Te Harelbeke vernieuwde Lamme zijnen voorraad oliekoeken. Hij vond
ze zoo lekker, dat hij er zeven en twintig zelf opat en dertig in
zijnen korf stak.
Uilenspiegel droeg zijne vogelkooien in de hand.
Rond den avond kwamen zij te Kortrijk, alwaar zij afstapten in de
afspanning de Bie, bij Gillis Vanden Ende, die aan zijne deur kwam,
zoodra hij het gezang des leeuweriks hoorde.
Daar leefden zij als vischjes in 't water. Toen de weerd de brieven
des prinsen gezien had, stelde hij Uilenspiegel vijftig karolussen ter
hand voor den Zwijger; bovendien wilde hij niets voor den kalkoen,
dien hij opgediend had, noch voor den dubbelen klauwaard, waarmede
hij hem rijkelijk besproeide. Ook verwittigde hij hem, dat er spionnen
van den Bloedraad in Kortrijk rondliepen, weshalve hij en zijn gezel
goed op hunne tong moesten letten.
--Wij zullen ze wel herkennen, zeiden Lamme en Uilenspiegel.
De zonne neigde ten Westen en vergulde de gevelspitsen der huizen;
de vogelen zongen hun avondgebed; de vrouwen praatten op de zulle
harer deuren; de kinderen stoeiden in het stof en Uilenspiegel en
Lamme dwaalden op goed-valle-'t-uit door straten en stegen.
Eensklaps sprak Lamme:
--Ik heb aan Gillis Vanden Ende gevraagd of hij geene vrouw gezien had,
die op de mijne geleek--ik gaf hem zoo goed als ik kon de beschrijving
van heur bekoorlijk gezicht--en hij zei mij dat, bij Stevenijne, op
den Brugschen steenweg, in den Regenboog, buiten de stad, alle avonden
een groot getal vrouwen bijeenkomen. Ik trek er aanstonds naar toe.
--Ik zal u daar komen vinden, sprak Uilenspiegel. Ik wil de stad
eens afzien; als ik uwe vrouw tegenkom, zal ik ze dadelijk bij u
zenden. Vergeet niet, dat de baas u voor raad heeft gegeven op uwe
tong te passen, zoo gij aan uw leven houdt.
--Wees gerust, sprak Lamme.
Uilenspiegel wandelde op zijn gemak rond de stad; de zonne ging onder
en de avond viel snel.
Uilenspiegel kwam in een eenzame steeg. Daar hoorde hij kunstig op de
vedel spelen; toen hij nadergekomen was, zag hij van verre een witte
gedaante, die hem riep, doch wegvluchtte en steeds op de vedel speelde.
Maar Uilenspiegel liep sneller dan zij; hij haalde heur in, greep ze
vast en wilde heur aanspreken; maar zij legde heure hand, die naar
benzoë rook, op zijnen mond.
--Zijt gij gemeene burger of edelman? vroeg zij.
--Ik ben Uilenspiegel.
--Zijt gij rijk?
--Rijk genoeg om een hemelsch genot te betalen, niet genoeg om mijne
ziel af te koopen.
--Hebt gij geen peerd, dat gij te voet gaat?
--Ik had een ezel, antwoordde Uilenspiegel, maar ik heb hem op stal
gelaten.
--Hoe komt het dat gij alleen, zonder vrienden of dienaren, rondzwerft
in een vreemde stede?
--Omdat mijn vriend zijnerzijds ergens ronddwaalt lijk ik mijnerzijds,
nieuwsgierige schoone.
--Ik ben geenszins nieuwsgierig, antwoordde zij. Is hij rijk,
uw vriend?
--Ja, hij is rijk, doch in vet, sprak Uilenspiegel. Maar hebt gij
haast gedaan met mij te ondervragen?
--Ik heb gedaan, zeide zij, laat mij nu.
--U laten? sprak hij, 't was precies alsof men tot Lamme, als hij
honger heeft, zou zeggen eene pateel ortolanen te laten staan. Van
u wil ik eten.
--Maar gij hebt mij nog niet gezien, zeide zij.
En zij opende eene lanteerne, die plotseling heur aangezicht
verlichtte.
--Hoe schoon! sprak Uilenspiegel. Ho! wat schoone lichtbruine huid, wat
zachte oogen, wat roode mond, wat liefelijk lichaam! Alles zij mijn!
--Alles, sprak zij.
En zij bracht hem bij Stevenijne, op den Brugschen steenweg, in
den Regenboog.
Uilenspiegel zag daar een groot getal meidekens, die aan den arm
schijfjes droegen van een andere kleur dan die van heur bombazijnen
kleed.
