Dien dag had koning Philippus te veel lekkernijen gegeten en was
hij naargeestiger dan gewoonte. Hij had op zijn levende klavecimbel
gespeeld, eene kist waar katten in waren, dewelke heuren kop door
ronde gaten staken, boven de toetsen. Telkens dat de koning op eene
toets sloeg, sloeg deze op hare beurt de kat met eenen schicht; en het
dier mauwde erbarmelijk, ter oorzake van de smert, die het uitstond.
Doch Phillippus lachte niet.
Gedurig zocht hij in zijnen geest hoe hij Elisabeth, de groote
koningin, zou kunnen overwinnen om Maria Stuart terug op den troon
van Engeland te plaatsen. Met dat doel had hij eenen brief geschreven
aan den Paus, dewelke diep in schulden stak; de Paus had geantwoord
dat hij, voor die onderneming, geerne de heilige vaten der tempels
en de schatten van het Vatikaan zou verkocht hebben.
Maar Philippus lachte niet.
Ridolfi, de lieveling van koningin Maria, die heur wilde verlossen
in de heimelijke hoop naderhand met heur te trouwen en koning van
Engeland te worden, kwam bij Philippus om met hem Elisabeth's dood
te beramen. Maar hij had zulke lange tong, lijk de koning naderhand
schreef, dat men ter Beurze van Antwerpen openlijk van zijn voornemen
gesproken had; en de moord werd niet bedreven.
En Philippus lachte niet.
Later zond de bloedige hertog, op bevel van den koning, vier
moordenaars naar Engeland. Zij slaagden er slechts in, zich te
doen hangen.
En Philippus lachte niet.
En aldus verijdelde God de heerschzuchtige plannen van dien
bloedzuiger, wiens voornemen was Maria Stuart heuren zoon te ontnemen
en in zijne plaats, samen met den Paus, over Engeland te regeeren. En
de moordenaar was verbitterd, omdat dit edele land zoo groot en zoo
machtig was. Gedurig wendde hij zijn bleeke oogen naar hetzelve,
en zocht hij het middel om het te verpletten, om vervolgens over de
wereld te regeeren, de hervormden uit te roeien, en liefst nog de
rijke, en have en goed te erven van de slachtofferen.
Maar hij lachte niet.
En men bracht hem ratten en muizen in een ijzeren doos met hooge
randen, open van boven; en hij stelde de doos met den bodem op een
gloeiende stoof en hij schepte er vermaak in, de arme diertjes te
zien en te hooren springen, schreeuwen, zuchten en sterven....
Maar hij lachte niet.
Vervolgens ging hij, met bleek gezicht en bevende handen, in de
armen van mevrouw van Eboli, zijn vuur van geilheid blusschen, dat
aangestoken was met de toorts van de wreedheid.
En hij lachte niet.
En mevrouw van Eboli ontving hem, uit vrees en geenszins uit liefde.