Omtrent dien tijd ging een meideken van vijftien jaar alleen in vollen
dag van Heist naar Knokke, langs het duin. Niemand koesterde de minste
vrees voor heur, want men wist, dat weerwolven en verdoemde zielen
alleen uitgaan en bijten des nachts. Zij droeg, in eene tassche,
acht en veertig zilveren stuivers, wat vier karolusgulden uitmaakt,
die heure moeder Tonia Pietersen, woonachtig te Heist, schuldig was,
wegens eene verkooping, aan heuren oom Jan Rapen, woonachtig te
Knokke. Het meideken, Betkin genaamd, had heure beste kleederen aan,
en was blij te moede vertrokken.
's Avonds was Betkin nog niet thuis en heure moeder werd ongerust;
doch daar zij ten slotte onderstelde, dat ze bij heuren oom was
gebleven, bedaarde zij.
Visschers die, met een goede vangst van de zee kwamen, trokken 's
anderen daags hunne boot op het strand, en losten hunne visch in
karren om ze aan de meestbiedenden te doen verkoopen te Heist, in de
mijn. Zij klommen den weg in het schelpzand op, en vonden, in het duin,
een naakt meideken liggen, dat gansch uitgeschud was, tot zelfs van
heur hemde ontdaan, en rondom heur lag bloed. Nader gekomen, zagen zij,
in heuren armen gebroken nek, het merk van lange, scherpe tanden. Het
slachtoffer lag op den rug, met de oogen wijd open naar den hemel,
met den mond insgelijks open, alsof het nog om hulp wou roepen.
Zij bedekten het lichaam van het meideken met een opperste kleed en
droegen het naar Heist, naar het Schepenhuis. Weldra kwamen aldaar
de schepenen en de chirurgijn-baardemaker bijeen, dewelke laatste
verklaarde, dat die lange tanden geenszins wolfstanden waren, zooals
de Natuur die gemaakt heeft, maar wèl die van een boozen, helschen
weerwolf, en dat men God diende te bidden om Vlaanderenland van dat
gedrocht te verlossen.
En, heel het graafschap door, en vooral te Damme, Heist en Knokke,
werden openbare gebeden bevolen.
En men zag het volk jammerend de kerken afloopen.
En in de kerk van Heist, in dewelke het lijk van het meideken ten
toon gesteld was, schreiden mannen en vrouwen, als zij den bloedigen,
verscheurden nek van het slachtoffer zagen.
En de moeder zei in de kerk zelve:
--Ik wil naar den weerwolf gaan en hem vaneenscheuren met mijne tanden.
En weenend hitsten de vrouwen heur in heur voornemen op. Sommigen
zeiden nochtans:
--Gij zoudt niet levend terugkomen.
En zij ging met heuren man en heure beide broeders--alle vier goed
gewapend--den wolf zoeken langs strand, duin en dal, maar zij vonden
hem niet. En heur man moest heur terugbrengen naar huis, want door
de nachtelijke koude had zij de koorts gekregen; en zij waakten bij
heur bed terwijl zij hunne netten herstelden.
Overwegende, dat de weerwolf een beest is dat leeft van bloed, doch
geenszins de dooden besteelt, meende de baljuw van Damme, dat het
ondier zekerlijk moest gevolgd zijn door diepers, die, voor hun snood
gewin, rondzwierven langs het strand. Dienvolgens liet hij uitbellen,
dat hij een iegelijk gelastte en beval, goed gewapend met bussen,
stokken en anderszins, op zoek te gaan, en alle schooiers en diepers
te vatten en af te tasten, om te zien of in hunne gordeltasschen
geen gouden karolussen staken of geenerlei stuk van de kleeding van
de slachtofferen. En nadien zouden de gezonde en sterke schooiers
en diepers op de galeien des konings worden gebracht. En de oude en
gebrekkelijke zou men laten gaan.
Doch men vond niets, dat licht in de zaak bracht.
Uilenspiegel ging tot den baljuw en sprak:
--Ik wil den weerwolf dooden.