De gezellinne van Uilenspiegel had een zilverlakensch schijfje op
een goudlinnen kleed. En al de meidekens bezagen heur met afgunst.
Bij het binnenkomen had zij de bazinne eenen wenk gegeven, maar
Uilenspiegel had het niet bemerkt: zij zetten zich getweeën neder
en dronken.
--Weet gij, sprak zij, dat wie mij eens beminde, voor eeuwig mijn is?
--Schoone, welriekende deerne, sprak Uilenspiegel, het ware mij een
heerlijk festijn eeuwig uwe genuchten te smaken.
Eensklaps zag hij Lamme in eenen hoek zitten, met een tafeltje voor
zich, waarop eene keers, eene hesp en een pot bier stonden; hij had
het zeer druk om zijne hesp en zijn bier te verdedigen tegen twee
meidekens, die met alle geweld met hem wilden eten en drinken.
Toen Lamme zijn vriend Uilenspiegel gewaar werd, kwam hij voor hem
staan en sprong wel drie voet hoog van blijdschap.
--God zij geloofd, sprak hij, omdat Hij mij mijnen vriend Uilenspiegel
teruggeeft! Bazinne, breng ons te drinken!
Uilenspiegel trok zijne tasch uit en sprak:
--Te drinken tot dit op is!
En hij deed zijne karolussen rinkelen.
--Leve God! sprak Lamme, die hem gezwind de tassche uit de hand trok,
ik ben 't die betaal, maar gij niet! Deze tassche is mijn!
Uilenspiegel wilde met geweld zijne tassche terugnemen, doch Lamme
hield ze stevig vast. Terwijl zij met elkander vochten, de een om de
tassche te houden, de andere om ze terug te nemen, sprak Lamme stille
tot Uilenspiegel:
--Luister: serjanten in huis ... ze zijn gevieren ... in een kleine
kamer met drie meidekens.... Twee buiten voor u, voor mij.... Heb
willen weggaan ... ben belet geworden.... De deerne met heur goudlinnen
kleed is eene verklikster ... Stevenijne, ook verklikster!
Terwijl zij met elkander vochten, luisterde Uilenspiegel goed naar
Lamme en riep hij:
--Mijne tasch terug, dieper!
--Gij zult ze niet hebben, sprak Lamme.
En zij vatten elkander bij den nek, bij de schouderen en rolden ten
gronde, terwijl Lamme stille alles zeide tot Uilenspiegel wat deze
diende te weten.
Maar de baas uit de Bie kwam eensklaps binnen met zeven mannen, die
hij niet scheen te kennen. Hij kraaide als de haan en Uilenspiegel
floot als de leeuwerik.
Toen de baas Uilenspiegel en Lamme samen aan 't vechten zag, vroeg
hij tot Stevenijne:
--Wat zijn dat voor twee rabauwen?
Stevenijne antwoordde:
--Truwanten, die men niet slecht zou doen van elkander te scheiden,
in stede van hen hier al dat gedruisch te laten maken, vóór zij naar
't galgeveld trekken.
--Als hij zich vermeet ons te scheiden, sprak Uilenspiegel, hameren
wij met zijnen kop op de vloersteenen.
--Ja, op de vloersteenen, bevestigde Lamme.
--De baas komt ons redden, fluisterde Uilenspiegel tot Lamme.
De baas, die eene of andere geheimenis ried, wierp zich tusschen
de vechters.
Lamme zei hem in der haast deze woorden in 't oor:
--Komt gij ons redden? Hoe dat?
De baas gebaarde dat hij Uilenspiegel duchtig bij de ooren trok,
en fluisterde hem toe:
--Zeven voor u ... sterke mannen, beenhouwers.... Ik ga weg ... te
zeer gekend in de stad.... Als ik weg ben, is 't tijd van te beven
den klinkaard.... Alles aan stukken slaan....
--Goed, zeide Uilenspiegel, die zich oprichtte en den baas eenen
schop gaf.
Maar de baas gaf hem eenen schop terug en eenen slag daarbij. En
Uilenspiegel zei hem:
--Gij slaat dapper, kameraad.
--Ja, ze vallen als hagelsteenen, niet waar, antwoordde de baas, die
meteen vlug de tassche uit Lamme's handen rukte en ze aan Uilenspiegel
teruggaf.
--Daar, rabauw, sprak hij, trakteer mij, nu gij terug in 't bezit
van uw goed zijt.
--Zuip maar op, schandalige dieper, antwoordde Uilenspiegel.
--Hoor eens hoe stout hij is, sprak Stevenijne.
