Gedurende de volgende drie en twintig dagen, werd Katelijne bleek en
mager, en dorde zij, alsof zij verteerd werd door een inwendig vuur.
Zij riep niet meer: Het vuur! Maakt open! mijn ziel wil er uit! doch
in vervoering sprak zij gedurig tot Nele: Bruid ben ik; bruid moet
gij wezen. Schoon is hij; lang haar; vurige liefde; koude knieën en
koude armen!
En Soetkin bezag haar treuriglijk, en dacht dat het een nieuwe uiting
van waanzin was.
Heure rede vervolgend, sprak Katelijne:
--Driemaal drie is negen, een heilig getal. Hij alleen die 's nachts
fonkelende oogen als katoogen heeft, ziet de geheimenis.
Toen Soetkin heur op een avond zoo bezig hoorde, schudde zij
vertwijfeld het hoofd. Doch Katelijne sprak:
--Vier en drie, ongeluk onder Saturnus; onder Venus, een
bruiloftgetal. Koude armen! Koude knieën! Een herte van vuur!
Soetkin antwoordde:
--Gij moogt van die leelijke heidensche afgoden niet spreken.
Katelijne hoorde dit; zij sloeg een kruis en sprak:
--Gezegend zij de grijze ruiter. Nele moet een man hebben, een schoonen
man met een zweerd, een zwarten man met blinkend gelaat.
--Ja, sprak Uilenspiegel, eene mannenstoverij, voor dewelke ik met
mijn mes de saus zal maken.
Nele bezag teederlijk heuren vriend, want zij was gelukkig omdat hij
jaloersch was.
--Ik wil dien niet, sprak zij.
Katelijne antwoordde:
--Wanneer komt hij, die in 't grijs gekleed, en altijd anders geleersd
en gespoord is?
Soetkin sprak:
--Bidt God voor de uitzinnige.
--Uilenspiegel, zei Katelijne, haal ons twee stoopen dobbele kuite,
terwijl ik de heetekoeken bak.
Soetkin vroeg waarom zij den Zaterdag vierde, naar de wijs van
de Joden.
Katelijne antwoordde:
--Omdat het deeg gerezen is.
Uilenspiegel stond met den grooten kroes van Engelsch tin in de hand,
waarin juist twee stoopen gingen.
--Moeder, vroeg hij, wat moet ik doen?
--Ga, sprak Katelijne.
Daar zij geene meesteresse in huis was, wilde Soetkin niet
tegenspreken. Zij zegde tot Uilenspiegel:--Ga, mijn zoon.
Uilenspiegel liep naar den Staak en kwam terug met twee stoopen
dobbele kuite.
Weldra verspreidde de geur der heetekoeken zich in de keuken, en
allen hadden honger, tot zelfs Soetkin.
Uilenspiegel liet het zich goed smaken. Katelijne had hem een grooten
beker gegeven, zeggende dat, aangezien hij de eenige man, hoofd van
het huis, was, hij meer moest drinken dan de anderen en vervolgens
moest zingen.
En zij lachte heimelijk, maar Uilenspiegel dronk, doch zong niet. Nele
weende als zij Soetkin bleek en gansch ineengevallen zag zitten;
alleen Katelijne was vroolijk.
Na het avondmaal gingen Soetkin en Uilenspiegel naar boven op den
zolder slapen; Katelijne en Nele bleven in de keuken, alwaar heure
bedden nu stonden.
Rond twee uren des morgens als Uilenspiegel, door het zware bier,
al lang sliep, lag Soetkin gelijk alle nachten wakker, Maria biddende
dat zij heur slaap zou zenden, doch Maria aanhoorde heur niet.
Eensklaps hoorde zij den schreeuw van een nachtuil en, uit de keuken,
antwoordde een dergelijke kreet; vervolgens, in de verte, in den
kouter, weerklonken andere kreten en altijd scheen het heur dat men
die in de keuken beantwoordde.
