Daagsch anker, z. n. o. -- Het Anker, dat het meest gebruikt
wordt. Schepen uit het Noorder kwartier, of liever, in Texel en te
Amsterdam uitgerust, hebben het aan Bakboord varen, terwijl het uit
de havens bezuiden de Maas aan Stuurboord vaart.
Daagsch Touw, z. n. o. -- Het zware Touw, dat met het Daagsch Anker
gebruikt wordt. Zie Legger en Volger.
Dag, z. n. m. -- 1o. Tijdverloop tusschen zons op- en ondergang. Het
heeft den gandschen D-- geregend: eerst met het opkomen der maan is
de lucht opgeklaard.
2o. Etmaal. Men berekent de hoeveelheid van ingescheepte levensmiddelen
by D--en. Er is nog voor tien D--en water. Er is niet meer dan voor
vijf D--en proviand. Zie verder Ligdagen, Waschdagen enz.
Dag, z. n. v. -- Wordt genomen voor het end touw, waarmede
de scheepsprovoost de misdadigers plach te kastijden. Volgends
Bilderdijk zoû 't woord verbasterd zijn van tak, en verwant aan takel,
dus werkelijk de beteekenis hebben van Touw: waarom hy er ook in zijn
Geslachtlijst het o. gesl. aan geeft. Intusschen is 't hetzelfde woord
als degen en 't werd in 't Fransch ook dague de prévôt genaamd. Men
weet dat Dag of Dagge ook ponjaart beteekent. Zie Dag. Wellicht is
de oorsprong der benaming van Dag, zoowel aan dit endtjen touw als
aan den dolk gegeven, aan die zelfde beschimpende toespraak ontleend,
waaraan die oude strijdkolven, welke men Goeden dags heette, hun naam
verschuldigd zijn. De enden touw, waarmede de strafoefening geschiedt,
heeten Handdagen. De krijgsraad heeft hem veroordeeld om met Handdagen
te worden afgestraft.
Dagboek, z. n. o. -- Zie Dagregister.
Dagen, o. w. -- Dag, worden, licht worden. Het begint te D-- (de
schemering breekt door).
Dagge, z. n. v. -- (veroud.) Entertouw voor de matrozen.
Dagregister, z. n. o. -- of Journaal. Register, hetwelk de schipper
verplicht is te houden en waarin hy dag aan dag moet opteekenen: "de
gesteldheid van weer en wind: hoeveel het schip in zijn koers gevorderd
of teruggegaan is: op welke lengte en breedte het zich bevindt: welke
onheilen en uit wat oorzaak die aan schip en lading zijn overkomen:
de gesteldheid, waarin hetgeen door ongeval, door kappen, snijden en
kerven, verloren is gegaan, zich bevond: welke koersen hy gehouden
heeft en waarom hy daarvan heeft moeten afwijken; de besluiten
in den scheepsraad genomen: de afdanking van scheepsofficieren of
scheepsgezellen en de redenen daarvan: al wat schip en lading betreft
en tot het doen van rekening of verantwoording, of tot het instellen
of afweeren van eenige vordering, aanleiding zoû kunnen geven." Zie
Wetb. v. Kooph. art. 358.
Dagseinen, z. n. o. -- Zie Sein.
Dagwaak slaan (de) of de Reveille slaan. -- De manschap door
trommelslag opwekken. De D-- wordt in de Dagwacht geslagen.
Dagwacht, z. n. v. -- Wacht aan boord, die van 's morgens 4 tot 8
uur duurt.
Daling, z. n. o. of Pompdal. -- Een koker of buis, die van boven
tot beneden langs de pomp loopt en door welke men het peilijzer laat
afzakken, om de hoogte van het water by de pomp te meten.
Dam, z. n. m. -- 1o. Stuk houts, dat ergends in gezet wordt om iets
te stutten en naderhand weêr weggenomen wordt.
2o. Stuk lands, dat dwars door een water gelegd wordt om het te
stuiten. 't Is in zijn oorsprong 't zelfde als Toom. Hiervan
Damlooper, z. n. m. -- Klein Noordhollandsch vaartuig, geschikt om
over dijken, dammen en overtoomen gehaald te worden.
Dammen, b. w. -- Met een Dam sluiten.
Geweld van ketenen en krammen,
Noch palen om de zee te dammen,
Noch zeekasteelen op de strand,
Vol solferblakend ingewand,
Zijn machtig om den Leeuw te temmen.
Oudaen. De Leeuw bevredigt.
Damp, z. n. m. -- Alle wasem, doch in 't byzonder de rook door het
geschut veroorzaakt.
Davids, z. n. m. mv. -- IJzeren standers aan de zijden van het
achterschip, dienende om er lichte vaartuigen aan te hangen.
Deelen, z. n. o. mv. -- Gezaagde en alzoo gedeelde stukken hout. Deelen
van een balk zijn alzoo Planken. Zie ald.
Deelbalie, z. n. v. -- Zie Loodlijnbalie.
Deining, z. n. v. -- Golvende beweging die, na het ophouden van den
wind, die haar veroorzaakt heeft, het zeewater blijft beroeren. Er
staat D--. De D-- is zeer zwaar, de D-- gaat hoog.