--Zoo stout als gij schoon zijt, lievelinge, antwoordde Uilenspiegel
met een spottenden glimlach.
Nu, Stevenijne was diep in de zestig en had een gezicht als eene
mispel, doch 't was nu geel van toorn en gramschap. In 't midden
stond een neus, die geleek op den bek van een uil. Zij had oogen
lijk die van een vrek, zonder glans van min of van vriendschap. Twee
lange, puntige tanden staken uit haren mageren mond met zijn dunne,
kleurlooze lippen. En een groote roode vlek bemorste hare linkerwang.
De meidekens lachten, spotten met haar en zeiden:
--Lievelinge, lievelinge, geef hem te drinken!--Hij zal u kussen en
streelen.--Hoelang is het geleden, dat gij samen voor de eerste maal
paardet?--Pas op, Uilenspiegel, zij gaat u verscheuren.--Bezie hare
oogen, zij flikkeren, maar 't is van haat en niet van liefde.--Zou men
niet zeggen, dat zij lust heeft tot bijten?--Wees niet bevreesd.--Al
de vrouwen, die oprecht beminnen, doen zooals zij.--Zij wil slechts
uw goed.--Zie eens hoe 't lachen haar in goede luim heeft gebracht!
En, inderdaad, Stevenijne lachte, doch knipoogde intusschen tot
Gilline, de deerne met heur goudlinnen kleed.
De baas dronk, betaalde en vertrok.
De zeven beenhouwers deden teeken van verstandhouding tot de serjanten
en tot Stevenijne.
Een van de zeven maakte een gebaar om te bedieden, dat hij Uilenspiegel
voor een onnoozele hield en dat hij hem leelijk ging beethebben.
En in Uilenspiegel's oor zeide hij, terwijl hij spottend de tong
uitstak naar Stevenijne, die lachte en heure tanden liet zien:
--'t Is van te beven den klinkaard!
Vervolgens, naar de serjanten wijzend, sprak hij luidop:
--Lieve hervormde, wij zijn allen met u, trakteer ons met eten
en drinken.
En Stevenijne lachte van plezier en stak ook heure tong uit naar
Uilenspiegel, toen deze met zijnen rug naar heur was gekeerd.
En Gilline, de deerne met heur goudlinnen kleed, stak insgelijks
heure tong uit naar Uilenspiegel.
En de meidekens zeiden tot elkander:
--Ziet die verklikster, die den Spanjaard aanhangt en die, door
heure schoonheid, meer dan zeven en twintig hervormden naar de wreede
pijnbank en naar den nog wreederen marteldood bracht. Zie, Gilline
is buiten zich zelve van vreugde; zeker denkt ze aan het geld, dat
zij als aanbrengster krijgt,--de eerste honderd karolusgulden op de
nalatenschap der slachtofferen. Maar zij lacht niet, want zij denkt
er aan, dat zij met Stevenijne moet deelen.
En allen, serjanten, beenhouwers en meidekens, staken hunne tong uit
om te spotten met Uilenspiegel.
En Lamme zweette water en bloed; hij was van gramschap zoo rood als
de kam van een haan, doch hij wilde niet spreken.
--Komaan, trakteer ons met eten en drinken, zeiden de beenhouwers en
de serjanten.
--Wel, sprak Uilenspiegel, terwijl hij zijne karolussen opnieuw deed
rinkelen, geef ons te eten en te drinken, beminnelijke Stevenijne,
geef ons te drinken in glazen, die klinken.
Op die rede lachten de meidekens opnieuw en stak Stevenijne heure
scherpe tanden weer uit.
Maar ze ging toch naar de keuken en naar den kelder, en ze kwam
terug met hesp, met worsten, met pannekoeken van zwarte pensen en
met klinkaards: dat zijn glazen met een voet, aldus geheeten omdat
zij klinken lijk de beiaard, als men ze tegeneen stoot.
Uilenspiegel zei toen:
--Dat zij eten, die honger hebben, en drinken, die dorst hebben!
En serjanten, meidekens, beenhouwers, Gilline en Stevenijne klapten
in de handen en trapten met de voeten. Ieder zette zich neer waar
hij plaats vond: Uilenspiegel, Lamme en de zeven beenhouwers aan de
groote eeretafel, de serjanten en de meidekens aan twee kleine tafelen.
En men at en men dronk met een luidruchtig geknauw, tot zelfs de
twee serjanten, die buiten stonden en die door hunne gezellen werden
binnengeroepen om deel te nemen aan het festijn.
En uit hunne gordeltasschen zag men koorden en kettingen steken.
