsmede om het volk tot
schaften te roepen.
Spreekwijze: De klok L--, maar niet schoften, iets belooven, maar
niet volbrengen.
Luik, z. n. o. -- 1o. Sluiting, bord, bepaaldelijk zulk een als
dient om een opening te Luiken of dicht te maken, en van hier,
door toepassing:
2o. De opening zelve en wel zoodanig vierkante opening, als in de
dikte van een dek of bak gemaakt is, om de gemeenschap tusschen de
verdiepingen van een vaartuig tot stand te brengen. Zoo heeft men
aan boord van een schip het achterL--, het grootL--, het voorL--,
en andere meer, genoemd naar de plaats, waar zy heen geleiden.
Luisteren, o. w. -- Gehoor geven. Het schip wordt gezegd naar het
roer te L--, wanneer het de beweging aanneemt, welke de roerganger
er aan wenscht mede te deelen.
't Schip luistert naar geen roer, naer Stuurman noch kompas.
Vondel. Lof der Zeevaert.
Luitenant-Amiraal, z. n. m. -- Zie Amiraal.
Luitenant ter Zee, z. n. m. -- Tytel van den Officier, die op den
Kapitein-Luitenant volgt. De L-- ter zee der Eerste klasse heeft den
rang van Kapitein by de Landstroepen. 't Woord is Fransch en beteekent
letterlijk: "plaats-bekleeder", "stede-houder".
Luiwagen, z. n. m. -- Cirkelvormig dwarshout, waar de roerpen over
heen en en weêr loopt.
Luizeplecht, z. n. v. (veroud.) -- Verschansing op het voorkasteel.
Lul, z. n. m. -- Stagzeil, voorzeil van een visschersvaartuig.
Lumieren, z. n. v. mv. -- Dageraad, eerste schemering, verhollandschte
uitspraak van 't Fr. lumière. Wy moeten morgen met de L-- beginnen
(zoodra de dag aanbreekt).
Luns, z. n. v. -- Gebogen 8vormige yzeren pen, die in de as van een
roltuig gestoken wordt om het afloopen van 't wiel te beletten.
Lurken, o. w. -- Wordt de pomp gezegd te doen, wanneer het pomphart
geen grond raakt.
Luwen, o. w. -- Bedaren, kalm worden. Het begint te L-- (het weer
zal bedaren). De storm is aan 't L-- (aan 't verminderen).
Spreekwijze: Het begint te L--, zei de reiziger, en hy zat achter
een bies.
Luwte, z. n. v. -- Kalmte, veiligheid. Wy zijn hier in de L--
(buiten den wind).
Lij, z. n. v. -- Van den wind, het tegenovergestelde van Loef. Wie
zich aan Loef bevindt, is aan de hoogere, wie zich aan L-- bevindt, aan
de lagere (dus lijdende) zijde van het vaartuig. Roer aan L--! (breng
het roer van den wind af).
Spreekwijzen: Iemand in L-- brengen (hem in nood, in lijden brengen).
Iemand in L-- houden (hem bedwingen).
Hy ligt in L-- (hy is overwonnen).
Zich in L-- houden (zich stil, aan lager kant houden).
Lijboord, Lijboelijns, Lijbrassen, enz. -- Het Boord, de Boelijns,
enz. die zich aan de Lijzijde van het schip bevinden.
Lijf, z. n. o. -- Het grootste gedeelte eener knie.
Lijfhout, z. n. o. -- Zie Watergangen.
Lijfknoop, z. n. m. -- Boelijnsknoop, die een man om 't lijf geslagen
en waarmede hy naar een kalen mast geheschen wordt.
Lijfnaden, z. n. v. mv. -- Naden tusschen de watergangen.
Lijk, z. n. o. -- De rand, of het touw, waarmede een zeil omboord
wordt; alzoo het lichaam of lijk, dat de ziel of het zeil omsluit.
Spreekwijze: Uit de L--en geslagen ('onklaar, in de war':--omdat een
zeil, dat uit zijn L--en slaat, gescheurd en onbruikbaar raakt).
Lijken, b. w. -- Een zeil met touwwerk omzoomen.
Lijkgaren, z. n. o. -- Garen, tot het Lijken gebruikt.
Lijknaald, z. n. o. -- Naald, tot het Lijken gebezigd.
Lijn, z. n. v. -- 1o. Koord, touw, gewoonlijk van witten draad van
120 vademen lengte. In de L-- loopen (een schuit trekken). Zie Loop in
't Lijntjen.
Scha-baet, daer valt te met een kanghsgen onder wege,
Daer 't treck-gelt op magh staen; aers moeten w'in de lijn
En halen 't met den hals; maer dat's een korte pijn.
Huyghens, Hofwijck.
2o. Denkbeeldige Streep. L-- van de kim, waterL--.
3o. Bocht, op den scheepswand aangeteekend, om de plaats aan te wijzen
waar het Dek moet komen. Zie DekL--.
Spreekwijze: Zachtjens aan, dan breekt de L-- niet (laat uw ontwerp
niet door overijling of drift mislukken).
Trek aan dat L--tjen niet (roer die zaak niet aan).
Eene L-- trekken (overeenstemmen, hetzelfde advies of stelsel
voorstaan).
Lijnbaan, z. n. v. -- Eigenlijk de baan, waarin touw getrokken wordt:
van daar de touwslagery zelve.
Lijst, z. n. v. of Sent. -- Zoomwerk, dat tijdelijk gebruikt wordt
by den aanbouw van een schip, om de spanten in verband te houden.
Lijstlijnen, z. n. v. mv. (veroud.)--Touwen, daar men de bonnetten
aan de zeilen meê vast rijgt.
Lijstnaald, z. n. v. -- Kleine Lijst, strook, die, in een mast of ra,
uit veelvuldige deelen saamgesteld, tot aanvulling wordt geplaatst.
Lijwaart, bw. -- Van den wind af. Aan Lij.
Lijwal, z. n. m. -- Kust, wal onder den wind.
Lijzeil, z. n. o. Zie Broodwinder. -- BovenL-- (dat aan het
marszeil), BramL-- (dat aan het bramzeil), Groot bovenL-- (dat
aan het grootbovenbramzeil), Groot onderL-- (dat aan de groote ra),
KruisL-- (dat aan het kruiszeil), KruisbramL-- (dat aan het Grietjen),
Voor-bovenL-- (dat aan het klein marszeil), VoorbramL-- (dat aan het
voorbramzeil), VooronderL-- (dat aan het fokkezeil is bygezet).
Lijzijde, z. n. v. -- Zijde onder den wind.