Doch Uilenspiegel en Lamme, met hunne reispassen op zak, trokken een
kleine taveerne binnen, tegen de rotsen der Samber gebouwd, die op
sommige plaatsen met boomen bedekt zijn. En boven de deur stond te
lezen: Bij Marlaire.
Zij dronken menige bottel wijn van de Maas, bereid naar de wijze van
Bourgondië, en aten veel waterzooi; daarna begonnen zij te praten met
den baas, een eersten paapschgezinde, maar die gestadig heimelijk
knipoogde, en babbelde als een ekster, ter oorzake van den wijn,
dien hij gedronken had.
Uilenspiegel, die in de gaten had dat achter dat knipoogen iets
schuilde, deed hem nog meer drinken, zoodat de weerd begon te dansen
en te schaterlachen. Vervolgens kwam hij weer aan de tafel zitten
en sprak:
--Goede katholieken, ik drink op uwe gezondheid!
--Op de uwe! antwoordden Lamme en Uilenspiegel. Op de uitroeiing van
ketters en muitmakers!
En Lamme en Uilenspiegel vulden gestadig den beker, dien de weerd
dadelijk weer leeg dronk.
--Gij zijt brave lieden, en ik drink op uwe gezondheid. Hoe meer ik
drink, hoe grooter mijn winst is. Waar zijn uwe passen?
--Hier, antwoordde Uilenspiegel.
--Geteekend door den hertog, sprak de weerd. Ik drink op den hertog!
--Wij drinken op de gezondheid van den hertog, antwoordden Lamme
en Uilenspiegel.
De weerd vervolgde:
--Waarmee vangt men ratten en muizen? Met vallen, niet waar? Wie
is de muis? 't Is de groote Oranjeketter, die rood ziet als 't
vuur van de hel. God is met ons. Zij komen weldra. He! He! laat
ons drinken! Schenkt in; ik kook, ik brand. Laat ons drinken! Heel
schoone gereformeerde predikantjes.... Ik herhaal predikantjes, dapper
en sterk lijk eiken, onze kloeke soldaten.... Laat ons drinken! Gaat
gij met hen mede naar 't kamp van den aartsketter? Reispassen heb ik,
geteekend door hem.... Gij zult hen aan 't werk zien.
--Wij gaan mee naar het kamp!
Zij zullen er zich deugd doen, en 's nachts, als de gelegenheid
gunstig is (en fluitend maakte de weerd het gebaar van een man, die
een anderen keelt), zal Stalen Wind de meerle Nassau het schuifelen
wel afleeren. Laat ons drinken, laat ons drinken!
--Gij zijt een vroolijke kwant, al zijt gij getrouwd, antwoordde
Uilenspiegel.
De weerd sprak:
--Dat ben ik of was ik nooit. Ik bewaar de geheimen der vorsten. Laat
ons drinken!--Had ik eene vrouw, zij zou ze mij ontstelen op 't
oorkussen, om mij te doen hangen, en weduwe zijn vóór de Natuur het
beliefde. Bij God! Zij komen.... Waar zijn de nieuwe reispassen? Op
mijn christelijk hert. Laat ons drinken! Dáár zijn ze, op driehonderd
stappen van hier, op den weg, nabij Marche-les-Dames. Ziet gij ze? Laat
ons drinken!
--Drink, zeide Uilenspiegel, drink; ik drink op de gezondheid van
den koning, van den hertog, van de predikanten, van Stalen Wind; op
uwe gezondheid, op mijne gezondheid, op de gezondheid van den wijn
en op de gezondheid van de bottels! Maar gij drinkt niet....
En op elken heildronk vulde Uilenspiegel het glas en ledigde de weerd
het tot den bodem.
Uilenspiegel sloeg hem eene wijl gade; toen stond hij recht en
sprak hij:
--Hij slaapt, laat ons gaan, Lamme.
En toen zij buiten waren, hernam hij:
--Hij heeft geene vrouw, die ons zal verraden.... De nacht gaat
vallen.... Hebt gij gehoord wat de schoft gezegd heeft, en weet gij
wie de drie predikanten zijn?
--Ja, sprak Lamme.
--Gij weet, dat zij van Marche-les-Dames komen langs den oever der
Maas, en dat wij wèl zullen doen, hen op den weg af te wachten,
vóór Stalen Wind blaast.
--Ja, zei Lamme.