--Wat geeft u vertrouwen? vroeg de baljuw.
--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel. Geef mij de
toelating in de gemeentesmidse te werken.
--Gij moogt, sprak de baljuw.
Zonder tot een man of eene vrouw van Damme een woord over zijn ontwerp
te spreken, trok Uilenspiegel naar de smidse en verveerdigde daar,
in 't geheim, eene schoone en groote val om wilde dieren te vangen.
Den volgenden dag, een Zaterdag, de geliefkoosde dag van de weerwolven,
toog Uilenspiegel henen met eenen brief van den baljuw voor den
parochiepaap van Heist, en met de val onder zijnen mantel; overigens
was hij gewapend met een goede bus en een scherp, versch aangezet
kruismes; in 't heengaan zei hij tot die van Damme:
--Ik ga op jacht naar de meeuwen en zal met haar dons oorkussens
maken voor mevrouw van den baljuw.
Naar Heist stappend, langs het duin, hoorde hij de woedende baren
der zee, die schuimend kwamen botsen op de kust, met een gedruisch
als van den donder, en den wind, die uit Engeland woei en die huilde
in het want van de gestrande schuiten.
Een schipper zei tot hem:
--Die kwade wind doet ons nadeel. Verleden nacht was de zee kalm,
doch na zonsopgang rees zij eensklaps woedend omhoog. Wij zullen niet
kunnen in zee steken.
Uilenspiegel was er blijde om, want aldus was hij zeker des nachts
hulp te krijgen, als zulks noodig mocht zijn.
Te Heist ging hij naar den pastoor, denwelken hij den brief van den
baljuw bestelde.
De parochiepaap zeide tot hem:
--Gij zijt een moedige kerel; edoch ik moet u zeggen, dat niemand
's Zaterdagavonds langs het duin gaat, zonder gebeten, en dood in
het zand gevonden te worden. De dijkwerkers en andere arbeidslieden
wachten steeds op elkaar en begeven zich maar bij troepen op weg. De
avond valt. Hoort gij in het duin den weerwolf huilen? Zal men weeral,
lijk gisteren, heel den nacht door, zijn schor gehuil hooren weergalmen
op den akker der dooden? God zij met u, mijn zoon, maar doe het niet.
En de paap maakte het teeken des kruises, en zegende hem.
--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
De pastoor sprak:
--Mits gij zoo'n kloekmoedige wilskracht hebt, zal ik u helpen.
--Heer pastoor, sprak Uilenspiegel, gij zoudt mij en het arme
geteisterde land grootelijks van dienst zijn, zoo gij bij Tonia, de
moeder van het slachtoffer, en ook bij heure twee broeders wildet
gaan, en hun zeggen, dat de wolf in de nabijheid is en dat ik hem
wil afwachten om hem te dooden.
De parochiepaap sprak:
--Als gij niet weet welken weg gij moet nemen, begeef u op dien, welke
leidt naar het kerkhof. Hij loopt tusschen twee groene hagen. Twee
mannen zouden er naast elkander niet kunnen gaan.
--Daar zal ik zijn, antwoordde Uilenspiegel. En gij, messire dappere
pastoor, gelast en beveel aan de moeder van het meideken, aan heuren
man en aan heure broeders zich, vóór de slaapklok, goed gewapend
in de kerk te bevinden. Als zij mij hooren fluiten lijk de meeuw,
is dit het teeken, dat ik den weerwolf gezien heb. Dan moeten zij
de wacharmklok luiden en mij ter hulp snellen. Hebt gij ook eenige
andere wakkere mannen?
--Neen, mijn zoon, antwoordde de pastoor. De visschers vreezen den
weerwolf meer dan pest en dan dood. Maar doe het niet....
Uilenspiegel antwoordde:
--De assche van Klaas klopt op mijn hert.
Toen zei de paap:
--Ik zal doen wat gij vraagt, wees gezegend. Hebt gij soms honger
of dorst?