Stevenijne liet hare tanden zien, en grinnikend sprak zij:
--Niemand zal hier uitgaan, vóór ik betaald ben.
En al de deuren ging zij vast doen; en de sleutelen stak zij in
heure tassche.
Gilline stak heur glas omhoog en sprak:
--Laat ons drinken, de vogel is gevangen!
Bij die rede zeiden twee meidekens, Gena en Greta, tot heur:
--Gaat gij dien ook al ter dood brengen, wreedaardige beulin?
--Laat mij gerust, zei Gilline, laat ons drinken!
Maar de twee meidekens wilden niet klinken met heur.
En Gilline nam heure vedel en zong:
Op de vedel zing ik geerne,
Op de vedel nacht en dag.
Ik ben de dartele deerne
Die leef van minnegelag.
Venus mijn heupen maakte,
Vlammend als van een elf;
Wit zijn mijn schouders, de naakte,
Mijn lijf is de godheid zelf.
Laat uit den buidel klinkelen
Kronen met hellen klank.
Laat een goudstroom ruischen en rinkelen
Geel om mijn voeten blank.
Ik ben van Eva's geslachte,
Door Satan, den feilen held.
Geen vreugdbron lokt uw gedachte
Die niet in mijn herte welt.
'k Ben koud en gloeiend samen,
Teeder, wankel, of stil,
Flauw, lauw, heet in 't verzamen,
Willig, man, naar uw wil.
Zie mijn schoonheid veil, mijn blikken,
Mijn oogen, blauw en rood,
Mijn lachjes, tranen en snikken,
En zoo ge 't zoekt, den Dood.
Op de vedel zing ik geerne,
Op de vedel nacht en dag.
Ik ben de dartele deerne
Die leef van minnegelag.
En terwijl Gilline zong, was ze zóó bevallig, zóó betooverend schoon,
dat al de mannen, serjanten, beenhouwers, Lamme en Uilenspiegel,
verteederd, glimlachend, als overwonnen, sprakeloos bleven zitten.
Eensklaps schoot Gilline in een luiden schaterlach en, Uilenspiegel
beziende, sprak ze:
--Zóó is 't dat men vogelen vangt!
En heure tooverkracht was verdwenen....
Uilenspiegel, Lamme en de zeven sterke beenhouwers bezagen malkander.
--Nu, gaat ge mij betalen? sprak Stevenijne, gaat ge mij betalen,
messire Uilenspiegel, die teert en smeert met het geld van de
predikantjes?
Lamme wilde spreken, doch Uilenspiegel deed hem zwijgen en zei tot
Stevenijne:
--Ik ben niet gewoon op voorhand te betalen.
--Dan zal ik mij naderhand doen betalen op uwe nalatenschap, zeide
Stevenijne.
--Hyena's leven van lijken, antwoordde Uilenspiegel.
--Ja, sprak een van de serjanten, die twee diepers hebben 't geld van
de predikanten genomen: meer dan driehonderd karolusgulden. Daar zal
een goede stuiver voor Gilline afmogen.
Deze zong:
Zoek elders zoeter blikken,
Neem alles, mijn lief genoot,
Vreugden, kussen, en snikken,
En, zoo ge 't wilt, den Dood.
En toen riep ze, grijnslachend:
--Laat ons drinken!
De serjanten antwoordden:
--Laat ons drinken!
--Bij God! zei Stevenijne, laat ons drinken! De deuren zijn vast,
de vensteren zijn van stevige ijzeren staven voorzien: de vogelen
zijn gevangen; laat ons drinken!
--Laat ons drinken! zei Uilenspiegel.
--Laat ons drinken! zei Lamme.
--Laat ons drinken! zeiden de zeven beenhouwers.
--Laat ons drinken! zeiden de serjanten.
--Laat ons drinken! zei Gilline, die de snaren heurer vedel
tokkelde. Ik ben schoon, laat ons drinken! Den aartsengel Gabriël
zou ik vangen in de netten van mijn lied!
--Laat ons dan maar drinken, riep Uilenspiegel. Breng wijn op, om het
feest te bekronen, en wèl van den besten! Dat onze dorstige lichamen
van het hoofd tot de voeten doortrokken wezen van het vurige sap van
den wijngaard!
--Laat ons drinken! sprak Gilline, een grondeling, als gij, is den
heekt wel een hap weerd.
Stevenijne bracht bottels wijn op.
