XXVI.

En Uilenspiegel en Lamme, schrijlings op hunne ezels gezeten,

vervolgden hunnen weg.

--Nu, Lamme, luister goed, sprak Uilenspiegel, de Nederlandsche edelen,

naijverig op den prins van Oranje, verrieden de zaak der eedgenooten,

het heilig verbond, het kloekmoedig eedverbond, dat geteekend was

voor het welzijn van den grond onzer vaderen. Egmond en Hoorne waren

ontrouw, doch zij vonden er niet het minste voordeel bij, integendeel;

Brederode is dood; in dezen oorlog blijven ons niets anders over dan

het arme volk van Brabant en Vlaanderen, dat op eerlijke hoofdmannen

wacht om op te rukken; en vervolgens, mijn jongen, de eilanden van

Zeeland en Noord-Holland, waarvan de prins stadhouder is; en verder

nog, op zee, Edzard, graaf van Emden en van Oost-Friesland.

--Laas! sprak Lamme, ik word het wel gewaar: wij dwalen rond tusschen

rad, galg en brandstapel, stervend van honger, stikkend van dorst,

zonder hoop ergens ruste te vinden.

--'t Is maar een begin, antwoordde Uilenspiegel. Ge moet toch bekennen,

dat ons bestaan heel vroolijk is: wij dooden onze vijanden; wij

spotten met hen, hebben onze tasschen vol florijnen en daalders; wij

zijn goed gevoed met vleesch, met brood en met wijn. Wat wilt gij nog

meer, pluimzak? Willen wij onze ezels verkoopen om peerden te koopen?

--Thijl, zeide Lamme, de draf van een peerd is tamelijk hard voor

een man, zoo vollijvig als ik.

--Gij kunt u te peerd zetten lijk de boeren, antwoordde Uilenspiegel,

en niemand zal u uitlachen, mits gij gekleed zijt als een boer en

geen zweerd draagt lijk ik, doch enkel eenen verkensspriet.

--Maar, vroeg Lamme, zijt gij wel zeker, dat onze passen kunnen dienen

in de kleine steden?

--Heb ik geen bewijs van den parochiepaap, sprak Uilenspiegel, met

een groot lakzegel van de kerk, dat er aanhangt met twee perkamenten

steerten; hebben wij ook onze biechtbriefkens niet? De huurlingen en

serjanten des hertogen vermogen niets tegen twee mannen, van zulke

goede papieren voorzien.

Lamme antwoordde niet.

--En de zwarte paternosters die wij verkoopen? vervolgde

Uilenspiegel. Wij beiden zijn ruiters, gij Vlaming, ik Duitscher,

wij reizen op uitdrukkelijk bevel van den hertog, om de ketters

dezer landen tot het heilig katholiek geloove terug te brengen,

door het verkoopen van gewijde voorwerpen. Aldus zullen wij overal

binnendringen, bij de groote heeren en in de rijke abdijen. En daar

zullen wij rijkelijk onthaald worden. En wij zullen hunne geheimen

ontstelen. Verblijd u van te voren, mijn zachtaardige vriend.

--Jongen, sprak Lamme, wat wij doen is werk van spionnen.

--Krachtens recht en oorlogswet, antwoordde Uilenspiegel.

--Als zij de zaak der drie predikanten vernemen, worden wij

geradbraakt, zei Lamme.

Uilenspiegel zong:

Leven steekt op mijn Vaandel uit,

Leven in 't licht der rede.

Lederen is mijn eerste huid,

Stalen is mijn tweede.

Doch Lamme zuchtte:

--Ik, ik heb maar één vel, en het is zeer zacht; bij den minsten

daggeslag zou het seffens open liggen. Wij zouden beter doen ons

aan een of ander nuttig ambacht over te leveren, dan aldus van het

een oord naar 't ander te dolen, om al die groote prinsen te dienen,

die, met de voeten in fluweelen muilen, rustig, aan vergulde tafelen,

ortolanen eten. Voor ons de slagen, de gevaren, het gevecht, de regen,

de hagel, de sneeuwstormen en de magere soep van de zwervers; voor

hen, de heerlijke worsten, de vette kapoenen, de geurige lijsters,

de smakelijke ganzen.

--Het water komt in uwen mond, mijn zachtaardige vriend, sprak

Uilenspiegel.

--Waar zijt gij, nieuwbakken brood, geurige koekebakken, heerlijke

rijstpap? En gij, waar zijt gij, mijn vrouwtje?

Uilenspiegel antwoordde:

--De assche van Klaas klopt op mijn hert en drijft mij ten

strijde. Maar gij, zachtmoedige Lamme, die den dood van uwen vader

noch uwe moeder moet wreken, noch het verdriet van hen die gij bemint,

nog uw huidige armoede, laat mij alleen gaan, daar waar de plicht

mij roept, zoo de vermoeienissen des oorlogs u afschrikken.

--Alleen? sprak Lamme.

En hij hield zijn ezel in, die dezen stilstand ten nutte maakte om

zich deugd te doen aan de distelen, waarmede de weg vol stond, zoo

ver het oog reikte. Uilenspiegel's grauwtje bleef insgelijks staan

en nam deel aan 't ezelsfestijn.

--Alleen? sprak Lamme. Dát zult gij niet doen; mij alleen laten

ware een groote wreedheid. Alreeds mijne vrouw kwijt, en vervolgens

mijn vriend, dat ware te veel. Ik zal nooit meer klagen, ik beloof

het u. En, als het nu toch moet zijn,--en hij hief kloekmoedig het

hoofd op,--zal ik gaan onder den kogelregen, ja! En in 't midden

der zweerden, ja! vlak in 't gezicht van die leelijke huurlingen,

die bloed zuipen lijk wolven. En mocht ik eens doodelijk getroffen

aan uwe voeten neervallen, begraaf mij dan, mijn vriend Uilenspiegel,

en ziet gij later mijne vrouw weer, zeg heur dat ik gestorven ben,

omdat ik niet leven kon zonder door iemand bemind te wezen.... Neen,

dat zou ik niet kunnen, mijn vriend.

En Lamme weende, en Uilenspiegel voelde een krop in de keel.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 140 / 195 题