Eens vroeg Simon aan Uilenspiegel:
--Hebt gij moed, broeder?
--Ik heb er genoeg, antwoordde Uilenspiegel, om eenen Spanjaard te
geeselen totdat de dood er op volge, om eenen moordenaar te dooden,
eenen beul onschadelijk te maken.
--Zoudt gij, vroeg de drukker, geduld genoeg hebben om in eenen
schoorsteen te blijven, ten einde te luisteren wat in eene kamer
gezegd wordt?
Uilenspiegel antwoordde:
--Wijl ik door de gratie Gods stevige lenden en fiksche beenen bezit,
kan ik, als de katten, blijven staan waar ik ben.
--Hebt gij geduld en een goed geheugen? vroeg Simon.
--De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
--Nu, luister, sprak de drukker, neem deze aldus gevouwen speelkaart
en ga naar Dendermonde; daar zult gij tweemaal hard en eenmaal
zachtjes kloppen aan de deur van het huis, waarvan de gevel hierop is
geteekend. Iemand zal opendoen en u vragen of gij de schouwveger zijt;
gij zult antwoorden dat gij mager zijt en de kaart niet verloren
hebt. En gij zult ze hem toonen. Dan, Thijl, moet gij doen wat er
hoeft. Groote rampen zweven over Vlaanderenland. Men zal u eene schouw
toonen, gereedgemaakt en geveegd; daar zullen krammen voor uwe voeten
zijn en, om te zitten, een berd, dat stevig vastgemaakt is. Als hij,
die u binnen liet, u zegt in de schouw te kruipen, zult gij het
doen, en gij zult daar stil wachten. Adellijke heeren zullen daar
bijeenkomen, in de kamer vóór de schouw, waarin gij zijn zult. Het
zijn Willem de Zwijger, de prins van Oranje, de graven van Egmond,
van Hoorne, van Hoogstraten en Lodewijk van Nassau, de dappere broeder
des Zwijgers. Wij, hervormden, willen weten wat die heeren willen en
kunnen voor de redding onzer landen.
Nu, den eersten April, deed Uilenspiegel zooals hem gezegd was. Hij
was tevreden, dat er geen vuur in den heerd brandde en zei tot zich
zelven: hoe minder rook hoe scherper het gehoor.
Weldra werd de deur van de kamer geopend, en een tocht trok door
de schouw. Geduldig verdroeg hij den wind, zeggende: hij zal mijn
aandacht aanwakkeren.
Vervolgens hoorde hij de heeren van Oranje, van Egmond en de
anderen de kamer binnentreden. Zij spraken over hunne vreeze,
over de gramschap des konings en over het slecht beheer van 's
lands zaken en penningen. Een hunner sprak op bitsen, hoogmoedigen,
helderen toon. Het was Egmond. Uilenspiegel herkende hem, lijk hij ook
Hoogstraten herkende aan zijn heesche stem. Hoorne aan zijn harde stem;
graaf Lodewijk van Nassau aan zijn mannelijke, krijgshaftige taal, en
den Zwijger aan de langzame wijze waarop hij zijne woorden uitsprak,
alsof hij elk hunner vooraf wilde wegen.
Graaf van Egmond vroeg waarom men hen een tweede reize bijeenriep,
terwijl zij te Hellegat hadden kunnen beslissen wat er te doen stond.
Hoorne antwoordde:
--De uren loopen snel voorbij, de koning is vertoornd; wij mogen
niet talmen.
Toen sprak de Zwijger:
--De landen verkeeren in gevaar; wij moeten ze verdedigen tegen de
aanvallen van de uitheemsche soldaten.
Egmond antwoordde driftig, dat hij het zonderling vond, dat de koning
een leger meende te moeten zenden, daar alles in vrede was door de
zorgen der heeren en voornamelijk door de zijne.
Maar de Zwijger sprak:
--Philippus heeft in de Nederlanden veertien benden, die zijne bevelen
moeten uitvoeren, waarvan al de soldaten dengene verkleefd zijn,
die hen aanvoerde te Gravelingen en te Saint-Quentin.
--Ik begrijp niet, sprak Egmond.
De prins hervatte:
--Ik wil er niets bijvoegen, maar aan u en de andere vergaderde heeren
zal lezing gegeven worden van zekere brieven, met die van den armen
gevangene Montigny te beginnen.
In zijne brieven, schreef messire van Montigny:
"De koning is uitermate vergramd over hetgeen in de Nederlanden gebeurd
is, en op tijd en stond zal hij de daders der woelingen straffen".
Daarop zei Egmond, dat het koud was en dat men diende een houtvuur
aan te steken. Zoo werd gedaan, terwijl de beide heeren spraken over
de brieven.
Het vuur trok niet, om reden van den al te grooten takkebos in de
schouw, en de kamer was vol rook.
