XXIV.

Afgunst verteerde koning Philippus. In zijn hoogmoed bad hij jammerend

God, dat hij hem de macht zou geven Engeland te overwinnen, Frankrijk

te veroveren, Milaan, Genua en Venetië in te nemen en, meester der

zeeën, heel Europa te gebieden.

Hij dacht aan die zegepraal, maar hij lachte niet.

Gedurig was hij huiverig; de wijn verwarmde hem niet, noch het

vuur van het welriekend hout, dat altijd brandde in de zaal waar

hij verbleef. Daar zat hij te midden van zoovele brieven, dat men

er wel honderd tonnen mede had kunnen vullen; hij dacht aan de

alleen-heerschappij over gansch de aarde, zooals die uitgeoefend

werd door de Roomsche keizers, en aan den naijver en den haat die

hij zijnen zoon don Carlos toedroeg, sedert deze de plaats van den

hertog van Alva in de Nederlanden had willen innemen. En als hij hem

zag, mismaakt, zot en boosaardig, kwam er een nog grootere haat over

hem. Maar niemand sprak hij er over.

Zij, die den koning en zijnen zoon dienden, wisten niet wien zij

't meest moesten vreezen, óf den moordzieken kroonprins, die zijn

dienaren in 't gezicht krabde, òf den gluiperigen koning, die zich

van anderen bediende als hij iemand wilde treffen, en die als eene

hyena leefde van lijken.

De dienaren waren verschrikt als ze den een achter den anderen zagen

sluipen, en zeiden, dat men, in 't Escuriaal, weldra van dooden

zou hooren.

Weldra vernamen zij, dat don Carlos gevangen gezet was, wegens

hoogverraad. En zij wisten dat verdriet hem verteerde; dat hij door

de staven van zijn kerker had willen kruipen om te vluchten, en zich

aldus het aangezicht had gekwetst.

Ook wist men, dat mevrouwe Isabella van Frankrijk, zijne moeder,

gedurig weende.

Maar koning Philippus weende niet.

Ze kregen mare, dat men don Carlos versche vijgen gegeven had, en dat

hij 's anderen daags zoo zacht gestorven was alsof hij ingesluimerd

was.

De dokters zeiden: Zoodra hij de vijgen gegeten had, hield zijn hert

op met kloppen en werden de natuurlijke levensverrichtingen afgebroken;

zijn buik zwol op en zoo gaf hij den geest.

Koning Philippus woonde de uitvaart van don Carlos bij, deed hem

begraven in de kapel zijner koninklijke verblijfplaats en eenen steen

op zijn graf leggen, maar hij weende niet.

En spottend met het vorstelijk grafschrift, dat in dien steen was

gebeiteld, zeiden de dienaren tot elkander:

HIER LIGT BEGRAVEN DEGENE DIE VERSCHE

VIJGEN AT EN STIERF ZONDER ZIEK TE ZIJN.

A qui jace qui en para desit verdad,

Morio s'in infirmidad.

En koning Philippus bezag met ontuchtige blikken de prinses van

Eboli, die getrouwd was. Door drift verteerd, smeekte hij heur en

zij weerstond niet....

Mevrouwe Isabella van Frankrijk, die, naar men zeide, don Carlos'

inzichten op de Nederlanden begunstigd had, werd droef en mager. Heur

haar viel uit, met dikke lokken te gelijk. En dikwerf braakte zij,

en de nagelen heurer teenen en vingeren vielen uit. En zij stierf.

En koning Philippus weende niet.

Het haar van den prins van Eboli viel insgelijks uit. Hij werd droef

en klaagde gedurig. Dan vielen ook zijne nagelen van teenen en vingeren

uit. En hij stierf.

En de koning deed hem begraven.

En hij betaalde den rouw der weduwe, en weende niet.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 138 / 195 题