Laadgat, z. n. o. -- Zie Zundgat.
Laadpriem, z. n. m. -- Zie Ruimnaald.
Laag, z. n. v. -- 1o. (veroud.) Zog, Kielwater.
2o. De stukken geschut, die op dezelfde rij geplaatst zijn. Bovenste
GeschutL--, Onderste GeschutL--.
3o. De schoten, uit de op een rij geplaatste stukken gelijktijdig
gelost. De volle L-- geven (uit al de stukken, die zich aan ééne zijde
bevinden, tegelijk schieten). Hy heeft een geduchte L-- ontfangen
(hy is hevig beschoten).
Spreekwijze: Iemand de volle L-- geven (hem geducht de waarheid zeggen:
ook: hem ruw bejegenen).
Laars, z. n. v. -- End dag, waarmede men iemand afstraft.
Laarzen, b. w. -- De schepelingen met een end dag op de natte broek
kastijden. Volgends Bild. op Laars zoû 't woord oorspronkelijk Leerzen
zijn en beteekenen "met lederen riemen slaan". Doch Kiliaan stelt
leersen synonium met bot-aersen (met schoenen of laarzen slaan).
Labber, b. n. -- Lui, flaauw, naar.
Labberen, o. w. -- Fladderen, wapperen, wordt van een zeil gezegd.
Labberkoelte, z. n. v. -- Flaauwe wind, waarby de zeilen niet gespannen
staan, maar alleen labberen en fladderen.
Labberlot, z. n. v. -- Naam van eene der sloepen.
Labberlottig, b. n. -- Zie Belabberd.
Labzalven, b. w. -- Zie Lapzalven.
Ladder, z. n. m. -- Samenstelling van planken of van touw, waarmede
men op- of afstijgt. TouwL--, ScheepsL--.
Laden, b. w. -- Vullen, van zijn lading voorzien: en dus, zoowel
met betrekking tot de goederen, die in het schip, als tot het kruit
en lood, die in het geschut gebracht worden. Het schip is Geladen
(heeft zijn lading ontfangen). De goederen zijn Geladen (zijn binnen
boord gebracht). De kanonnen zijn Geladen (zijn gereed gemaakt om
afgeschoten te worden). Zie de bepalingen omtrent het Laden en Lossen
in de Alg. wet van 26 Aug. 1822, Hoofdst. XIV, artt. 127-152.
Spreekwijze: Ik heb Geladen waar ik meê over moet (ik heb my een
ongemak, een kwelling op den hals gehaald, die my zal byblijven).
Lading, z. n. v. -- 1o. De waren, goederen, koopmanschappen, enz. welke
in een vaartuig worden overgevoerd. In L-- liggen (wordt een schip
gezegd te doen, als het klaar ligt om ingeladen te worden). L--
stukgoederen, L-- stootgoederen.
Wanneer de morgenstar zal rijzen,
Zal 't licht de rijke lading wijzen.
Van Haren, de Geuzen.
2o. De dracht kruit, die een vuurwapen vereischt.
3o. De hoeveelheid kruit, kogel of kogels, enz. die te samen genomen
in een vuurmond gebracht wordt.
4o. De daad zelve van het Laden (Gezwinde L--, L-- in 4, in 11
tempoos).
Lagerwal, z. n. m. -- De oever, waar de wind op staat en alzoo het
tegenovergestelde van Opperwal of Oppert.
Spreekwijze: Aan L-- zitten, aan L-- zijn (zich in slechte
omstandigheden bevinden:--omdat een vaartuig, 't welk aan L-- ligt,
geen beschutting van de landzij hebbende, aan den wind is blootgesteld
en dikwijls gevaar loopt van stranden).
Laken, z. n. o. (veroud.) -- Oneig. voor Zeil. Voor het L-- gaan
(voor-de-wind zeilen).
Lampion, z. n. o. -- Blikken ring, waar binnen de pit gevat is,
wier licht het kompas beschijnt.
Land, z. n. o. -- Ten opzichte van den zeeman, al wat geen water
is. Beneveld L-- (wat men niet goed onderscheiden kan). Groot L--
(het vaste L-- met betrekking tot een Eiland, of een groot Eiland met
betrekking tot een kleiner). Gesloten L-- (Landpunten of Eilanden,
tusschen welke men niet doorheen kan zien, zoodat zy met elkander
verward worden). Hakkelig L-- (waarvan het bovenste gedeelte zich
dor en heuvelachtig voordoet). Hoog L-- (dat zich hoog boven de zee
verheft). Verkenbaar L-- (dat licht te kennen valt). Vast L-- (dat
tot het vaste L-- behoort). L-- dat ontvalt (kust, die zich naar de
regels der perspectief langzamerhand schijnt te verwijderen). L--
zien, L-- hebben (in de nabyheid van het L-- zijn). Daar is
L--! L-- vooruit! L--! L-- in het gezicht! L-- te loefwaarts! L--
aan stuurboord! L-- kraanbalksgewijze te loefwaarts! L-- dwars over
bakboord! enz. (uitroepen, door den uitkijk gedaan). Over L-- zeilen
(veroud.), (zeilen, waar men naar de gissing gemeend had L-- te moeten
vinden, ofschoon men er ver van verwijderd is). Zie Boterland.
Spreekwijze: Ik zie L-- (de bak is byna ledig, ik zie den boôm).