Terwijl hij aldus, gevolgd door Lamme, het op een drafje zette, vond
hij in de Eikstraat een kwaadwillig paskwil tegen Brederode. Hij ging
het hem onmiddellijk overhandigen.
--Ik ben, Heere, sprak hij, die goede Vlaming en die spion van den
koning, dien gij zoo goed bij de ooren trokt en zulken goeden wijn te
drinken gaaft. Ik breng u een lieftallig schriftje, in hetwelk men u
onder anderen beschuldigt, den titel van grave van Holland te nemen,
die den koning behoort. Het is versch geprent door Jan Lastermans,
wonende op de Schavuitenkaai, omtrent de Eerrooversgang.
Glimlachend antwoordde Brederode:
--Ik laat u twee uren lang geeselen, als ge mij den echten naam van
den schrijver niet zegt.
--Heer, antwoordde Uilenspiegel, gij moogt mij twee jaar lang doen
geeselen als gij wilt, maar wat mijn mond niet weet, zult gij mijnen
rug niet doen zeggen.
En hij ging henen met een gulden voor zijne moeite.