Te dien tijde namen de Geuzen, onder dewelke Lamme en Uilenspiegel
waren, het stedeken Gorkum. En zij waren aangevoerd door kapitein
Marinus. Deze Marinus, die vroeger dijkwerker was, was weergaloos
trotsch en verwaand en teekende met Gaspard Turk, de verdediger van
Gorkum, eene capitulatie, bij dewelke Turk, de monniken, poorters en
soldaten, die binnen de vesting waren, vrijelijk zouden mogen uitgaan
met den kogel in den mond, het musket op den schouder, met alles
wat zij zouden kunnen dragen, uitgenomen de goedingen van kerken en
kloosters, die aan de belegeraars moesten komen.
Maar, op bevel van messire Lumey, wederhield kapitein Marinus negentien
monniken; alleen de soldaten en poorters liet hij gaan.
En Uilenspiegel sprak:
--Soldatenwoord moet gulden woord wezen. Waarom breekt hij het zijne?
Een oude Geus antwoordde hem:
--De monniken zijn de zonen Satans, de melaatschheid der landen, de
schande der volken. Sedert de komst van den bloedigen hertog, spelen
dezen hier den baas in Gorkum. Onder hen is er een, paap Nicolaas,
dewelke fier is als een pauw en wreed als een tijger. Telkenmale dat
hij over de straat ging met zijn monstrans, waarin zijn met hondevet
gebakken ouwel stak, keek hij met grammoedige oogen naar de huizen, uit
dewelke de vrouwen niet kwamen om neder te knielen, en kloeg hij bij
den rechter al degenen aan, die de knie niet bogen voor zijnen afgod
van water en bloem. De andere monniken volgden zijn voorbeeld. Dat
was de oorzaak van vele gruweldaden, verbrandingen en andere wreede
folteringen in het stedeken Gorkum. Kapitein Marinus deed wèl van die
monniken gevangen te houden, die anderszins, met hunne gelijken, in
vlekken, steden en gehuchten zouden gaan, om te preeken tegen ons, het
volk op te hitsen en de arme hervormden te doen verbranden. Bloedhonden
legt men aan de keten totdat zij verrekken; aan de keten, de monniken;
aan de keten, de bloedhonden van den hertog van Alva; in den kerker,
de beulen! Vive le Geus!
--Maar, sprak Uilenspiegel, Oranje, onze prins van de vrijheid, wil
dat men, bij elke overgave, de goedingen der menschen en het vrije
geweten eerbiedige.
De oude geuzen antwoordden:
--De admiraal wil dat niet voor de monniken: hij is de meester:
hij nam den Briel. In den kerker, de monniken!
--Soldatenwoord is gulden woord! Waarom schendt hij zijn
woord? antwoordde Uilenspiegel. De monniken, die in den kerker worden
gehouden, zijn aan de grofste beleedigingen blootgesteld.
--De assche klopt niet meer op uw hert, spraken zij: ten gevolge van
de edicten, hebben honderdduizend gezinnen de ambachten, de nijverheid
onzer landen, overgebracht naar het Noordwesten, naar Engeland; betoon
maar medelijden voor de bewerkers van onzen ondergang! Sedert Keizer
Karel V, Beul I, en, onder den huidigen, bloedigen koning, Beul II,
stierven honderd achttien duizend menschen den marteldood. Wie droeg de
keersen bij de begrafenissen, in den moorden in de tranen? Monniken en
Spaansche soldeniers! Hoort gij, hoort gij de zielen der slachtoffers
niet klagen en kermen in het kille graf?
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Soldatenwoord is
gulden woord!
--Wie dan, zeiden zij, wilde door excommunicatie ons in den ban van
alle landen sluiten? Wie had hemel en aarde, God en duivel en hunne
dichte gelederen santen en santinnen tegen ons afgezonden? Wie spatte
er droppelen ossenbloed op de ouwels, wie deed de houten heiligen
weenen? Wie deed het de Profundis zingen over den grond onzer vaderen,
anders dan die gevloekte geestelijkheid, die hoop ledige, vadsige
monniken? En dit alles om hunnen rijkdom te behouden, alsmede hunnen
invloed op de afgodendienaars, en door ondergang, bloed en vuur te
heerschen over het arme land. In de kooi, de wolven, die de menschen
beloeren; in de kooi, de hyena's. Vive le Geus!
--Soldatenwoord is gulden woord!
