Te dien tijde kwamen twee premonstratenzer broeders te Damme aflaten
verkoopen. Boven hunne monnikspij, droegen zij een schoon fijn hemde,
met kant bezet.
Aan de deur der kerke, bij helder weder, en onder 't portaal als het
regenachtig was, hingen zij hun tarief uit; daarin gaven zij voor zes
duiten, voor een oortje, voor een half pond parisis, voor zeven, voor
twaalf karolusgulden, honderd, tweehonderd, driehonderd, vierhonderd
jaar aflaat, en, al naarvolgens de prijzen, halven aflaat en vollen
aflaat en de vergiffenis voor de afschuwelijkste schelmstukken, ja
zelfs voor het koesteren van begeerten ten opzichte van de Heilige
Maagd. Maar dát kostte zeventien gulden.
Aan de klanten die betaalden, stelden zij kleine stukjes perkament
ter hand, op dewelke het cijfer van de jaren aflaat geschreven was. En
daaronder stond het opschrift:
Is er iemand die niet en wil zijn
Gebraeden ofte geroosterd fijn,
Bij duizend jaer in 't vaegevuer,
Of in de Helle voor allen duer,
Hij coope de aflaten maer
De gratiën en de kwijtscheldingen te gaer
Voor ietswat geld ende goed:
God hem dan het loonen moet.
En er kwamen koopers van tien uren in 't ronde.
Een van de goede broeders preekte dikwijls voor het volk; hij had
roode kaken en een driedubbele kin.
--Ongelukkige! sprak hij, een of anderen zijner toehoorders beziende;
ongelukkige! daar zijt gij in de helle! Het vuur verbrandt u
wreedelijk: men legt u te koken in een ketel vol vet, in denwelken
men oliekoekjes voor Astarte bakt; gij zijt niets meer dan eene worst
in Lucifer's panne, een hamelbout in die van Gielgirot, den grooten
duivel, want men snijdt u eerst aan stukken! Zie nu dien grooten
zondaar, die de aflaten versmaadde; zie dien schotel stoverije: hij
is 't, hij is 't, zijn goddeloos lichaam, zijn vermaledijd lichaam
is vaneengekookt tot eene brij. En met welke saus! sulfer, pek en
teer! En al die arme zondaren worden alzoo opgegeten om opnieuw tot
hunne smerte in 't leven te komen. En 't is een gedurig geween en
tandengeknars. Ontferm U onzer, genadige God! Ja, daar ligt gij in de
helle, arme verdoemde, al die smerten te lijden. Zoo men voor u maar
éénen denier gaf, dan zoudt gij bereids verlichting aan de rechterhand
gevoelen; met nog een halven denier bij, waren uwe twee handen uit
het vuur. Maar de rest van uw lichaam? Voor één gulden slechts, zou
de dauw des aflaats op u nedervallen. O, verkwikkende koelte! En in
tien dagen, in honderd dagen, in duizend jaar, al naar gelang dat men
betaalt, geen gebraad, geen oliekoekje, geen stoverije meer! En als
't voor u niet is, zondaar, liggen er soms geen vrienden of magen
van u, geene gade of geen liefje in de gruwelijke diepte des vuurs?
En dit zeggende, stiet de monnik met den elleboog tegen den broeder,
die met een zilveren schotel naast hem stond. En op dat teeken sloeg
de broeder de oogen neer en schudde devotelijk den schotel om het
geld bij te roepen.
... Hebt gij, vervolgde de monnik, hebt gij in het helsche vuur
soms geen zoon, geene dochter, geen kindje, dat gij lief hadt? Zij
schreeuwen, zij weenen, zij roepen U. Zoudt gij doof blijven voor hun
bange klachte? Dat kunt gij niet; uw hert van ijs gaat smelten, maar
dat zal u een karolus kosten. En kijk, bij den klank van dien karolus
op dit verachtelijk metaal ... (de andere monnik schudde nogmaals
zijn schotel) maakt zich eene ruimte in het vuur, en stijgt de arme
ziele tot aan den mond van eenen vuurberg. Daar is zij in de versche,
in de vrije lucht! Waar zijn de smerten des vuurs? De zee is nabij,
de arme ziele werpt er zich in, zij zwemt op den rug, op den buik, op
de golven. Hoor, hoe zij schreeuwt van vreugde, zie, hoe zij duikelt
in 't water! De engelen bezien haar en zijn gelukkig. Zij wachten
heur, maar zij kan uit het water niet weg, zoo goed, zoo koel is het
daar. Zij weet niet, de arme ziele, dat daarboven heerlijke geurige
baden heur wachten, in dewelke groote stukken kandijsuiker drijven,
en die koel zijn als ijs. Daar komt een haai: zij vreest hem niet. Zij
klimt op zijnen rug, maar hij voelt heur niet; zij wil met hem in
't diepste der zee dringen. Zij gaat er de zeenimfen groeten, die
waterzooi eten in koralen ketels en versche oesters in perelmoeren
tellooren. En zij wordt goed ontvangen, onthaald en gevierd; de engelen
roepen heur altijd omhoog. Gansch verkwikt, gelukkig, begint zij te
zingen als een leeuwerik en vliegt zij naar 't hoogste der hemelen,
alwaar God glorierijk op Zijnen troon is gezeten. Zij vindt daar al
heure vrienden en magen terug, behalve diegenen, die de aflaten en
Onze Moeder de Heilige Kerke versmaadden en branden in het diepste
der helle. En dat voor altijd, altijd, altijd, in de eeuwigheid der
eeuwigheden. Maar de andere ziele, zij is bij den Heere; zij verkwikt
zich in welriekende baden en knabbelt kandijsuiker. Koopt aflaten,
mijne broeders: men heeft er tegen alle prijzen, tegen dukaten,
tegen gouden florijnen, Engelsche sovereings! Kopergeld wordt niet
versmaad. Koopt! koopt! alhier is de heilige winkel; armen en rijken
worden gediend, maar krediet geeft men niet, mijne broeders, want
koopen zonder klinkende munt is eene misdaad in de oogen van den Heer."
De broeder, die niet preekte, rammelde met den schotel. Guldens,
dukaten, lammeren, oortjes, stuivers en deniers vielen er in als
hagelsteenen.
Klaas, die nu geld had, betaalde een gulden voor tienduizend jaar
aflaat. De monniken gaven hem daarvoor een stuksken perkament.
Eindelijk ziende, dat er in Damme niemand overbleef dan de
hertevreters, die geen aflaten zouden koopen, trokken de beide broeders
naar Heist.