XLVI.

Het gerucht liep, dat keizer Karel van zins was het recht van

erflating te ontnemen aan al degenen, die in de kloosters stierven,

hetgeen den Paus grootelijks mishaagde.

Uilenspiegel, die toen in de vallei der Maas was, dacht dat de keizer

aldus te allen kant voordeel halen zou, want hij erfde als de familie

niet erfde. Hij zette zich neder aan den oever van den stroom en

wierp zijne lijn met het aas uit. Vervolgens knaagde hij aan een oude

broodkorst; het speet hem wel, dat hij er geen kroes wijn bij had, maar

hij zegde tot zich zelven: men kan 't niet altijd naar wensch hebben.

Toen wierp hij een stuk van zijn brood in 't water, want wie zijn

maaltijd niet deelt met zijn evennaaste, is niet weerd dat hij leeft.

Een grondeling kwam het brood rieken en opende onnoozel den bek, in

den waan, dat het brood er van zelf ging in vallen. Terwijl hij aldus

in de lucht keek, werd hij eensklaps ingeslikt door een verradelijken

snoek, die als een pijl op hem was toegeschoten.

Een karper, die argeloos in de lucht naar de vliegen hapte, onderging

hetzelfde lot. Als de snoek verzadigd was, bleef hij onbeweeglijk stil,

de kleine vischjes versmadend, die pijlsnel van hem wegzwommen. Terwijl

hij aldus in trotschheid zijn gemak nam, schoot een hongerige,

vraatzuchtige snoek met open muil op hem toe. Een woedend gevecht

ontstond en weldra zag het water rondom hen rood van bloed. De

verzadigde snoek verdedigde zich slecht tegen den hongerige, die wat

achteruit zwom, zijn aandrift nam en op zijn tegenstrever toeschoot,

welke hem met open muil afwachtte en de helft van zijn kop inslikte;

hij wilde hem weder uit den muil stooten, doch hij slaagde er niet in,

om den wille van zijne haaktanden. En beide spartelden wanhopiglijk.

Aldus aaneengehecht, zagen zij den sterken angel niet, die, aan een

zijden snoer gebonden, langzaam omhoog kwam en in de vinne drong van

den verzadigden snoek, beide optrok en ze met krachtigen zwenk op

het gras smeet.

Uilenspiegel sneed hun de keel af en sprak:

--Snoeken, mijne vrienden, mocht gij de paus en de keizer zijn, die

elkander verslinden, en ik het wakkere volk dat u beiden opscheert,

op het uur dat God zal believen!

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 51 / 195 题