Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk
van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het
hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van
Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van 't paleis.
Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur
een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om
den koning te bewegen, de plakkaten op 't stuk der religie, alsmede
de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze
misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij,
puinhoopen en algemeene ellende.
En dat verzoekschrift werd Het Eedverbond geheeten.
Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner
vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de
armoede dier edele eedgenooten:
--Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!
Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan
waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de
Spaansche edellieden.
Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden
zij er eere in te stellen "geuzen" geheeten en genaamd te worden,
voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.
Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des
konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen,
saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: "Den
koning getrouw tot den bedelzak". En op hunne hoeden en mutsen droegen
zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.
Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek
naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.