Maar de slechte dagen waren teruggekomen: droevig wrocht Klaas alleen
op zijn akker, want er was geen werk voor hen beiden. Soetkin bleef in
de stulp en bereidde op allerhande manieren de boonen, hun dagelijksch
maal, om Klaas' eetlust te streelen. En zij zong en zij lachte, opdat
hij heure droefheid niet merken zou. De ooievaar stond bij heur,
op één poot en met den bek in de pluimen.
Een man te peerd hield voor hunne woning stil; hij was heel in 't
zwart gekleed en had een mager en droevig gezicht.
--Is hier iemand thuis? vroeg hij.
--God zegene Uwe Droefgeestigheid, antwoordde Soetkin; ben ik dan
een schimme, dat gij mij vraagt of iemand thuis is?
--Waar is uw vader? vroeg de ruiter.
--Als mijn vader den naam draagt van Klaas, is hij ginder, antwoordde
Soetkin, en bezig met koren te zaaien.
De ruiter ging weg, en Soetkin toog ook henen vol droefheid, want
voor de zesde reize moest ze, zonder geld, brood bij den bakker gaan
halen. En toen ze met ledige handen terugkwam, was zij versteld Klaas
triomfantelijk te zien terugkomen op het peerd van den zwarten man, die
te voet naast hem ging en het dier bij den toom hield. Klaas hield vol
trotschheid in de hand een lederen tassche, dewelke goed gevuld scheen.
Toen hij van 't peerd steeg, omhelsde hij den man en klopte hem
vervolgens vriendelijk op den schouder.
--Leve mijn broeder Judocus, de goede heremijt! riep hij uit, terwijl
hij de tassche deed rinkelen. God beware hem in vreugd, in vet en in
gezondheid. 't Is Judocus vol zegen, Judocus vol overvloed, Judocus
met zijne vette soep! De ooievaar heeft geenszins gelogen!
En hij legde de tassche op de tafel. Jammerend sprak Soetkin toen:
--Man, wij hebben geen eten vandaag: de bakker heeft mij brood
geweigerd.
Brood? sprak Klaas, de tassche openend en goudstukken op de tafel
gietend, brood? Daar is brood, boter, vleesch, wijn, bier! Daar zijn
hespen, mergpijpen, reigerpastijen, ortolanen, ganzen, krakelingen,
daar is ambrozijn, lijk bij de groote heeren! daar is bier met tonnen
en wijn met vaten! Gestraft wordt de bakker, want wij zullen bij hem
niets meer koopen.
--Maar man, sprak Soetkin verbaasd.
--Nu luister, sprak Klaas, en wees verblijd. Katelijne, in stee
van in 't markgraafschap Antwerpen hare ballingschap uit te doen,
is vergezelschapt door Nele, te voet naar Meiborg gegaan. Daar heeft
Nele tot mijn broeder Judocus gezegd, dat wij ondanks onzen harden
arbeid, veelal in armoe verkeeren. En naarvolgens die goede bode mij
zooeven gezegd heeft--en Klaas wees naar den zwarten ruiter--heeft
Judocus den heiligen Roomschen godsdienst verlaten, om de Luthersche
ketterije aan te hangen.
De zwarte man sprak:
--Ketters zijn zij, die de Groote Hoer volgen. Want de Paus vergeet
zijne plichten en drijft handel in de heilige zaken.
--Stil! zei Soetkin, spreek niet zoo luide, gij zoudt ons gedrieën
op den brandstapel brengen!
--Dus, vervolgde Klaas, Judocus heeft aan dezen braven bode gezegd,
aangezien hij strijden ging onder de troepen van Frederik van Saksen,
wien hij vijftig goed gewapende mannen bezorgde, hij zooveel geld
niet van noode had, want dat het, bij rampspoed, toch zou worden
gestolen door een of anderen landsknecht. Breng dus, zoo sprak hij,
met mijnen zegen, die zevenhonderd karolusgulden aan Klaas, mijnen
broeder en zeg hem dat hij goed leve en het heil zijner ziel gedenke.
--Ja, sprak de ruiter, want 't is tijd: God geeft een ieder naar zijne
werken en handelt met een iegelijk volgens de verdiensten zijns levens.
--Heer, sprak Klaas, 't zal mij ondertusschen toch niet verboden
zijn mij in de goede tijding te verblijden? Verweerdig u hier te
blijven. Om uwe boodschap te vieren, zullen wij eten heerlijke pensen,
menigvuldige karbonaden, een hammetje dat daar even zoo rond en zoo
lekker bij den spekslager lag, dat mijne tanden wel een voet lang
uit mijnen mond kwamen.
--Laas! sprak de man, alleen de goddeloozen denken aan genuchten,
terwijl de blikken des Heeren op hen zijn gevestigd.
--Nu, bode, sprak Klaas, wilt gij met ons eten en drinken of niet?
De man antwoordde:
--De geloovigen zullen hunne zielen aan de aardsche genoegens mogen
wijden, als de Babylonische Hoer ten gronde zal liggen!
Daar Klaas en Soetkin een kruis sloegen, wilde hij heengaan.
Klaas sprak tot hem:
--Zoo het U behaagt aldus met een slecht onthaal te vertrekken,
geef dan den vredekus aan mijn broeder Judocus en waak over hem in
't gevecht.
--Ik zal het doen, sprak de man.
En hij toog henen, terwijl Soetkin eten ging halen om dit uit de
lucht gevallen fortuin te vieren. Dien avond kreeg de ooievaar twee
grondelingen en een kabeljauwskop.
De mare verspreidde zich weldra te Damme, dat de arme Klaas, door
het toedoen van zijn broeder Judocus, de rijke Klaas was geworden. En
de deken zei, dat Katelijne zeker Judocus betooverd had, daar Klaas
van hem een groote somme gelds had gekregen en dat hij niet eens een
kleedje aan Onze-Lieve-Vrouw had geofferd.
Klaas en Soetkin waren gelukkig; Klaas wrocht op het veld of verkocht
zijne kolen, en Soetkin bleef de wakkere huisvrouw.
Maar Soetkin, altoos droefgeestig, zocht steeds, met de oogen, heuren
zoon Uilenspiegel op de wegen.
En alle drie smaakten het geluk, dat God hun zond, in afwachting van
hetgeen de menschen hun zouden jonnen.