--Wij moeten het leven des prinsen redden, sprak Uilenspiegel.
--Wij moeten, zei Lamme.
--Hier is mijn bus, sprak Uilenspiegel, ga er mee in het kreupelhout
tusschen de rotsen; laad ze met twee kogels en schiet als ge mij lijk
de raaf hoort krassen.
--Ik zal, zei Lamme.
En hij verdween in het kreupelhout. En Uilenspiegel hoorde weldra
het gekraak van het rad van de bus.
--Ziet gij ze komen? vroeg hij.
--Ik zie ze, antwoordde Lamme. Zij zijn gedrieën en gaan als soldaten,
en een hunner is een kop grooter dan de anderen.
Uilenspiegel zette zich neer op den weg, de beenen vooruit,
paternosters te mompelen, lijk de bedelaars doen. En zijn hoedeken
lag tusschen zijne knieën.
Als de drie predikanten voorbijkwamen, stak hij hun zijn hoedeken
toe. Maar zij legden er niemendal in.
Uilenspiegel stond recht en zeide op erbarmelijken toon;
--Goede heeren, weigert geen oortje aan een armen werkman, die
laatst in eene steengroef gevallen is en zich de ribben brak. Ze
zijn hardvochtig in deze streek en ze hebben mij niets gegeven,
om mijn ellende te lenigen. Laas! geeft mij een oortje en ik zal
voor u bidden. En God zal uwe bermhertigheid hier op de aarde met
vreugde beloonen.
--Mijn zoon, sprak een der predikanten, een sterke vent, voor ons geene
vreugde op aarde, zoolang de Paus en de Inquisitie zullen heerschen.
Uilenspiegel zuchtte als hij, en sprak:
--Laas! wat zegt gij, mijne heeren? Spreekt stiller, als het u
belieft. Maar geeft mij een oortje.
--Mijn zoon, antwoordde een kleine predikant met een strijdlustige
tronie, wij, arme martelaren, hebben maar juist oortjes genoeg om
onderwege onze nooddruft te koopen.
Uilenspiegel viel op de knieën.
--Zegent mij dan ten minste, sprak hij.
De drie predikanten strekten de hand uit over Uilenspiegels hoofd,
maar zonder godsvertrouwen.
Doch daar hij merkte dat zij mager waren, en toch dikke buiken hadden,
richtte hij zich op en gebaarde te vallen. En met het voorhoofd tegen
den buik van den grooten predikant botsend, hoorde hij daarin het
vroolijk gerinkel van geldstukken.
Toen sprong hij recht en, zijn kruismes trekkend, riep hij:
--Goede vaders, het is koel, ik ben dun gekleed, en gij hebt te
veel. Geeft mij van uwe wol, dat ik er mij een mantel van make. Ik
ben Geus! Leve de Geus!
De groote predikant antwoordde:
--Geus, gij draagt uwen kam te hoog; wij zullen hem kappen.
--Kappen! sprak Uilenspiegel; ik zeg u, dat Stalen Wind u, vóór den
prins, zal omverblazen. Geus ben ik, leve de Geus!
De drie onthutste predikanten spraken:
--Hoe weet hij dat? Wij zijn verraden. Ter dood! Leve de misse!
En van onder hunne hooze trokken zij goed aangezette kruismessen uit.
Maar zonder hen af te wachten, week Uilenspiegel achteruit, langs
het struikgewas, waarin Lamme verscholen zat.
Als hij oordeelde, dat de predikanten binnen het bereik van het schot
waren, riep hij:
--Raven, zwarte raven, Looden Wind blaast! Ik zing uwen dood.
En hij kraste.
Een busschot kwam uit het struikgewas, smeet den grootsten predikant
met zijn gezicht ter aarde. Een tweede schot velde den tweeden.
En Uilenspiegel ontwaarde tusschen het struikgewas de goede tronie van
Lamme, en zijn opgeheven arm, die haastiglijk de bus opnieuw laadde.
Een blauwe rookwolk steeg op uit het donker struikgewas.
De derde predikant viel, als in razernij, op Uilenspiegel aan,
die zeide:
--Stalen Wind of Looden Wind, ook gij verhuist naar de andere wereld!
En hij greep hem aan en hij stond dapper te weer.