Hoestend las toen de graaf van Hoogstraten de onderschepte brieven,
door den Spaanschen gezant te Parijs, don Francès d'Alava, aan de
landvoogdes geschreven.
--De gezant, sprak hij, schrijft dat al het kwaad, dat den Nederlanden
overkomt, te wijten is aan de heeren van Oranje, van Egmond en van
Hoorne. Gij moet, schreef hij, u van de vriendelijkste zijde aan hen
toonen en hun zeggen dat de koning erkentelijk is voor hunne trouw. Wat
betreft Montigny en Bergen: Zij blijven waar zij behooren te zijn.
--Ha! dacht Uilenspiegel, ik zit nog liever in een rookende schouw
in Vlaanderenland, dan in een goed verlucht gevang in Spanje; want
daar verrijzen schavotten tusschen de vochtige muren.
De gezant van Spanje voegde er bij dat de koning in Madrid gezegd had:
--Door al hetgeen in de Nederlanden voorgevallen is, is ons koninklijk
gezag verminderd, de dienst van God verlaagd, en wij zullen liever
het bezit van al onze andere landen in de weegschaal leggen, dan
dit oproer ongestraft te laten. Wij zijn besloten in eigen persoon
naar de Nederlanden te gaan en de hulp des pausen en des keizers te
vorderen. Het kwaad van heden moet het goede van morgen baren. Wij
zullen de Nederlanden onder onze algeheele gehoorzaamheid brengen en,
naar ons believen, staat, godsdienst en regeering wijzigen.
--Ha! koning Philippus, dacht Uilenspiegel, kon ik u naar mijn believen
wijzigen, zeker zoudt gij, onder mijn Vlaamschen stok, een merkelijke
wijziging ondergaan aan uwe dijen, armen en beenen; ik zou uwen kop
met twee nagelen in het midden van uwen rug vastmaken, opdat gij
aldus de kerkhoven kondt zien, die gij achter u laat, en naar eigen
believen uw liedeken van gewelddadige wijziging zoudt kunnen zingen.
Er werd wijn opgediend. Hoogstraten stond recht en sprak:--Ik drink
op onze landen! Allen deden als hij; toen voegde hij er bij, terwijl
hij zijn ledigen beker nederzette:--De rampspoed is gekomen voor den
Belgischen adel. Wij moeten middelen beramen tot onze verdediging.
Hij wachtte een antwoord en zag naar Egmond, die zweeg.
Maar de Zwijger zei:
--Wij zullen weerstaan, als Egmond, die Frankrijk tweemaal beven deed
te Saint-Quentin en te Gravelingen, die alle gezag over de Vlaamsche
soldaten bezit, ons helpen wil om den Spanjaard te beletten in onze
landen te komen.
Messire van Egmond antwoordde:
--Ik heb een al te eerbiedigen dunk van den koning om te meenen dat
wij ons, als rebellen, tegen hem moeten wapenen. Dat zij, die zijnen
toorn duchten, deze landen verlaten. Ik zal blijven, zonder zijne
hulp kan ik niet leven.
--Philippus zal zich wreedelijk wreken, sprak de Zwijger.
--Ik heb vertrouwen, antwoordde Egmond.
--Ook voor uw hoofd? vroeg Lodewijk van Nassau.
--Mijn hoofd, mijn lijf, mijne toewijding, sprak Egmond, alles is zijn.
--Ik, een getrouw onderdaan, doe als gij, sprak Hoorne.
De Zwijger sprak:
--Men moet voorzien en niet wachten.
Toen antwoordde messire van Egmond met drift:
--Te Geeraardsbergen deed ik twee en twintig hervormden hangen. Als
de preeken ophouden, als de beeldenstormers gestraft worden, zal de
woede des konings zich stillen.
De Zwijger antwoordde:
--IJdele hoop.
--Wapenen wij ons met vertrouwen, sprak Egmond.
--Wapenen wij ons met vertrouwen, sprak Hoorne.
--'t Is met ijzer, en geenszins met vertrouwen, dat wij ons moeten
wapenen, hervatte Hoogstraten.
Daarop deed de Zwijger teeken, dat hij wilde vertrekken.
--Vaarwel, prins zonder land, zegde Egmond.
--Vaarwel, graaf zonder hoofd, antwoordde de Zwijger.
Toen zegde Lodewijk van Nassau:
--De slachter is voor het schaap, en de roem voor den moedigen
strijder, die den grond der vaderen redt.
--Ik mag, noch ik wil, sprak Egmond.
--Het bloed van de slachtoffers valle op het hoofd van den hoveling,
sprak Uilenspiegel.
De heeren verlieten de kamer.
Toen kwam Uilenspiegel uit zijne schuilplaats; hij ging rechtstreeks
bij Praet en vertelde hem wat hij gehoord had.
--Egmond is verrader; God is met den prins, zegde Praet.
De hertog! de hertog te Brussel! Waar zijn de geldkisten, die
vleugelen hebben?