--Beide, antwoordde Uilenspiegel.
De pastoor gaf hem bier, brood en kaas.
Uilenspiegel at en dronk; en hij toog henen.
Onderwege hief hij de oogen op; hij zag Klaas, zijn vader, in
glorie naast God in den hemel, in denwelken de heldere maan glom,
en vervolgens zag hij naar de zee en de wolken, en hoorde hij den
loeienden wind, die uit Engeland blies.
--Laas! sprak hij, zwarte wolken, die voorbijrennen in het nachtelijk
duister, weest als de Wrake die den Moord achternazet. Loeiende zee,
pikdonkere hemel; bruisend water, dat driftig, grammoedig rolt of
woest omhoog slaat, of in branding schuimend en spattend breekt op
het strand; zwarte zee, in rouw gehulde hemel, komt mij ter hulp in
mijnen strijd tegen den weerwolf, den vuigen moordenaar van onschuldige
meidekens. En gij, wind, die klagend huilt in de bremstruiken van
het duin en in het want van de schepen, gij zijt de stem van de
slachtofferen, die roepen om wrake bij den Heer, dewelke mij helpe
in mijne onderneming!
En waggelend op zijne beenen, alsof zijn hoofd honderd pond woog en
zijne maag overlast was, daalde hij neer van het duin.
Wankelend stapte hij voort met een slepend lied op de lippen, dat
hij elk oogenblik onderbrak om te hikken, te geeuwen, te spuwen. Van
tijd tot tijd bleef hij staan en gebaarde hij over te geven, doch
in werkelijkheid opende hij goed de oogen, om rondom zich alles
oplettend gade te slaan. Eensklaps hoorde hij een schor geluid; hij
bleef staan om te spugen als een hond, en, bij het licht der rijzende
maan, onderscheidde hij de gedaante van eenen wolf, die sloop naar
het kerkhof.
Waggelend sloeg Uilenspiegel het pad in, tusschen de groene hagen. Daar
gebaarde hij neder te vallen, doch 't was om de val te plaatsen langs
den kant, van denwelken de wolf kwam: hij wapende vervolgens zijne
bus en ging tien stappen verder staan in de houding eens dronkaards,
en gedurig veinsde hij te waggelen, te hikken, te braken, doch
werkelijk spande hij zijnen geest als een boog, opende de oogen en
spitste de ooren.
En niets zag hij dan de zwarte wolken, die als waanzinnig renden
door 't luchtruim, en een dikke korte en zwarte gedaante, die op hem
afkwam; en niets hoorde hij dan de wind, die kreunend huilde, de zee,
die als de donder rolde, en den weg van schelpzand, die kraakte onder
een zwaren, huppelenden stap.
Uilenspiegel veinsde zich te willen nederzetten en liet zich, als
een dronkaard, zwaar op den weg vallen. En hij braakte.
Daar hoorde hij ijzerwerk knarsen, op een paar stappen van zich,
dadelijk daarna het gerucht van de val, die toesloeg, en den gil van
een mensch.
--De weerwolf, sprak hij bij zich zelven, is met de voorpooten gevangen
in de val. Huilend richt hij zich op; hij schudt de val heen en weer
om te ontvluchten. Maar ontsnappen zal hij niet. En hij schoot zijne
bus af naar zijne beenen.
--Getroffen, sprak hij, want gekwetst valt hij neder!
En hij floot als de zeemeeuw.
Plotseling begon de klok van de kerk wacharm te luiden, en riep de
schelle stem van een knaapje in 't dorp:
--Wordt wakker, gij allen, die slaapt; de weerwolf is gevangen!
--Hoezee! God zij gedankt! sprak Uilenspiegel.
Tonia, de moeder van Betkin, Lansaem, heur man, Judocus en Michiel,
heure broeders, kwamen het eerst met hunne lanteernen.
--Hebt gij hem vast? vroegen zij.
--Ziet maar, daar ligt hij op den weg, antwoordde Uilenspiegel.
