Als de tweehonderd gulden verteerd waren, kwam Uilenspiegel te Weenen,
alwaar hij zich verhuurde bij eenen wagenmaker, die zijne gasten
gedurig beknorde, omdat zij den blaasbalg van de smidse niet vlug
genoeg trokken.
--Op maat schreeuwde hij, en volgt met den blaasbalg.
Eens dat de baas naar zijnen hof ging, maakte Uilenspiegel den
blaasbalg los, schouderde hem en volgde aldus zijnen meester. Als
deze verwonderd opkeek, sprak Uilenspiegel.
--Baas, gij hebt mij geheeten met den blaasbalg te volgen, waar moet
ik hem leggen, terwijl ik de anderen haal?
--Jongen, antwoordde de baas, dat heb ik u niet gezegd, breng den
blaasbalg op zijne plaats terug.
Maar de baas wilde hem die poets betaald zetten. Hij stond, van
dien dag af, te middernacht op, maakte zijne gasten wakker en deed
hen werken.
De werklieden spraken:
--Baas, waarom wekt gij ons te midden van den nacht?
--Ik heb de gewoonte, antwoordde de baas, mijne gasten de eerste
zeven dagen maar een halven nacht te laten slapen.
Den volgende nacht, wekte hij weer zijne gasten te
middernacht. Uilenspiegel, die op den zolder sliep, bond zijn bed op
zijnen rug en kwam aldus de smidse binnen.
De baas sprak tot hem:
--Zijt gij zot? Waarom laat gij uw bed niet op zijne plaats?
--Ik heb de gewoonte, antwoordde Uilenspiegel, de eerste zeven dagen
van de week de helft van den nacht op mijn bed en de andere helft
onder mijn bed te slapen.
--Zoo, antwoordde de meester, maar ik heb nog een tweede gewoonte, dat
is van mijne onbeschaamde gasten op straat te smijten, met toelating
de eerste week boven den grond, en de tweede onder den grond door
te brengen.
--In uwen kelder, baas, bij de tonnen bruinbier?