Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend,
de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden
maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij
gezaaid hadden.
Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant,
Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland
en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee,
van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland,
Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems,
het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette
den oorlog voort.
Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne
schoonheid,--want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer
jong,--leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere,
in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der
vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.
Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren
te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en
hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet
beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan
wacharm zou luiden.
De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten,
gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit,
alsmede drie pond vleesch in de week.
Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen
zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen,
kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de
kusten bewaakten.
's Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast
elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone
minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij
de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten,
en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt
als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen
van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.
De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen
de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de
lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.
Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:
--Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de
lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt
gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke
dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.
Uilenspiegel antwoordde:
--Als 't die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb
ik er geen vertrouwen meer in.
--Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.
's Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en
scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te
waken over het land.
En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.
Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine
groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, op de
begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote
menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten
en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen
duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel,
die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw
fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien
kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst
en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen,
doch zij durfden hem niet naderen.
--Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne
eieren.
Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:
--Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren
ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen
rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is
het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open
doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul,
uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen
liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; 't is de nacht in denwelken
de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het
koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen
in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles
moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar
die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en
heel de wereld gelukkig zou maken.
--Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.
--Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei
Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.
Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde,
zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken,
hoe vaster het er aan bleef gehecht.
Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook
haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.
Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:
--Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt
gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die
van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.
Nele zeide hem:
--Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.
En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed
dansen, zeide zij:
--Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van
de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond
hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen
zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?
--Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met
te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te
aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?
Maar zonder naar hem te luisteren;
--Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal
ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige
Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen
God en de menschen.
Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.
--Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren
doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.
--'t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.
Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich
naast elkander op het gras.
De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een
helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige
wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele's en Uilenspiegel's
dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.
Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand
van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze
weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met
zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en
ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens
ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen
der eilanden van schrik deed ontwaken:
Lezen willen luizedwergen
Met ziekelijk troebel oog,
Wat wij zoo weigerlijk bergen:
De teekenen heilig en hoog.
Lelie, luis, het eerwaarde,
Lelie, vloo, de geheimenis,
Die in hemel, lucht en aarde
Met zeven nagels vernageld is.
En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en
in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel
van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:
Onder den mesthoop kiemt de plant.
Is zeven slecht, zeven is goed.
Kolen vormen diamant,
Dwaze doctoren, leerlingen vroed.
Is zeven slecht, zeven is goed.
En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die,
gonzend als krekelen, zeiden:
Kijkt toe wie de macht hier torst,
Der pausen paus, der vorsten vorst;
Wie Caesar aan den leiband houdt,
Kijkt toe, hij is van hout!
Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger,
grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een
zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.
En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:
--Ik ben God!
En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige
meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen:
zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen
van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke,
vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met
pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was
de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek
en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok
voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van
vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een
slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdat zij te veel heur
gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid
omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was,
de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat
zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.
En de dwaallichtjes dansten rondom hen.
En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden,
meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend:
--Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der
wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door
marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet
in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen
van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud,
het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van
de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van
den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje,
verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de
zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de
wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.
En men hoorde eene stem zeggen:
Onder den mesthoop kiemt de plant.
Is zeven slecht, zeven is goed.
Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;
Om asch te krijgen en tevens kool
Wat doet een vlooken op den dool?
En de dwaallichtjes zeiden:
--Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van
het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild;
de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen
vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven
vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig
verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!
Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden,
waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.
En eene stem zeide:
--Uilenspiegel, verbrand het hout.
En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:
--Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.
En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke
verbrandden tot assche.
En het bloed vloeide bij stroomen.
En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het
eerste zeide:
--Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.
De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen
uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid,
Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En
de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw,
die Liefde hiet.
En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.
Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen
van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:
Als over land en wateren
Die Zeven, hervormd, zullen heerschen,
Menschen, hoofden hoog!
't Is het heil der wereld.
En Uilenspiegel zeide:
--Nele, die geesten spotten met ons.
Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het
luchtruim.
En de geesten zongen:
Raakt het Noorden,
Kussend het Westen,
Rampspoed is uit.
Vind de Zeven
En den Gordel.
--Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt
wel raadselachtig, heeren Geesten.
En grinnikend zongen zij:
't Noorden is Nederland,
België 't Westen.
Gordel is vriendschap,
Gordel verbond.
--Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.
En grinnikend zongen zij nog:
De gordel, arme,
Om Neerland en België,
Zal vriendschap wezen,
Vroom verbond.
Met raad
En daad,
Met dood
En bloed,
Als 't moet,
Was de Schelde daar niet,
Arme, de Schelde.
--Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van
't menschdom en spotternij van 't lot.
Grinnikend hernamen de geesten:
Verbond
Met bloed
En dood,
Was de Schelde daar niet!
En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.