Als Lamme's monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood
wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op
te steken.
--Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en
schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke
gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip
zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....
--Met hondenvet? vroegen de Geuzen.
--Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend,
ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen,
die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt
verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te
slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer,
Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u,
uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden
kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste
van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet
zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude,
de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus
het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder,
de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde
bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk
uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien,
paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!
De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten,
met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde
hij zijn gelaat tegen die kogels.