--God zij gedankt! spraken zij.
En zij maakten het teeken des kruises.
--Wie is daar aan 't luiden? vroeg Uilenspiegel.
Lansaem antwoordde:
--Mijn oudste zoon; de jongste loopt het dorp rond, om de menschen
op te kloppen en te roepen, dat de wolf gevangen is. Heil U!
--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
Plotseling begon de weerwolf te spreken en zeide hij:
--Heb medelijden met mij, Uilenspiegel, heb medelijden.
--De wolf spreekt, zeiden allen een kruis slaande. Hij is de duivel,
want reeds kent hij Uilenspiegel's naam.
--Heb medelijden, medelijden, smeekte de stem, zeg aan die klok van
te zwijgen; zij klept als de doodklok; medelijden, ik ben de wolf
niet. Mijne polsen zijn doorgesneden in de val; ik ben oud en ik
bloed, medelijden! Welk schelle kinderstem hoor ik daar het dorp
wakker maken? Medelijden!
--Ik herken uwe stem, ik heb ze vroeger gehoord, sprak Uilenspiegel
onstuimig. Gij zijt de vischverkooper, de moordenaar van Klaas, de
bloedzuiger der arme meidekens. Mannen en vrouwlieden, weest zonder
vrees; 't is de deken, die Soetkin deed sterven van smerte.
En met eene hand hield hij hem bij den nek, onder de kin, terwijl
hij met de andere zijn kruismes trok.
Maar Tonia, de moeder van Betkin, hield hem tegen en riep:
--Neem hem levend gevangen.
En met klissen trok zij zijn grijze haren uit, terwijl zij zijn
aangezicht met heure nagelen doorwoelde.
En zij huilde van droefheid en woede.
Met de handen gevat in de val, en kronkelend ter oorzake van de hevige
smert, riep de weerwolf:
--Hebt medelijden, hebt toch medelijden; o, die vrouw, doet ze
weggaan. Ik zal twee gouden karolussen geven. Breekt die klokken! Waar
zijn die tierende kinderen?
--Houdt hem levend! schreeuwde Tonia, houdt hem levend, hij moet het
betalen. De doodklokken kleppen voor u, moordenaar. Met zacht vuur,
met gloeiende tangen! Houdt hem levend! dat hij betale!
Intusschen stiet Tonia tegen een voorwerp, dat op den grond lag;
zij bukte zich en raapte een wafelijzer op. Toen zij het bekeek
bij den gloed van de toortsen, zag zij, naar de Brabantsche wijs,
diepe ruitjes in de ijzeren platen, maar daarenboven was het bezet met
lange en scherpe tanden, als een ijzeren muil. En als zij het toedeed,
was het als de muil van een wolfshond.
Tonia hield toen het wafelijzer vast, opende het en sloot het
beurtelings, en deed daarbij het ijzerwerk knarsen. En ze scheen
waanzinnig en, razend en knarsetandend, reutelend als eene zieltogende,
zuchtend van de bittere smert, die dorstte naar weerwraak, beet zij
met het ijzer den gevangene in zijne armen, in zijne beenen, in zijn
lijf, overal, doch vooral in den nek; en telkens dat zij het ijzer
toedrukte, sprak zij:
--Zoo deed hij met Betkin, met de ijzeren tanden. Hij betale. Bloedt
gij, moordenaar? God is rechtveerdig. Hoor maar de doodklok. Betkin
roept om gewroken te worden. Voelt gij de tanden? 't Zijn de tanden
van God!
En zij beet zonder ophouden of medelijden, en sloeg met het wafelijzer,
als zij er hem niet mee kon bijten. Maar gedreven door heur groote
begeerte naar wraak, doodde zij hem niet.
--Genade, schreeuwde de vischverkooper, Uilenspiegel, steek mij dood
met uw kruismes, stel aan mijn lijden een einde. Smijt die vrouw
weg. Breek de klokken. Dood de kinderen, die schreeuwen!
