Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog
grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op
te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de
godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.
En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:
--Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja,
dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt,
dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken
verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat
gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning,
die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat
ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn
vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van
's morgens tot 's avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik,
en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de
koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer
dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile,
leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt
geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te
wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van
ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij,
in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja,
en ik spuw op ulieden.
Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:
--Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan
beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!
En dra brachten zij alles in gereedheid.
Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen
den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op
jammerenden toon:
--Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, 't is de duivel der
grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige
gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld;
genadige heeren, weest bermhertig: 't was niet gemeend; sluit mijnen
mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen,
maar om Godswil, hangt mij niet op!
Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder,
niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo
schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de
keuken was om hem op te passen:
--Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen
en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!
Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze
hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar
hem uitgestoken:
--Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land
en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met
mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want
dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen
met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven;
messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet
verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee
en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan
verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen,
die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne
heeren, bidt voor mij.
Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:
--Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: 't was maar de monnik,
dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel,
mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van
Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of
hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem
op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts
kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen,
en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.
--Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en
de Geuzen.
--Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.
--Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.
En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi
gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.
Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar
en hoorde hem twisten met Nele:
--Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet;
anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn
bed niet liggen lijk een kalf!
--Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open,
en gij sterft.
--Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne
vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat
gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor
den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid
baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.
--Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten
genezen door ons.
--Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen
weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw
zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in
mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen,
of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van
ijzer zou zijn.
--Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij
zijt ziek....
--Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen,
moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt
vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij,
uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne
wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen
bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om
u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor
te dienen?
--Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.
--Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn
reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken, neen: arme vriend en
kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben,
ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten
voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik
verdroog als een stok.
--Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit
ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.
--Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed
als de Moeder Gods.