Denkend dat het nachtvogelen waren, sloeg zij er niet verder
acht op. Zij hoorde peerdengehennik en hoevengetrappel op den
steenweg. Zij opende het venster en zag inderdaad twee gezadelde
peerden, die stampend het gras van den berm schoren. Toen hoorde zij
een schreeuwende vrouwenstem, een dreigende mannenstem, herhaalde
slagen, nieuwe kreten, eene deur met gedruis toeslaan en angstige
stappen de trap opklimmen.
Uilenspiegel snorkte en hoorde er niets van; de deur van den
zolder vloog open en, schier naakt, sprong Nele hijgend en snikkend
binnen. En in haast schoof zij eene tafel, stoelen, een oud komfoor en
al het huisraad dat zij vinden kon, tegen de deur. De laatste sterren
verbleekten aan het uitspansel; de hanen kraaiden; zij kondigden den
dageraad aan.
Op het gerucht dat Nele maakte, keerde Uilenspiegel zich om in zijn
bed, zonder wakker te worden.
Nele viel om Soetkin's hals en sprak:--Soetkin, ik ben bang, steek
eene keers aan.
Soetkin deed het en Nele zuchtte voortdurend.
Als de keers aangestoken was, bezag Soetkin het meisje, en ze zag dat
heur hemd op den schouder gescheurd was. Op heur voorhoofd, heure
kaken, in heuren hals zag zij bloedende schrammen, gelijk krabben
van nagels.
--Nele, vroeg Soetkin heur kussend, van waar komen die, schrammen?
Steeds bevend en zuchtend, sprak het meisje:
--Doe ons niet verbranden, Soetkin.
Doch Uilenspiegel werd wakker en wreef zich de oogen, verblind als hij
was door de klaarte der keers. Soetkin vroeg:--Wie is beneden? Nele
antwoordde:--Zwijg, 't is de man dien Katelijne mij geven wil.
Soetkin en Nele hoorden Katelijne plotseling schreeuwen, en heure
beenen knikten van schrik.--Hij slaat heur om mij, sprak Nele.
--Wie is er in huis? riep Uilenspiegel, uit zijn bed
springend. Vervolgens liep hij door de kamer tot dat hij een zwaar
stookijzer gevonden had, dat in eenen hoek lag.
--Niemand, sprak Nele, ga niet beneden, Uilenspiegel!
Maar hij luisterde niet, liep naar de deur, trok stoelen, tafels en
komfoor uit den weg. Katelijne schreeuwde nog altijd beneden. Nele
en Soetkin hielden Uilenspiegel vast, om zijn lijf, bij zijne beenen,
en spraken:--Ga niet beneden, Uilenspiegel, 't zijn duivelen.
--Ja, sprak hij, duivelsche man van Nele, ik breng u het stookijzer
tot gade. Een huwelijk van ijzer en vleesch. Laat mij, beneden!
Doch zij lieten hem niet los, want zij waren sterk, en klampten zich
vast aan de leun van de trap. Maar zij vermochten niet hem te houden,
en, naar beneden vliegend als een lawine, stormde hij de keuken
binnen. Daar zag hij Katelijne bleek en ontdaan, en hoorde haar
zeggen:--Hansken, waarom verlaat gij mij? 't Is mijne schuld niet;
Nele is stout.
Zonder te luisteren, opende Uilenspiegel de deur van het
stalleken. Hij vond er niemand; hij liep naar den kouter en van
daar op den steenweg: van verre zag hij twee dravende peerden in
den morgennevel verdwijnen. Hij wilde ze achterhalen, maar ze renden
gelijk de stormwind, die de droge bladeren opjaagt.
Vol gramschap en vertwijfeling kwam hij binnen, fluisterend:--Zij
hebben heur gehoond! En met een onheilspellend vuur in de oogen, bezag
hij Nele; deze, die huiverend voor Soetkin en Katelijne stond, sprak:
--Neen, Thijl, mijn geliefde, neen.
