De Zwijger gaat henen, God leide hem!
De twee graven zijn reeds gevangen; Alva belooft aan den Zwijger
goedertierenheid en vergiffenis, zoo hij vóór hem wil verschijnen.
Op die tijding sprak Uilenspiegel tot Lamme:
--Op aanzoek van Dubois, procureur-generaal, heeft de hertog gedagvaard
binnen driemaal veertien dagen vóór hem te verschijnen: den prins
van Oranje, Lodewijk zijn broeder, Hoogstraten, van den Berg,
Kuilenburg, Brederode en andere vrienden des prinsen, onder belofte
van goede justitie en goedertierenheid. Luister, Lamme: Eens daagde
een Amsterdamsche jood een zijner vijanden uit, op straat te komen;
de uitdager stond op den openbaren weg en de andere was boven aan
een venster.
--Kom beneden, riep de uitdager zijn vijand toe, en ik geef u zulken
slag op uwen kop, dat hij in uwe borstkas zal zinken en gij door uwe
ribben zult kijken, lijk een dief door de traliën van zijnen kerker.
De andere antwoordde:--"Al beloofdet gij mij honderdmaal meer, nog
kwam ik niet beneden". Zoo kunnen Oranje en de anderen antwoorden. En
zoo deden zij ook, en zij weigerden vóór Alva te verschijnen. Egmond
en Hoorne deden niet als zij. En zwakheid bij het vervullen van den
plicht roept het uur van God.