De serjanten en de meidekens zaten samen, en dronken en zwolgen. De
zeven beenhouwers, die aan de tafel van Lamme en Uilenspiegel zaten,
smeten van hunne tafel naar die van de meidekens hespen, worsten,
pannekoeken en bottels, die zij vingen in de vlucht, gelijk de karpers
boven het water naar de vliegen snappen. En Stevenijne liet heure
scherpe tanden zien en grijnslachte, en wees naar de pakken keersen
van vijf in het pond, die boven den toog hingen. Het waren de keersen
van de meidekens.
Vervolgens sprak zij tot Uilenspiegel:
--Men gaat naar den brandstapel met eene vetkeers in de hand; wilt
gij er reeds eene hebben?
--Laat ons drinken! zei Uilenspiegel.
--Laat ons drinken! zeiden de zeven.
Gilline sprak:
--Evenals die van eenen zwaan, dien de dood nabij is, flikkeren
Uilenspiegel's oogen lijk perelen.
--Perelen, die wij voor de verkens zullen smijten, sprak Stevenijne
met wrok in het herte.
--Nu, dit ware zoo ongewoon niet: er zijn meer zeugen, die perelen
dragen; laat ons drinken! antwoordde Uilenspiegel.
--Wat zoudt gij zeggen, vervolgde Stevenijne, als men u op de pijnbank
legde en daarna uwe tong met een gloeiend ijzer doorboorde?
--Dat ik dan beter zou kunnen schuifelen: Laat ons drinken! antwoordde
Uilenspiegel opnieuw.
--Ge zoudt zooveel praat niet maken als gij gehangen werdt, sprak
Stevenijne, en uwe lievelinge zou komen zien hoe gij het stelt.
--Ja, sprak Uilenspiegel, maar ik weeg nogal zwaar, en licht kon het
gebeuren, dat ik op uw goddelijk wipneusje bonsde: laat ons drinken!
--Wat zoudt gij zeggen zoo gij gekortoord werd, en op het voorhoofd
en op den schouder met eenen sleutel gebrandmerkt?
--Ik zou zeggen, dat men een verkeerd beest heeft genomen, antwoordde
Uilenspiegel, en dat men, in stee van met de zeug Stevenijne, met
den beer Uilenspiegel bezig is: laat ons drinken!
--Mits gij van al die lieve dingen niet houdt, sprak Stevenijne, zult
gij gebracht worden op de galeien des konings, en daar gevierendeeld
worden.
--Wel, sprak Uilenspiegel, dan zullen mijne vier deelen in de zee
gesmeten worden om den haaien te dienen tot voedsel, en wat zij
overlaten is voor u, mijn hertje: laat ons drinken!
--Eet liever, sprak zij, eet liever deze keersen, zij zullen u dienstig
zijn in de helle, om uw eeuwige verdoemenis te verlichten.
--Ik zie klaar genoeg om uw lichtenden snoet te onderscheiden,
o slecht gebrande zeug, hernam Uilenspiegel.
Eensklaps sloeg hij met den voet van zijn glas op de tafel, daarbij
bootste hij, met de handen, 't gerucht na, dat de tapijtsiers maken
als zij wolle op eene horde uitkloppen, doch hij deed het stilletjes
en zei op de maat:
--'t Is van te beven den klinkaard!
In Vlaanderen was dit het teeken, dat de drinkers kwaad werden. Op
dit teeken werd gemeenlijk alles kort en klein geslagen in de huizen
met roode lanteerne.
Uilenspiegel dronk, tikte met zijn glas op de tafel en sprak:
--'t Is van te beven den klinkaard!
En de zeven deden als hij.
Allen hielden zich stille: Gilline verbleekte, Stevenijne scheen
verrast en onthutst.
De serjanten vroegen tot elkaar:
--Zouden die zeven met hen zijn?
Maar de beenhouwers knipoogden om hen gerust te stellen, terwijl zij
gedurig luider en luider zeiden met Uilenspiegel:
't Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
Stevenijne dronk mee, om zich een hert onder den riem te steken.
Toen sloeg Uilenspiegel met de vuist op de tafel, op de maat van
de tapijtsiers, die wolle kloppen; de zeven deden als hij: glazen,
kruiken, schalen, pinten en bekers begonnen te dansen, stieten tegen
elkander, braken, sprongen van den eenen kant weder recht om van den
anderen weer neder te vallen.
En altijd weerklonk meer en meer dreigend en vervaarlijk, het
krijgszuchtig en eentonig referein:
--'t Is van te beven den klinkaard!
--Laas! zuchtte Stevenijne, zij gaan hier alles aan stukken slaan!
En de schrik deed heure scherpe tanden nog langer uitsteken dan
gewoonte.