's Anderen daags, kwam een bode vanwege messire Lumey, met bevel de
negentien gevangen monniken te doen overbrengen van Gorkum naar den
Briel, alwaar de admiraal zich bevond.
--Zij zullen gehangen worden, zei kapitein Marinus tot Uilenspiegel.
--Toch niet zoolang ik zal leven, antwoordde hij.
--Mijn vriend, zeide Lamme, spreek zóó niet tot messire Lumey. Hij is
wreedaardig en zal u doen hangen in het weinig vereerend gezelschap
der monniken.
--Ik zal spreken naarvolgens de waarheid, antwoordde Uilenspiegel:
soldatenwoord is gulden woord!
--Als gij ze kunt redden, zeide Marinus, breng hunne boot naar den
Briel. Neem Rochus den loods mee, en uwen vriend Lamme, als gij wilt.
--Ik wil, antwoordde Uilenspiegel.
De boot werd gemeerd aan de Groene Kade, de negentien monniken namen er
plaats in; de vreesachtige Rochus werd gezet aan het roer, Uilenspiegel
en Lamme, beiden goed gewapend, gingen staan op de voorplecht. Eenige
schavuiten, die met het oog op de plundering als soldaten bij de Geuzen
waren gekomen, zaten bij de monniken, die honger hadden. Uilenspiegel
gaf hun te eten en te drinken. "Die zal verraden!" zeiden de slechte
soldaten. De negentien monniken zaten in het midden, schijnheilig
vroom en bibberend, hoewel men in de Hooimaand was en de zon helder
en warm scheen, en een zachte zeewind de zeilen der boot deed zwellen,
die log en zwaar over de groene golven gleed.
Pater Nicolaas sprak toen en zeide tot den loods:
--Rochus, leidt men ons naar het Galgeveld?
Vervolgens wendde hij zich in de richting van Gorkum en sprak,
terwijl hij rechtstond en de hand uitstak:
--O, stede van Gorkum, o stede van Gorkum! Hoevele kwalen hebt gij
te lijden: gevloekt zult gij wezen onder al de steden, want binnen
uwe muren hebt gij het zaad der ketterij laten kiemen! O, stede van
Gorkum! En de engel des Heeren zal bij uwe poorten de wacht niet
meer houden. Hij zal niet meer zorgen voor de eer uwer maagden, den
moed uwer mannen, het fortuin uwer kooplieden! O stede van Gorkum,
gevloekt zijt gij, rampzalige!
--Gevloekt, gevloekt, antwoordde Uilenspiegel, gevloekt zeker als
de kam, die al de Spaansche luizen afgekamd heeft! Gevloekt als
de hond, die zijne keten verbreekt, als het trotsche peerd, dat
een wreedaardigen ruiter ontzadelt! Maar gij zelf zijt gevloekt,
dompelaar van een predikant, die slecht vindt dat men de roede,
al ware zij van ijzer, aan stukken slaat op den rug der tirannen!
De monnik zweeg en sloeg de oogen neer; hij scheen ganschelijk
overgeleverd aan zijn godvruchtigen haat.
De schavuiten, die met het oog op plundering als soldaten bij de
Geuzen waren gekomen, waren nabij de monniken, dewelke weldra weer
honger kregen. Uilenspiegel vroeg voor hen haring en beschuit. De
schipper van de boot antwoordde:
--Smijt ze in de Maas, daar zullen zij versche haring vinden.
Uilenspiegel gaf toen aan de monniken al het brood en al de worst,
die hij overhad voor zich en voor Lamme.
De schipper en de schavuiten zeiden tot elkander:
--Die is een verrader, hij spijst de monniken. Wij moeten hem
aanklagen.
Te Dordrecht hield de boot stil in de haven, aan de Bloemenkade;
mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens kwamen in groote menigte
toeloopen om de monniken te zien en zeiden tot elkander, terwijl zij
hen met den vinger toonden of met de vuisten bedreigden:
--Beziet die schoften daar, die godmakers, die de lichamen naar de
brandstapels brengen en de zielen naar 't eeuwige vuur; beziet die
vetgemeste tijgeren, die dikbuikige jakhalzen.
De monniken lieten het hoofd zakken en dorsten niet spreken. Weer
zag Uilenspiegel hen zitten bibberen.
--Wij hebben nog honger, medelijdende soldaat, zeiden zij.
Maar de schipper sprak:
--Wie drinkt altijd? Droog zand. Wie eet altijd? Monniken.
Uilenspiegel ging hun in de stad brood, hesp en een grooten pot
bier koopen.