Dit zeggende, keek zij hem zoo droef en oprecht in de oogen, dat
Uilenspiegel zag dat zij de waarheid sprak. Toen ondervroeg hij heur:
--Van waar kwamen die kreten? Waar gingen die mannen? Waarom is
uw hemde gescheurd? Van waar komen die krabben op uwe kaken en uw
voorhoofd?
--Luister, Uilenspiegel, doe ons niet verbranden. Katelijne--God
beware heur voor de helle--heeft sedert drie-en-twintig dagen een in
't zwart gekleeden, geleersden en gespoorden duivel tot vriend. Zijn
gelaat blinkt lijk het vuur dat 's zomers, als 't warm is, schittert
op de baren der zee.
--Waarom zijt gij vertrokken, Hansken, mijn lieveling? sprak Katelijne,
Nele is stout.
Maar Nele, vervolgende, sprak:--Hij schreeuwt als een nachtuil om zijne
komst te melden. Moeder ziet hem alle Zaterdagen in de keuken. Zij
zegt, dat zijne kussen als ijs zijn en zijn lichaam als sneeuw. Hij
slaat heur als zij niet doet wat hij heet. Eens bracht hij heur enkele
guldens mee, doch hij nam heur al de andere af.
Bij dit verhaal vouwde Soetkin de handen, om voor Katelijne te
bidden. Katelijne sprak blijde:
--Mijn lijf en mijn geest, alles zij hem. Hansken, mijn liefste,
leid mij nog naar den Sabbat. 't Is Nele, die nooit komen wil! Nele
is stout.
--Bij de ochtendschemering toog hij henen, vervolgde het meisje,
's anderen daags vertelde moeder mij dan allerhande zonderlinge
dingen.... Maar bezie mij toch zoo kwaad niet, Uilenspiegel. Gisteren
zeide zij mij dat een schoon heer, in 't grijs gekleed en Hilbert
genaamd, mij ten huwelijk wilde en thuis zou komen, om zich te
toonen. Ik antwoordde dat ik geen man wilde, hij mocht schoon zijn of
leelijk. Zij deed mij opblijven om hen te verbeiden; want zij is dan
geenszins van heure zinnen, als 't minnarijen geldt. Wij waren half
ontkleed, gereed om te gaan slapen; ik sliep op genen stoel. Toen
zij binnenkwamen, werd ik niet wakker. Plotseling voelde ik iemand
die mij omhelsde, mij in mijnen hals kuste. En in den maneschijn zag
ik een helder gezicht, gelijk het schuim der branding in Hooimaand,
bij broeiend weer, en hoorde ik stille fluisteren:--Ik ben Hilbert,
uw verloofde; wees aan mij; 'k zal u rijk maken. Zijn gezicht stonk
naar visch. Ik stiet hem weg; hij wilde mij nemen met geweld, maar
'k was sterker dan tien mannen als hij. Doch hij scheurde mijn hemde,
kwetste mij aan mijn aangezicht en herhaalde: Wees aan mij, 'k zal
u rijk maken.--Ja, zei ik, lijk mijne moeder, wier laatsten duit gij
nemen zult.--Toen verdubbelde hij zijne pogingen, maar hij vermocht
niets tegen mij. Hij was nog leelijker dan een doode, en ik krabde
hem zoo geweldig met mijne nagelen in zijne oogen, dat hij kermde. Zoo
geraakte ik los, en kwam ik bij Soetkin vluchten.
Katelijne herhaalde gedurig:
--Nele is stout. Waarom zijt gij zoo gauw vertrokken, Hansken,
mijn liefste?
--Waar waart gij, slechte moeder, sprak Soetkin, terwijl men de eer
van uw kind wilde rooven?
--Nele is stout, zegde Katelijne. Ik zat bij mijn zwarten heer,
toen de grijze duivel met bloedend gelaat bij ons kwam en sprak: Kom
mede, kameraad, het deugt hier niet; de mannen willen ons doodslaan
en de vrouwen hebben messen aan heure vingeren. Daarop sprongen zij
te peerd en verdwenen zij in den nevel. Nele is stout!