En, van woede en grammoedigheid begon het bloed van de zeven en van
Lamme en Uilenspiegel meer en meer te koken.
En, zonder hun eentonig en dreigend gezang te staken, namen al die
van Uilenspiegel's tafel hunne glazen en bekers en braken zij dezelve
op de tafel, op de maat der tapijtsiers. Vervolgens zetten zij zich
te peerd op hunne stoelen en trokken zij hunne kruismessen uit.
En zij maakten zulk een gedruisch met hun lied, dat al de ruiten van
het huis aan 't rinkelen gingen.
Vervolgens stormden zij, als uitzinnige duivelen, op hunne stoelen,
rond de kamer en om de tafelen, terwijl zij aanhoudend riepen:
--'t Is van te beven den klinkaard!
En bevend van schrik stonden de serjanten toen recht en haalden
zij hunne koorden en kettingen uit. Maar de beenhouwers en Lamme en
Uilenspiegel staken hunne kruismessen in de scheeden, grepen hunne
stoelen in de hand, zwaaiden ermede als knuppels, liepen aldus de kamer
rond en sloegen, in't wilde, alles aan stukken en brokken. Alleen de
meidekens werden ontzien, doch huisraad, schapraaien, ruiten en pinten,
glazen en schalen, bottels en flesschen werden aan stukken geslagen,
ook de serjanten kregen ruimschoots hun deel, altijd op de maat van
de tapijtsiers, die wolle kloppen:
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
Intusschen had Uilenspiegel eenen vuistslag gegeven op Stevenijne's
neus en hare sleutels uit heure tassche genomen, en nu wilde hij met
alle geweld haar heure keersen doen eten.
De schoone Gilline krabde, als eene verschrikte kattin, met heure
nagelen aan deuren, ramen, ruiten en vensteren, om ergens een uitweg
te vinden. Vervolgens ging zij, bleek als de dood, in eenen hoek op
heure hurken zitten, met heure vedel vóór zich, alsof deze heur had
moeten beschermen.
De zeven en Lamme zeiden tot de verschrikte meidekens:
--U zullen wij geenerlei leed doen.
En, geholpen door heur, bonden zij, met koorden en kettingen,
de serjanten, die beefden als riet en niet dorsten wederstaan,
daar zij wel voelden, dat de beenhouwers--die de weerd uit de Bie
onder de sterksten gekozen had--hen met hunne kruismessen in stukken
hadden gekapt.
En, naarmate Uilenspiegel met geweld Stevenijne keersen deed eten,
sprak hij:
--Deze is voor de pijne der galge; deze voor de kortooring; nog eene
voor de brandmerking; deze hier voor de tongboring; kom, hier nog twee
dikke vette voor de galeien des konings en voor de vierendeeling;
deze is voor uwe spelonk van spionnen; deze is voor uwe deerne met
heur goudlinnen kleed; en al deze hier voor mijn eigen rekening.
En de meidekens proestten van 't lachen, als ze Stevenijne hoorden
niezen van gramschap en zagen hoe zij bovenmatige pogingen inspande om
de keersen uit te spuwen. Maar te vergeefs, want heur mond was te vol.
Uilenspiegel, Lamme en de zeven anderen hielden niet op met zingen
op maat:
--'t Is van te beven den klinkaard!
Vervolgens scheidde Uilenspiegel uit, en deed hij hun teeken het
referein zachtjes te mompelen. Zulks deden zij, terwijl hij tot de
serjanten en meidekens sprak:
--Als een uwer zich vermeet om hulp te roepen, wordt hij onmiddellijk
gekeeld.
--Gekeeld! bevestigden de beenhouwers,
--Wij zullen zwijgen, maar doe ons geen leed, Uilenspiegel, zeiden
de meidekens.
Doch Gilline, die met uitpuilende oogen, met toegebeten tanden,
op de hurken in heuren hoek zat, kon niet spreken en prangde heure
vedel tegen heure borst.
En de zeven murmelden altijd op maat:
--'t Is van te beven den klinkaard!
Stevenijne wees met den vinger naar de keersen, die in haren mond
staken, om te bedieden dat zij ook zwijgen zou. De serjanten beloofden
zulks insgelijks.
Uilenspiegel vervolgde zijne rede en sprak:
--Gij zijt hier allen in onze macht; 't is donker, de nacht is
gevallen, wij zijn hier dicht bij de Leie, in dewelke men lichtelijk
verdrinkt, vooral als men daartoe door flinke gasten wordt geholpen.
