Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar
de straat. En Soetkin sprak tot Nele:
--Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?
--Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer
terug.
Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet
hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!
--Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van
hier, een huis, rijker dan 't zijne, waar hij zeker door een schoone
dame getroeteld wordt.
--'t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien
ortolanen.
--Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn
de slokker.
Soetkin lachte en zei:
--Van waar, liefste, die boosheid?
Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:
--Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?
--Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een
woord over sprak. Is 't waar, liefste, hebt gij er zin in?
--Geloof er niets van, sprak Nele.
--Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten
mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten
zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en
een nietdeug.
Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:
--Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?
--Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.