XVIII.

Een gure wind blies over de aarde. De lucht, die 's morgens helder

als de jeugd was, werd grijs als de oude dag. Het regende en hagelde.

Toen de regen opgehouden had, schudde Uilenspiegel zich, zeggende:

--De hemel drinkt zooveel dampen op, dat hij zich soms moet ontlasten.

Maar het begon weer te regenen en te hagelen, en nog meer dan de

eerste maal. De twee gezellen waren doornat.

Lamme zuchtte:

--Wij waren goed gewasschen, nu is men ons aan't spoelen! De zonne

kwam weer te voorschijn en blijgemoed stegen zij weder op hunne ezelen.

Doch nu begon het zoo moorddadig te hagelen, dat de droge takken der

boomen als met messen afgekapt werden.

Lamme sprak:

--Ho! een dak toch! Mijn arme vrouw! Waar zijt gij, goed vuurtje,

zoete kussen en lekkere hutsepot?

En hij weende, de dikzak.

Doch Uilenspiegel sprak:

--Wij jammeren en weeklagen; maar is het niet van ons zelven, dat

al onze kwalen ons komen? Het regent en hagelt op onze schouderen,

doch die winterregen kweekt malsche meiklaver. En de runderen zullen

loeien van genoegen. Wij zijn zonder schuilplaats, maar waarom trouwen

wij niet? Ik toch, ten minste, waarom trouw ik niet met Nele, die zoo

schoon en zoo braaf is, en die mij nu een goeden schotel boonen met

gestoofd vleesch zou voorzetten? Wij hebben dorst, niettegenstaande het

water, dat valt; waarom bleven wij niet bij een zelfde ambacht? Zij,

die meester aanveerd zijn, hebben heele tonnen bruinbier in hunne

kelders.

De assche van Klaas klopte op zijn hert, de hemel werd helder, de

zonne schitterde aan het uitspansel en Uilenspiegel sprak:

--Mevrouw de Zon, ik zeg u duizendmaal dank, ge komt onze lendenen

verwarmen; assche van Klaas, gij verwarmt ons hert en zegt ons dat

diegenen gezegend zijn, die zwerven voor de verlossing van den bodem

der vaderen.

--Ja, maar 'k heb honger, zei Lamme.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 132 / 195 题