En Tonia folterde hem zonder ophouden, totdat een oud man medelijden
kreeg en heur het wafelijzer ontnam.
Maar toen spugde Tonia den weerwolf in het gezicht en trok ze zijne
haren uit, zeggende:
--Gij zult betalen, met zacht vuur, met gloeiende tangen: uwe oogen
zal ik met mijne nagelen uitrukken!
Intusschen waren al de visschers, boeren en vrouwlieden van Heist
bijgekomen, als zij vernomen hadden, dat de weerwolf geen duivel,
maar een man was.
Eenigen droegen lanteernen en toortsen. En allen riepen:
--Dief en moordenaar, waar hebt gij het goud weggestoken, dat gij
den armen slachtofferen ontroofdet? Hij moet alles teruggeven!
--Ik heb geen goud; hebt medelijden! smeekte de vischverkooper.
En de vrouwlieden smeten zand en steenen naar hem.
--Hij betale! hij betale! schreeuwde Tonia.
--Medelijden, zuchtte hij, ik ben druipend van het bloed, dat gutst
uit mijn wonden.
--Uw bloed, sprak Tonia. O, gij moet er houden voor de hand van den
beul. Hij moet sterven met zacht vuur, zijne hand afgekapt worden,
met gloeiende tangen genepen! Hij zal betalen, hij zal betalen.
En zij wilde hem slaan; doch zij viel buiten kennis op het zand als
eene doode; en men liet heur daar liggen totdat zij terug tot zich
zelve kwam.
Intusschen had Uilenspiegel de handen van den gevangene uit de val
verlost, en toen zag hij, dat drie vingeren ontbraken aan zijne
rechterhand.
En hij beval hem stevig te knevelen en in eene vischmand te
binden. Mannen, vrouwlieden en kinderen togen toen henen naar Damme,
en droegen onderwege beurtelings de benne met haar verachtelijke
vracht. En anderen droegen lanteernen en toortsen.
En de vischverkooper zei gedurig:
--Breekt de klokken, doodt de kinderen, die schreeuwen.
En Tonia sprak:
--Hij betale, met zacht vuurken, met gloeiende tangen, hij betale!
En dan weer zwegen beiden. En Uilenspiegel hoorde niets meer dan den
jagenden adem van Tonia, den zwaren stap van de mannen op het krakende
zand en de zee, die rolde als de donder.
En, met treurig hert, zag hij naar de wolken, die, als waanzinnigen,
elkander achternazetten in den hemel; naar de zee, waar de branding
zich als lichtende schaapkens vertoonde, en, bij den gloed van
lanteernen en toortsen, naar het doodsbleeke gelaat van den
vischverkooper, dewelke hem bezag met valschheid en wraaklust.
En de assche klopte op zijn hert.
En in vier uren gingen zij naar Damme, alwaar het gemeen reeds te
hoop geloopen was, daar het de tijding reeds kende. Allen wilden
den vischverkooper zien en volgden de visschers al dansend, zingend
en roepend:
--De weerwolf is gevangen; hij is gepakt, de moordenaar! Gezegend
zij Uilenspiegel! Lang leve onze broeder Uilenspiegel!
En er was veel beweging onder het gemeeen.
Toen zij aan 't huis van den baljuw waren, kwam deze vóór op het
gerucht en zei tot Uilenspiegel:
--Gij zijt overwinnaar! Heil u!
--De assche van Klaas klopte op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
Toen sprak de baljuw:
--Gij krijgt de helft van de nalatenschap des moordenaars.
--Geef dat aan de slachtofferen, antwoordde Uilenspiegel.
Lamme en Nele kwamen nader; lachend en weenend van geluk, kuste Nele
heuren vriend Uilenspiegel; Lamme sprong log als een beer omhoog en
klopte op den buik van zijn vriend, zeggende:
--Dat is een brave, koene en trouwe gezel; 't is mijn vriend,
mijn spitsbroeder: zulke vrienden hebt gij niet, gijlieden van
't platteland.
Maar de visschers lachten en spotten met hem.