I.

Als Lamme's monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood

wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op

te steken.

--Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en

schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke

gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip

zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....

--Met hondenvet? vroegen de Geuzen.

--Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend,

ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen,

die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt

verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te

slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer,

Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u,

uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden

kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste

van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet

zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude,

de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus

het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder,

de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde

bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk

uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien,

paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!

De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten,

met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde

hij zijn gelaat tegen die kogels.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 184 / 195 题