--De poorten van Kortrijk zijn lang reeds gesloten. Als de nachtwacht
het gedruisch gehoord heeft, zal zij zich niet verroeren, want zij
is er te lui voor. Ook meent zij, dat het goede Vlamingen zijn, die
blijde drinken en zingen bij 't gerinkel van bottels en glazen. Houdt
u dus koest en luistert naar de bevelen van uwe meesters.
Toen vroeg hij tot de zeven:
--Gaat gij naar Petegem bij de Geuzen?
--Ja; wij hebben onze toebereidselen gemaakt, zoodra wij hoorden,
dat gij naar de stad kwaamt.
--Van daar gaat gij naar de zee?
--Ja, zeiden zij.
--Kent gij onder die serjanten een of twee, die men zou mogen loslaten,
om ons te dienen?
--Ja, zeiden ze, twee, Nicolaas en Judocus, die nimmer de arme
hervormden hebben vervolgd.
--Wij zijn getrouw! riepen Nicolaas en Judocus.
Toen sprak Uilenspiegel:
--Hier hebt gij twintig karolusgulden, tweemaal meer dan gij hadt
ontvangen als eerloozen prijs uwer aanklacht.
Plotseling riepen de vijf andere:
--Twintig gulden! Voor twintig gulden willen wij ook den prins
dienen. De koning betaalt slecht. Geef ons enkel de helft van die som,
en wij vertellen aan den rechter al wat gij wilt.
De beenhouwers en Lamme herhaalden gezamenlijk, met een dof gemurmel:
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
--Opdat gij uwe tong niet zoudt voorbijklappen, sprak Uilenspiegel,
zullen de zeven u gekneveld en gebonden naar Petegem brengen, bij de
Geuzen. Gij zult tien gulden hebben als gij op zee zult zijn; op die
manier zijn wij zeker, dat de keuken van 't kamp u bijhoudt. Als gij
dient als dappere soldaten, krijgt gij uw deel van de buit. Als gij
beproeft te ontsnappen wordt gij gehangen. Als gij ontsnapt, om de
koorde te ontloopen, valt gij gewis op het mes.
--Wij dienen, die ons betaalt, zeiden zij.
Lamme en de zeven sloegen op de tafels met scherven van potten en
pinten en bekers, en spraken:
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
--Gilline, Stevenijne en drie deernen zult gij insgelijks medenemen,
vervolgde Uilenspiegel. Als een van heur poogt te ontsnappen, naait
gij ze in eenen zak en smijt ze in de Leie.
--Hij heeft mij niet gedood, kreet Gilline, uit heuren hoek springend
en met heure vedel zwaaiend.
En zij zong:
Bloedig was de gedachte
Die nog mijn hart ontstelt.
Ik ben van Eva's geslachte
Door Satan, den fellen held.
Stevenijne en de anderen zetten een gezicht alsof zij in tranen
gingen uitbarsten.
--Vreest niets, mijne liefsten, sprak Uilenspiegel, gij zijt zoo zoet
en zoo zacht, dat men u overal zal minnen, vieren en streelen. Bij
elke bemachtiging, door onze legers gedaan, krijgt gij ook uw deel
van den buit.
--Ik, ik zal niemendal krijgen, ik ben reeds te oud, sprak Stevenijne
krijtend.
--Eén stuiver daags zult gij krijgen, sprak Uilenspiegel, want gij
zult de dienaresse dezer vier schoone deernen wezen. Gij zult heure
rokken, kleeren en hemden wasschen.
--Ik, Heere God? riep zij.
Uilenspiegel antwoordde:
--Lang genoeg hebt gij heure meesteresse gespeeld, lang genoeg
hebt gij rijkelijk geleefd op heur lijf, terwijl gij ze in armoede
en ontbering liet sukkelen. Nu moogt gij schreeuwen en ruchelen,
't is vergeefs. Zooals ik zeg, zal geschieden.
Daarop schoten de vier meidekens in eenen schaterlach; ze begonnen
met Stevenijne te lachen en zeiden, terwijl zij spottend de tong naar
heur uitstaken:
--Elk zijne beurt op de wereld. Wie had dat gedacht van de gierige
Stevenijne? Zij zal voor ons werken als onze dienstmeid. Gezegend
zij onze heer, gezegend zij Uilenspiegel!
Vervolgens zei Uilenspiegel tot de zeven beenhouwers en tot Lamme
Goedzak:
--Ledigt de wijnkelders, neemt al het geld; het zal dienen tot het
onderhoud van Stevenijne en de vier meidekens.
--Zij knarsetandt, de gierige Stevenijne, zeiden de meidekens. Gij
waart hard jegens ons, nu is men het ook jegens U. Gezegend zij onze
heer, gezegend zij Uilenspiegel!