Deinzen, o. w. -- Afloopen, teruggaan. Het D-- der golven (het stooten
der golven omtrent de banken of rotsen) ook Tegenzee, Terugzee,
Weêrzee genoemd. Zie ald. Het D-- van het schip (het teruggaan van
het schip in de wending, als de wind vlak van voren komt en 't schip
niet doordraait).
Spreekwijze: Wanneer het schip Deinst legt men het roer verkeerd aan
boord--draait men het op de andere zijde--(als het niet gelukken wil
wendt men het uiterste middel aan).
Deinzig, b. n. -- Dampig, nevelachtig. Een D--e lucht.
Dek, z. n. o. -- Scheepsvloer, eenigzins gewelfd, en uit deelen
samengesteld, die aan weerszijden op de balken rusten. Ook de
verschillende verdiepingen van het vaartuig. Het getal der D--s
wijzigt de benaming van het schip. Zoo heeft men een Tweedek, (een
schip met twee D--s): een Driedekker, (een met drie batteryen). By
koopvaardyschepen heeft men gewoonlijk twee D--s. Het aantal
D--s by oorlogschepen is verschillend. By linieschepen zijn er
ten minsten vier, als, van boven naar beneden tellende: 1o. Het
OpperD-- of BovenD-- ('t halfdek van de kajuit tot den grooten mast,
de loopplanken, den Bak); 2o. het KuilD--; 3o. het TusschenD--, die
elk een battery voeren, de zwaarste onder; 4o. de Koebrug. By gewone
oorlogsfregatten en kuilkorvetten heeft men gewoonlijk een OpperD--
(dat boven is), een KuilD-- en een TusschenD--. Op korvetten met
gestreken D--s heeft men in stede van het gewone Opperd-- vooruit een
kort D-- tot even achter den fokkemast en achteruit een kort D-- tot
even voor den bezaansmast. Het eerste wordt de Bak, het laatste de
Kampanje genoemd. In dit geval wordt het KuilD-- OpperD--. Brikken
hebben een OpperD--, somtijds een kleine Kampanje, en verder een
TusschenD--. De kampanje wordt echter in scheepstaal niet tot de D--s
gerekend. De kapitein was niet op het D--: hy stond op de kampanje. De
helft van het KoebrugD-- wordt HalfD-- geheeten: -- Gebroken D--
(D--, dat op zijn lengte is afgebroken). NegerD-- of SlaveD-- (D--
waar zich op slavenhaalders de negers bevinden). GladD-- gestrekenD--
(een D--, dat onafgebroken doorloopt).
Spreekwijze: Dat is een Driedekker (een groot, zwaarlijvig
vrouwspersoon). De stortzeeën maken GladD-- (slaan alles van 't
D-- af).
Dekbalken, z. n. m. mv. -- Balken, die het Dek onderschragen, en
tevens het dwarsscheepsverband uitmaken.
Dekbalkknieën. z. n. v. mv. -- Knieën, waarop de Dekbalken rusten. Zie
Knie.
Dekbanden, z. n. m. mv. -- Banden van het voor- en achterschip,
mede dienende tot bevestiging van het dek.
Dekdeelen, z. n. o. mv. -- Planken van het Dek. Zie Deelen.
Dekglas, z. n. o. -- Glazen schijf van ongemeene dikte, hoedanige men
in de Deks- of patrijspoorten plaatst om licht te geven in de lagere
gedeelten van het schip. Schroefdekglazen. Leivormige Dekglazen.
Deklinatie, z. n. v. mv. -- De boog aan de hemelsfeer, dien de
hoeksgewijze afstand van een der hemellichten aan den equator
beschrijft. D-- van 't kompas of miswijzing. De afwijking van het
ware Noord.
Dekofficier, z. n. m. -- De hoogste onderofficieren, als schipper,
bootsman, schieman, worden D--en genoemd, omdat zy by de manoeuvre
op het Dek blijven.
Dekplaat, z. n. v. -- Stuk eikenhout, dat de koppen der Beting dekt.
Deksel, z. n. o. -- Wat tot bedekking van iets dient en er tevens
een deel van uitmaakt. Zie Potdeksel.
Dekstoppers, z. n. m. mv. -- Stoppers, die op verschillende punten
van het Dek aan ringen zijn vastgemaakt en zich alzoo voor de hand
bevinden.
Dekstrijken, o. w. -- De planken in het Dek leggen, het Dek bevloeren.
Dekworp, z. n. o. -- Het bovenste worp, waar het Dek op rust.
Dekzeegt, z, n. v. -- De projektie van de lijn, volgends welke de
bovenkanten der balken tegen de binnenoppervlakte der inhouten sluiten,
op het vlak, dat door het midden van kiel en stevens gaat. Zie Zeegt.
Dempgording, z. n. v. -- Het Touw, op het staande lijk van de zeilen
opgestoken, op de hoogte van de boelijns, dat het lijk langs de
ra haalt om het zeil te dempen of er den wind uit te nemen om het
gemakkelijker te beslaan.
Dennen, z. n. v. mv. -- (veroud.) Het dek op een klein vaartuig,
b. v. op een Binnenvaarder, wordt meermalen aldus genoemd, naar het
hout, waarvan het vervaardigd is.