XXXVII.

Het was in den tijd der rijpe druiven, de vierde dag van de Wijnmaand,

als wanneer men te Brussel, na de hoogmis, van op Sint-Nicolaastoren,

zakken okkernoten te grabbel smijt.

Des nachts werd Nele gewekt door kreten, die kwamen van de straat. Zij

zocht Katelijne in de kamer, maar vond ze niet. Zij liep naar beneden

en opende de deur, en Katelijne kwam haastiglijk binnen en sprak:

--Red mij! red mij! De wolf! de wolf!

En Nele hoorde, van verre in het veld, een akelig, schor

gehuil. Sidderend stak zij al de lampen en keersen aan, die zij vond.

--Wat is er gebeurd, Katelijne? vroeg zij, heur in de armen drukkend.

Katelijne zette zich neer op eenen stoel, en, met verwilderde oogen,

zeide zij, terwijl zij de keersen aanstaarde:

--Dat is de zonne, die de booze geesten verdrijft. De wolf, de wolf

huilt in de verte.

--Maar, zeide Nele, waarom zijt gij uit uw bed gekomen, waar gij warm

laagt, om koorts op te doen in de vochtige najaarsnachten?

En Katelijne sprak:

--Hansken schreeuwde daar even als de nachtuil; en ik heb de deur

opengedaan. En hij zei tot mij: "Drink den tooverdrank"; en ik

dronk. Hansken is schoon. Doe het vuur weg. Toen bracht hij mij dicht

bij de vaart en zeide hij mij: "Katelijne, ik zal u de zevenhonderd

karolussen teruggeven, gij zult ze geven aan Uilenspiegel, zoon

van Klaas. Hier zijn twee karolussen voor u, koop er een kleed mee,

weldra zult gij er duizend hebben".--"Duizend, sprak ik, mijn beminde,

dan zal ik rijk zijn".--"Gij zult ze hebben, sprak hij. Maar zijn er

in Damme geene vrouwen of meidekens, die nu zoo rijk zijn als gij dan

zult wezen?"--"Ik weet het niet", antwoordde ik. Ik wilde heure namen

niet zeggen, uit vreeze dat hij ze zou beminnen. Toen zeide hij mij:

"Tracht dit te weten te komen en zeg mij heure namen als ik terugkom".

...Het was koud, de mist hing over de weide, droge takjes vielen van

de boomen op den weg. En de maan glom, en er waren lichtjes op het

water van de vaart. Hansken zeide mij: "'t Is nacht van de weerwolven;

dezen nacht mogen alle schuldige zielen uit de helle komen om op de

wereld te wandelen. Gij moet driemaal het teeken des kruises met de

linkerhand maken en roepen: "Zout! zout! zout!" dat het zinnebeeld is

van onsterfelijkheid; en zij zullen u geenerlei leed doen". En ik zei:

"Ik zal doen wat gij wilt, Hansken, mijn geliefde".--Hij omhelsde mij

en sprak: "Gij zijt mijn gade".--"Ja", sprak ik. En bij zijn zoete

woorden viel een hemelsch geluk als een balsem over mijn lichaam. Hij

kroonde mij met rozen en sprak: "Gij zijt schoon". En ik zeide hem:

"Gij ook zijt schoon, Hansken, mijn geliefde, met uw fijne kleederen

van groene panne met gouden belegsels, met uw lange struisveeren, die

wuiven op uw toque en met uw bleek gezicht, dat lijkt op de branding

der zee. En als de meidekens van Damme u zagen, zouden allen achter u

loopen, om u uw herte te vragen; maar gij moogt het slechts geven aan

mij, Hansken".--Hij sprak: "Tracht te weten te komen wie de rijksten

zijn, haar fortuin is voor u". Toen vertrok hij, na mij verboden te

hebben hem te volgen of te vergezelschappen. Bibberend van koude,

nat van den mist, bleef ik staan, terwijl ik de twee karolussen in

mijne hand deed rammelen, toen eensklaps een wolf met groenen muil

en lange lischblaren in zijn wit haar, den oever van de vaart opklom

en naar mij kwam. Ik riep: "Zout! zout! zout!" en maakte driemaal

het teeken des kruises, doch daar scheen hij geenszins schrik voor

te hebben. En ik liep uit al mijne macht, al schreeuwend, terwijl

hij achter mij huilde, en ik hoorde het klapperend geluid zijner

tanden achter mij, en eenmaal dit zóó dicht tegen mijne schouderen,

dat ik dacht dat hij mij vastgrijpen ging. Maar ik liep gauwer dan

hij. Tot mijn groot geluk kwam ik aan den hoek van de Reigerstraat

den nachtwacht met zijne lanteerne tegen. "De wolf! de wolf!" riep

ik. "Wees niet bevreesd, sprak de nachtwacht tot mij, ik zal u naar

huis leiden, uitzinnige Katelijne". En ik voelde dat zijne hand,

die de mijne vasthield, insgelijks beefde. En hij ook was bevreesd.

--Maar reeds heeft hij weer moed gevat, sprak Nele. Hoor, daar zingt

hij met slepende stemme: "De klok slaat tien, tien slaat de klok!" En

hij draait met zijnen ratel.

--Doe het vuur weg, sprak Katelijne; mijn hoofd brandt. Kom terug,

Hansken, mijn liefste!

En Nele keek droevig naar Katelijne; en zij bad Onze-Lieve-Vrouwe,

de Heilige Moeder Gods, dat zij het vuur der uitzinnigheid uit heur

hoofd zou wegnemen; en zij weende over heur.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 151 / 195 题