--Eet en drinkt, zeide hij; gij zijt onze gevangenen, doch als ik kan,
zal ik u redden. Soldatenwoord is gulden woord!
--Waarom geeft gij hun dat eten en drinken? Nooit zullen zij u betalen,
zeiden de schavuiten.
En stille spekend, fluisterden zij elkander in 't oor:
--Hij heeft beloofd hen te redden, wij moeten hem gadeslaan.
Met den dageraad kwamen zij aan den Briel. Toen de poorten hun geopend
waren, ging een voetlooper messire Lumey verwittigen van hunne komst.
Zoodra deze de miede ontving, sprong hij te peerd en, nauwelijks
gekleed en vergezelschapt door eenige gewapende ruiters en
voetknechten, kwam hij aan de boot.
En nog eens kon Uilenspiegel den wreeden admiraal zien, gekleed als
een heer, die in overvloed baadt.
--Goeden dag, heeren monniken, sprak hij. De handen op! Waar is het
bloed der heeren van Egmond en Hoorn? Gij toont mij uwe pootjes,
dat is wel van u....
Een monnik, Leonard genoemd, antwoordde:
--Doe met ons wat gij wilt. Wij zijn monniken, niemand zal ons
opeischen.
--Hij heeft goed gesproken, zeide Uilenspiegel; want vermits de
monnik afgebroken heeft met de wereld, dewelke vader en moeder,
broeder en zuster, gade en vriendin is, vindt hij op Gods uur
niemand, die hem opeischt. Nochtans, Excellentie, wil ik het doen:
Bij het teekenen van de overgave van Gorkum, bepaalde kapitein
Marinus dat die monniken vrij zouden wezen, gelijk al degenen,
die genomen werden in de citadel en die er uitkwamen. Zij werden er
echter zonder reden gevangen gehouden; ik hoor zeggen, dat zij zullen
gehangen worden. Heer, ootmoediglijk richt ik mij tot u, om hen voor
te spreken, want ik weet, dat soldatenwoord gulden woord is.
--Wie zijt gij? vroeg messire Lumey.
--Heer, antwoordde Uilenspiegel, ik ben Vlaming uit het schoone
Vlaanderenland, boer, edelman, alles te zamen, en door de wereld ga
ik aldus, om het goede en schoone te prijzen en volmondig te spotten
met alles wat dwaas en verkeerd is. En u zal ik prijzen, als gij de
belofte houdt, dewelke de kapitein heeft gesteld: Soldatenwoord is
gulden woord!
Maar de schavuiten, die met het oog op plundering bij de Geuzen waren
gekomen, zeiden:
--Heer, die is een verrader: hij heeft beloofd hen te redden; hij
heeft hun brood, hesp, worst en bier gegeven, en ons niets.
Messire Lumey zeide toen tot Uilenspiegel:
--Vlaming, die het goede prijst en monniken spijst, gij zult met
henzelven worden gehangen.
--Ik ben zonder vrees, antwoordde Uilenspiegel, soldatenwoord is
gulden woord!
--Daar hebt gij u iets moois op den hals gehaald, sprak Lamme.
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.
De monniken werden naar eene schuur gebracht, en Uilenspiegel met
hen; daar wilden zij hem bekeeren met godgeleerde bewijsvoeringen;
maar hij viel in slaap bij hunne reden.
Terwijl messire Lumey aan tafel zat, welke vol wijn en vol vleesch
stond, kwam een bode van Gorkum, vanwege kapitein Marinus, met het
afschrift van de brieven des Prinsen van Oranje, "lastende en bevelende
aan al de voogden van steden en andere plaatsen, de geestelijken in
gelijke veiligheid, zekerheid en privilege te houden als de andere
standen des volks".
De bode vroeg om bij Lumey toegelaten te worden, ten einde hem,
eigenhandig, het opschrift der brieven te geven.
--Waar is 't origineel? vroeg Lumey.
--Bij mijn meester Marinus, zeide de bode.
--En die boer zendt mij het afschrift! zeide Lumey. Waar is uw pas?
--Hier, heer, sprak de bode.
Messire Lumey las:
--"Mijnheer en meester Marinus Brand last al den ministers, stadhouders
en officieren der Vereenigde Provinciën, vrijelijk door te laten enz."
