Het was in de Grasmaand, de lucht was zoet, doch nadien begon het te
vriezen en de hemel zag grijs als op Allerzielen. Uilenspiegel's derde
jaar ballingschap was sedert lang verstreken, en Nele verwachtte alle
dagen heuren hertsvriend terug.
--Laas! sprak zij, 't gaat sneeuwen op de kersebloesems, op de
bloeiende seringa's, op al de arme planten die bij de zoele warmte
eener vroege lente vol hope ontloken waren. Lichte sneeuwvlokjes
vallen reeds op de wegen. En 't sneeuwt ook op mijn arm herte.
Waar zijn zij, de heldere zonnestralen, die de gezichten verblijden,
de daken rooder maken, den hemel blauw en de ruiten vlammend? Waar
zijn zij die warmte schenken aan aarde, lucht, aan vogelen en
insecten? Laas! nu heb ik dag en nacht koude van droefheid en bangen
twijfel. Waar zijt gij mijn lief, mijn Uilenspiegel?