I.

Dien morgen, 't was in Herfstmaand, nam Uilenspiegel zijnen stok,

drie gulden die Katelijne hem gaf, eene snede brood met een stuk

verkenslever, en hij vertrok naar Antwerpen, op zoek naar de

Zeven. Nele sliep.

Onderwege werd hij gevolgd door een hond, die op den reuk van de

lever afkwam. Uilenspiegel wilde den hond wegjagen, maar deze bleef

halstarrig meeloopen, waarop Uilenspiegel hem de volgende rede hield:

--Hondje, mijn beestje, gij handelt verkeerd met uw huis te verlaten,

alwaar goede porties, lekkere kliekjes, mergbeenderen u wachten, om op

goed valle 't uit een zwerver te volgen, wien het zelfs aan wortelen

zal ontbreken om u toe te werpen. Geloof mij, onbezonnen hondje,

keer terug naar uwen baas. Vermijd regen, sneeuw, hagel, mist, ijzel

en andere liefelijkheden, die het lot van de zwervers zijn. Blijf u

warmen in den hoek van den heerd bij het lustige vuur, en laat mij

voortgaan in modder, in stof, in koude en hitte, heden gestoofd en

morgen bevroren, des Vrijdags verzadigd en 's Zondags verhongerd. Keer

terug van waar gij komt, hondje van weinig ondervinding, en gij zult

verstandig handelen.

Het beest scheen Uilenspiegel maar niet te begrijpen. Het

kwispelsteertte en sprong zoo hoog als het kon. Uilenspiegel meende

dat het uit vriendschap was, maar vergat de lever, die in zijne

tassche stak.

Hij ging voort, de hond volgde. Als zij alzoo bijna een uur gegaan

hadden, zagen zij op de baan eene kar, bespannen met een ezeltje,

dat den kop liet hangen. Op den berm van den weg, tusschen twee

distelstruiken, zat een man met in eene hand eenen hamelbout en in

de andere eene bottel, waaraan hij zich goed deed. Als hij niet at

of dronk, zuchtte en weeklaagde hij.

Uilenspiegel stond stil, de hond insgelijks. Bout en lever riekend,

beklom hij den berm. Daar ging hij nabij den man op zijn achterste

zitten, krabde aan zijn wambuis, om beetjes te vragen, doch de man

stiet hem terug met den elleboog, en zuchtte erbarmelijk met den bout

omhoog. De hond jankte uit begeerlijkheid; en de ezel, grammoedig

omdat hij, ingespannen, de distelen niet kon bereiken, begon te balken.

--Wat is er, Jan? vroeg de man tot den ezel.

--Niets, antwoordde Uilenspiegel, maar hij zou zich willen vergasten

aan de distelen, die naast u groeien; en deze hond zou evenmin boos

zijn, nadere kennis te maken met het been, dat gij in de hand hebt. In

afwachting daarvan, kan hij beginnen met de lever, die ik hier heb.

Toen de hond de lever binnen had, keek de man naar zijnen bout. Hij

beet er het laatste vleesch af, gaf toen het been aan den hond,

die er zijn pooten op stelde en het trachtte te kraken.

Toen keek de man naar Uilenspiegel.

Deze herkende Lamme Goedzak, van Damme.

--Lamme, vroeg hij, waarom zit gij hier te eten, te drinken en te

jammeren? Heeft een soldaat u misschien eene schudding gegeven?

--Laas! mijne vrouw! sprak Lamme.

Hij wilde zijne bottel wijn ledigen, maar Uilenspiegel hield hem tegen.

--Drink zoo niet, sprak hij, al te haastig doet geen deugd aan de

nieren. Beter zou het komen aan hem, die geene bottel op zak heeft.

--Ge spreekt goed, antwoordde Lamme, maar zoudt gij beter drinken?

En hij langde hem de bottel.

Uilenspiegel nam ze, dronk en gaf ze hem terug.

--Ge moogt mij Maraan heeten, sprak hij, als er genoeg overbleef voor

eene musch.

Lamme bezag de bottel, zuchtte en nam uit zijne tassche een andere

flesch en een stuk worst, dat hij in schijfjes sneed en weemoedig opat.

Eet gij standvastig, Lamme? vroeg Uilenspiegel.

--Veelal, mijn jongen, antwoordde Lamme, maar 't is om mijne droeve

gedachten te verjagen. Waar zijt gij, vrouwtje? weeklaagde hij,

terwijl hij een traan uit het het oog wischte.

En hij sneed tien schijfjes van de worst.

--Lamme, sprak Uilenspiegel, eet niet zoo gulzig en zonder medelijden

voor den armen pelgrim.

Lamme reikte hem weenend vier schijfjes en Uilenspiegel zuchtte om

den fijnen smaak.

Maar steeds weenend en etend, sprak Lamme:

Mijne vrouw, mijne goede vrouw, ze was zoo zoet en zoo goed gevormd van

lichaam, licht als de vlinder, vlug als de bliksem, en zij zong als een

leeuwerik! Maar toch hield zij te veel van schoone kleeren. Laas! zij

hingen heur zoo goed! Immers, hebben de bloemen ook geen schitterenden

dos? Zie, hadt gij heure handjes gezien, die tot streelen gemaaakt

schenen, nooit hadt gij heur potten of pateelen laten aanraken. Het

vuur van de keuken hadde heure hagelblanke tint verzengd. En die

oogen! Ik moest ze maar bezien, en ik verging van liefde.--Drink

een slok wijn, Thijl, 'k zal na u drinken.--Ha! waarom is zij niet

dood! Ik deed alles in huis, om heur den minsten arbeid te sparen:

ik veegde den vloer, maakte het huwelijksbed, in hetwelk zij zich

's avonds behaaglijk uitstrekte, ik waschte de schotels, alsmede het

linnen, hetwelk ik zelven ook streek.--Eet, Thijl, 't is Gentsche

worst.--Soms, als zij gaan wandelen was, kwam zij te laat naar huis

voor het noenmaal, maar heur zien was zulk een groote vreugde voor mij,

dat ik niet kijven dorst, hoogst gelukkig nog, als ze mij 's nachts

den rug niet toekeerde. Ik heb alles verloren.--Drink dien wijn, Thijl,

't is Brusselsche wijn, bereid naar de wijze van Bourgondië.

--En waarom liet zij u zitten? vroeg Uilenspiegel.

--Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten

narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,--uit vreeze en

uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke

armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik

er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en 'k kuste heure

schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij

en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er

mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik

gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan

gestoei en gejoel.--Thijl, is er nog wijn in die bottel?

--Ja, sprak Uilenspiegel.

Lamme dronk en ging voort:

--Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt

schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken of op 't voorhoofd,

maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij

blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor

meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!--Thijl,

zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?

--Een half, antwoordde Uilenspiegel.

Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.

--Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan

had.

--Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien,

zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?

--Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.

--Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?

--Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.

En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte

om het vertrek aan te kondigen.

Maar de hond was--als hij goed zijne bekomst had--er stillekens van

door gegaan.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 94 / 195 题