Lumey sloeg met de vuisten op de tafel en scheurde den brief aan
stukken; hij riep woedend uit:
--Verdoemd, waarmede bemoeit hij zich, die Marinus, die schooier,
die vóór de inneming van den Briel nog geene graat van een haring te
vreten had? Hij heet zich mijnheer en meester, en zendt bevelen aan
mij! Hij last en beveelt! Zeg aan uw meester, dat, mits hij zulk een
mijnheer en zulk een meester is, welk zoo goed lasten en bevelen kan,
de monniken op staanden voet zullen opgeknoopt worden, en gij daarbij,
als gij niet dadelijk opkraamt!
En met een schop onder de broek, smeet hij hem buiten de kamer.
--Drinken! riep hij. Hebt gij de verwatenheid van dien Marinus
gezien? Ik ben woedend! Dat men de monniken dadelijk opknoope in
hunne schuur, en dat men dien Vlaming voor mij brenge, nadat hij hun
halsrecht bijgewoond heeft. We zullen eens zien of hij mij zal durven
zeggen, dat ik slecht deed. Alle duivels! waarom zijn hier nog potten
en glazen van doen?
En met groot gerucht sloeg hij de bekers en het vaatwerk kapot, en
niemand durfde hem aanspreken. De knechten wilden de stukken oprapen,
maar hij liet het niet toe; onmatig ledigde hij de eene flesch na de
andere, en hij werd nog woedender, want hij liep met groote stappen
de kamer op en neer, razend de scherven onder de voeten vertrappend.
Uilenspiegel werd vóór hem gebracht.
--Hewel, zeide hij hem, brengt gij mij miede van uwe vrienden,
de monniken?
--Zij zijn gehangen, sprak Uilenspiegel, en een lafhertige beul,
door baatzucht gedreven, heeft een hunner, na zijnen dood,
den buik en de zijden geopend, om aan een apotheker het vet te
verkoopen. Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
Lumey, voort de scherven vertrappend, bulderde:
--Gij trotseert mij, armzalige nietdeug, maar gij ook zult gehangen
worden, niet in eene schuur, maar schandelijk op de Markt, in het
aanschijn van elkeen.
--Schande over u, sprak Uilenspiegel, schande over ons: soldatenwoord
is geen gulden woord meer!
--Wilt gij zwijgen, ijzeren kop! riep messire Lumey.
--Schande over u, sprak Uilenspiegel, soldatenwoord is geen guldenwoord
meer! Straf liever de nietdeugen, verkoopers van menschenvet!
Messire Lumey vloog naar hem toe en hief de hand op om hem te slaan.
--Sla, sprak Uilenspiegel, ik ben uw gevangene, maar ik heb geen
schrik van u: Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
Toen trok messire Lumey zijn degen en zeker had hij Uilenspiegel
gedood, zoo Treslong zijn arm niet weerhouden had, zeggende:
--Medelijden! hij is moedig en dapper, en heeft geenerlei misdaad
bedreven.
Lumey veranderde toen van gedachte en sprak:
--Dat hij vergiffenis vrage!
Maar Uilenspiegel bleef rechtstaan en sprak:
--Ik zal het niet doen.
--Dat hij ten minste zegge, dat ik geen ongelijk had, riep Lumey nog
blakend van woede.
Uilenspiegel antwoordde:
--Ik lik de hielen der heeren niet: soldatenwoord is geen gulden
woord meer!
--Dat men de galge oprichte, sprak Lumey, en dat men hem wegbrenge,
dat zal woord van kemp voor hem wezen.
--Ja, antwoordde Uilenspiegel, en voor het vergaderde volk zal ik u
toeroepen: Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
De galge werd opgericht op de Groote Markt. De mare liep weldra door
de stad, dat men Uilenspiegel ging hangen, den dapperen Geus. En het
gemeen was tot weenens toe bewogen. En in groote menigte snelde het
naar de Groote Markt; messire Lumey, te peerd, kwam er ook, daar hij
zelf het teeken van de terechtstelling wilde geven.
Wrokkig keek hij naar Uilenspiegel op de ladder, gekleed voor den
dood, in zijn hemd, de armen op zijn lichaam gebonden, de handen
samengevouwen, het strop om den hals, met den hangman naast zich,
welke gereed was om de straf te volbrengen.
Treslong zeide tot Lumey:
--Heer, schenk hem genade; hij is geen verrader, en nimmer zag men
een man hangen omdat hij openhertig en meewarig was.
Toen de mannen en vrouwlieden uit 't volk de woorden van Treslong
hoorden, riepen zij:
--Genade heer, genade, heb medelijden met Uilenspiegel.