En de drie deernen wendden zich tot Gilline:
--Gij waart heure dochter, heure broodwinster, zeiden zij, met heur
deeldet gij de vruchten van uw eerloos spionbedrijf. Zoudt gij ons
nog durven slaan en beleedigen, met uwe goudlinnen kleeren? Voor
ons koesterdet gij niets dan verachting, omdat wij maar bombazijn
droegen. Als gij zoo schoon gekleed waart, was het alleen met den
prijs van het bloed uwer slachtofferen. Wij zullen heur kleed van
heur lijf rukken, opdat zij onze gelijke zou wezen.
--Dat zal ik niet dulden, sprak Uilenspiegel.
En Gilline vloog hem om den hals en sprak blijde:
--Gezegend zijt gij, die mij spaart van den dood en niet duldt dat
ik leelijk weze!
En de afgunstige meidekens bezagen Uilenspiegel en spraken tot
elkander:
--Hij is zot van haar, evenals de anderen.
Gilline nam heure vedel en zong een liedeken van vurige minne.
De zeven vertrokken naar Petegem, langsheen de Leie, en leidden de
serjanten en de meidekens mede.
Onderweg murmelden zij:
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
Met den dageraad kwamen zij nabij het kamp. Zij zongen als de
leeuwerik en het gekraai van den haan antwoordde hun. De meidekens
en de serjanten werden van dichtbij bewaakt.
Edoch, den derden morgen werd Gilline dood gevonden: in heur hert
stak een groote naald.
Stevenijne werd door de drie meidekens beschuldigd en gebracht voor den
bentkapitein, zijne tiendeniers en serjanten, in verschaar vergaderd.
Daar bekende zij, zonder dat men heur op de pijnbank moest leggen, dat
zij Gilline gedood had uit afgunst op heure schoonheid en uit woede,
omdat de deerne heur zonder mededoogen als eene dienstmeid behandelde.
En Stevenijne werd gehangen en vervolgens begraven in het bosch.
Gilline werd ook begraven, en men las de gebeden der dooden over heur
liefelijk lichaam.
Doch de twee serjanten Judocus en Nikolaas, dien Uilenspiegel de
les had gespeld, waren vóór den kastelein van Kortrijk verschenen,
want het gedruisch, het geweld en de plundering moesten door hem
gestraft worden, daar het huis van Stevenijne in de kasselrij, buiten
den bijvang der stad Kortrijk lag. Nadat zij aan den kastelein het
gebeurde hadden verteld, zeiden zij hem met de innigste overtuiging
en de nederigste oprechtheid:
--De moordenaars van de predikanten zijn geenszins Uilenspiegel
en zijn trouwe vriend Lamme Goedzak, die maar naar den Regenboog
gekomen waren om zich te vermaken. Zij hebben zelfs reispassen van den
hertog en wij hebben die met eigen oogen gezien. De twee schuldigen
zijn twee kooplieden van Gent, een magere en een heel dikke, die naar
Frankrijk getogen zijn, nadat zij alles aan stukken hebben geslagen bij
Stevenijne, dewelke zij medegenomen hebben met heure vier meidekens,
voor hun pleizier. Wij hadden ze wel bij den kraag gepakt, doch daar
waren zeven beenhouwers in het kot, van de sterksten der stad, die
voor de booswichten aantrokken. Zij hebben ons allen gekneveld en ons
maar losgelaten als zij verre in Frankrijk waren. Hier ziet gij nog
het merk van de koorden. De vier andere serjanten zijn achter hunne
hielen, en wachten op versterking, om de hand op hen te leggen.
De kastelein gaf hun elk twee karolussen en een nieuw kleed, als
belooning voor hun trouwe en eerlijke diensten.
Vervolgens schreef hij naar den raad van Vlaanderen, naar de
schepenbank van Kortrijk en naar andere vierscharen om hun kond te
doen, dat de ware moordenaars ontdekt geweest waren.
En hij legde de zaak uiteen van 't begin tot het einde.
Dat deed al die van den Raad van Vlaanderen en van de smalle
vierscharen sidderen en beven.
En de kastelein werd om zijne scherpzinnigheid geloofd en geprezen.
En Uilenspiegel en Lamme gingen ongehinderd op den weg van Petegem
naar Gent, langsheen den oever der Leie; van deze laatste stede zouden
zij zich begeven naar Brugge, alwaar Lamme zijn vrouw hoopte weder
te vinden, en naar Damme, alwaar Uilenspiegel reeds had willen zijn,
om Nele te zien, die treurig leefde bij de uitzinnige Katelijne.