XLIX.

Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde

letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen

de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de

stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.

Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij

overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en

schacheraars.

Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige

peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, 't is te zeggen naar een

hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht

hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin

stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint,

alsof er muskus in stak.

Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord

om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode

en groene zakjes, 's Avonds stelde hij een keersken midden tusschen

de zakjes, om ze te verlichten.

Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op

geheimzinnigen toon:

--Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.

--Wat is het dan? vroegen de klanten.

--Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die

recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste

gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten

Mahomed.

De klanten zeiden tot elkander:

't Is een Turk.

Anderen spraken:

--Maar neen, 't is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij

't niet aan zijne tale?

En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:

--Geef ons eenige profetische zaadkorrels.

--Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.

En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen,

zeggende:

--Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!

Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een

Vlaming was met profetische zaadkorrels.

--Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf

van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.

En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne

zaadkorrels.

Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat

zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden,

die langs de markt slenterden.

--Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden

zal van mijn schip, dat op zee is.

--Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde

Uilenspiegel.

Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid,

en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.

--Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel,

want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man,

die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:

--Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of

ik dezen nacht alleene zal slapen.

--Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait,

zal horens maaien.

De jonge snaak was grammoedig en vroeg:

--Wat wilt gij zeggen?

--De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen

een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed

opzet. Kent gij dat hoofddeksel?

Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:

--Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop,

geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.

Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:

--Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?

--Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur

stil in het oor.

Maar de jongeling was weg met den sleutel.

Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter

eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel

verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij

Uilenspiegel, en hij vroeg hem:

--Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?

--Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar

de galg zal brengen.

Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen

koopman riep:

--Houdt den dief! houdt den dief!

Maar deze was de gaten uit.

Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met

aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:

--Wat verkoopt gij daar, Vlaming?

--Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.

--En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.

--Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde

Uilenspiegel.

De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot

den anderen:

--Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons

een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.

--Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.

--Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trekt dan

maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet

van noode.

Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de

somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar

hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte

heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim

hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden

voorzeggen.

Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje

zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu

hiet, wilde alleen de eer en 't genot hebben.

--Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de

Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter

ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen

ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in 't gelaat,

want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere,

God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad

ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de

duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke

Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de

Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de

kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?

En de joden riepen:

--Kom Messias! Zuig, Jehu!

Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:

--Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim

is een dief.

Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen

wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel

te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 54 / 195 题