--Die ijzeren kop heeft mij getrotseerd, sprak Lumey: dat hij berouw
hebbe en zegge, dat ik wel gedaan heb.
--Wilt gij berouw hebben en zeggen, dat hij wel gedaan heeft? vroeg
Treslong tot Uilenspiegel.
--Soldatenwoord is geen gulden woord meer, zeide Uilenspiegel.
--Steek het strop over zijnen hals, beval Lumey.
De hangman wilde gehoorzamen, doch een meideken, heel in 't wit
gekleed, met een kroontje op 't hoofd, beklom als waanzinnig de
trappen van het schavot, vloog Uilenspiegel om den hals en zeide:
--Die man is de mijne, ik neem hem tot echtgenoot!
En het volk juichte toe, en de vrouwlieden riepen:
--Leve, leve het meideken, dat Uilenspiegel redt van den dood!
--Wat beteekent die zotternij? vroeg messire Lumey.
Treslong antwoordde:
--Volgens de costumen en gebruiken van de stede, is het recht en wet,
dat een jonge dochter, maagd of ongehuwd, een man van de koord redt,
als zij hem aan den voet van de galge tot echtgenoot neemt.
--God is met hem, zeide Lumey; maak hem los!
Hij reed tot omtrent het schavot en zag het meideken druk bezig met
Uilenspiegel's koorden door te snijden, terwijl de beul het heur
wilde beletten, zeggende:
--Als gij ze doorsnijdt, wie zal ze betalen?
Maar het meideken luisterde niet.
Als hij heur zoo vlug en ijverig en liefdevol bezig zag, was hij
verteederd.
--Wie zijt gij? vroeg hij.
--Ik ben Nele, zijne bruid, zeide zij, en kom uit Vlaanderen om hem
te halen.
--Gij kwaamt in tijds, zeide Lumey op barschen toon.
En hij toog henen.
Treslong naderde toen en sprak:
--Brave Vlaming, wilt gij op onze schepen nog dienen, als gij
getrouwd zijt?
--Ja, messire, antwoordde Uilenspiegel.
--En gij, meideken, wat zult gij doen zonder uwen man?
Nele antwoordde:
--Als gij wel wilt, messire, zal ik bij hem blijven op zijn schip en
op de pijp spelen.
--Zeker, wil ik, antwoordde Treslong.
En hij gaf heur twee gulden voor de bruiloft.
En Lamme, die weende en lachte van blijdschap, zei:
--Hier zijn nog drie gulden: wij zullen lekker gastreeren; ik
trakteer. Komt, we gaan naar den Gouden Kam. Hij is niet dood, mijn
vriend! Vive le Geus!
En het volk juichte toe, en zij trokken naar den Gouden Kam, alwaar
een groot feestmaal besteld werd, en Lamme smeet, door het venster,
oortjes te grabbel naar 't volk.
En Uilenspiegel zeide tot Nele:
--Liefste, nu zijt ge bij mij. Hoezee! zij is hier, in levenden
lijve, met hart en met ziel, mijn zoete vriendin. Ho! die zachte
oogen en die schoone roode lippen, over dewelke nooit anders dan
goede woorden kwamen! Zij redde mij 't leven, de welbeminde! Op onze
schepen zult gij de pijp der verlossing bespelen. Herinnert gij u nog
... doch neen.... Voor ons is thans blijdschap en vreugde, voor mij
uw gezichtje, dat zoet is als de bloemen in de Zomermaand. Ik ben in
het hemelrijk! Maar, zeide hij, gij weent....
--Zij hebben heur gedood, zeide zij.
En zij vertelde hem de rouwvolle mare.
En zij staarden elkander aan, en weenden van minne en van smerte.
En op het festijn aten en dronken zij, en Lamme keek hen jammerlijk
aan.
--Laas, zuchtte hij, waar zijt gij, mijne vrouw?
En de priester kwam en trouwde Nele en Uilenspiegel.
En de morgenzon vond hen bij elkander in 't huwelijksbed.
En Nele rustte met heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel. En
als zij ontwaakte in de zonne, zeide hij:
--Frisch gezichtje en zoet hertje, wij zullen de wrekers van Vlaanderen
wezen!
Zij kuste hem op den mond en zeide:
--Dolle kop en sterke arm, God zegene de pijp en het zweerd!
--Ik zal u een soldatendos maken.
--Dadelijk? vroeg zij.
--Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel; maar wie dan zegt, dat aardbeziën
lekker zijn, 's morgens? Uw mond is veel zoeter!