In de Herfstmaand, als de muggen niet meer bijten, stak de Zwijger
te Sint-Vijt den Rijn over met zes stukken veldgeschut en vier zware
kanonnen, en met veertienduizend Vlamingen, Walen en Duitschers.
Onder de geel-en-roode vendels van Alva, den bloedigen hertog, stapten
zes en twintigduizend vijfhonderd man, vergezeld van zeventien stukken
veldgeschut en negen zware kanonnen.
Maar de Zwijger kon in dien strijd geenerlei voordeel behalen, want
Alva weigerde gedurig 't gevecht.
En zijn broeder Lodewijk, die reeds vele steden gewonnen en vele booten
op den Rijn gekaapt had, verloor bij Jemmingen, in Friesland, tegen
den zoon des hertogen, zestien kanonnen, vijftien honderd peerden en
twintig vendels, door de schuld der lafhertige huurknechten, die geld
vroegen als er te vechten viel.
En te midden van puin en van bloed en van tranen, zocht Uilenspiegel
te vergeefs de redding van den vaderlandschen bodem.
En, heel de Nederlanden door, werden onschuldige slachtofferen
gehangen, onthalsd, verbrand door de beulen.
En de koning erfde.