Elkaar scherp in het oog houdend, stonden de beide vijanden pal op den
weg, steken toebrengend en afwerend. Uilenspiegel was heel met bloed
bedekt, want zijn tegenstander, behendig soldaat, had hem gekwetst
aan hoofd en been. Maar hij vocht als een leeuw. Het bloed gutste
uit zijn hoofd, en verblindde hem: toch weerde hij af, met groote
achterweertsche passen. Met de linkerhand wischte hij zijn bloed af,
maar zijne krachten verflauwden. Zeker ware hij gedood, hadde Lamme,
met een derde schot, den predikant niet geveld.
En een vloek stierf op zijne lippen, terwijl hij bloed en doods-schuim
braakte.
En opnieuw steeg een blauwe rookwolk uit het struikgewas, waartusschen
Lamme weer zijne goede tronie zien liet.
--Is 't gedaan? vroeg hij.
--Ja, mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel, maar kom....
Als Lamme te voorschijn kwam, zag hij Uilenspiegel gansch met bloed
bedekt.
Ondanks zijnen buik, liep hij als een hert, en kwam bij Uilenspiegel,
die nabij de gedoode mannen zat.
--Hij is gekwetst, mijn goede vriend, sprak hij, gekwetst door dien
vuigen moordenaar!
En, met een schop, sloeg hij de tanden van een der predikanten stuk.
--Gij antwoordt niet, Uilenspiegel, hernam hij; gaat gij sterven? Waar
is de balsem? Ha, in de weitasch, onder de worsten.
... Uilenspiegel, hoort gij mij niet? Laas, ik heb geen warm
water om uwe wonden te wasschen, en er is geen middel om er
te krijgen. Maar ik haal water uit de Samber. Spreek toch, mijn
vriend. Gij zijt toch zóó erg niet gekwetst? Hier, een weinig koud
water, niet waar? Ha, hij wordt wakker. Ik ben het, uw vriend; ze
zijn allemaal dood. Linnen! linnen om zijne wonden te verbinden! Er
is er geen. Ha! mijn hemd!
Lamme kleedde zich uit en vervolgde:
--Aan stukken, het hemd! Het bloed is gestelpt. Mijn vriend zal niet
sterven.... 't Is koeltjes, zoo bloot in de vinnige lucht. Ik ga mij
weer aankleeden. Hij zal niet sterven. Ik ben het, Uilenspiegel, ik, uw
vriend Lamme. Hij glimlacht. Ik ga de moordenaars aftasten. Zij hebben
guldens in hunnen buik. Ja, zij hebben gouden darmen: karolussen,
daalders, lammeren, florijnen, oortjes en brieven! Wij zijn rijk! Meer
dan driehonderd karolussen voor ons getweeën. Wij zullen de wapenen
nemen en 't geld. Stalen Wind zal niet blazen voor den edelen prins!
Uilenspiegel klappertandde door de koude, en stond op.
--Daar zijt gij op de beenen! sprak Lamme.
--Door de kracht van den balsem, antwoordde Uilenspiegel.
--Balsem van dapperheid! zeide Lamme.
Vervolgens sleepte hij de lijken van de predikanten een voor een
voort, en smeet ze in een hol, tusschen de rotsen, met hunne wapenen
en hunne kleederen, behalve den mantel.
In de lucht fladderden de raven, krassend van ongeduldige vraatzucht.
En de Samber vloeide als een stalen stroom, onder den grauwen hemel.
En de sneeuw viel en wischte de bloedvlekken uit. Maar toch waren
zij ongerust en bekommerd.
Lamme sprak:
--Ik dood liever een kieken dan een mensch.
En zij stegen weder op hunne ezels.
Aan de poorten van Hoei, bloedden de wonden nog altijd; de vrienden
gebaarden daar twist te krijgen, stegen van hunne ezels en schermden
met hunne kruismessen. Na het gevecht, dat zeer wreed in schijn was,
stegen zij weder op hunne dieren en kwamen binnen de stede, nadat
zij aan de poorten hunne reispassen hadden getoond.
Toen de vrouwen Uilenspiegel gekwetst en Lamme zegevierend op zijn
ezel zagen, keken zij met teeder medelijden naar Uilenspiegel en
dreigden zij Lamme met de vuist, zeggende:
--Dáár is de deugniet, die zijn vriend schier vermoordde.
Lamme, ongerust, keek of hij onder haar zijn vrouwtje niet vond.
Hij zocht te vergeefs, wat hem in een weemoedige stemming bracht.