De slachtmaand kwam te Damme en elders, maar 't was een late
winter. Noch sneeuw, noch koude, noch regen; de zonne scheen van 's
morgens tot 's avonds, de kinderen stoeiden in het stof van straten en
wegen; en kooplieden, kramers, goudsmeden, wagenmakers en werklieden
kwamen 's avonds na het eten, op de zulle hunner deur, kijken naar den
immerblauwen hemel, naar de boomen, die nog hunne bladeren hadden,
naar de ooievaars, die op de daken zaten en de zwaluwen, die nog
niet vertrokken waren. De rozen hadden driemaal gebloeid en botten
voor de vierde reize; de nachten waren zoel, de vogeltjes kweelden
in de bosschen.
Die van Damme zegden:
--De winter is dood, laat ons hem verbranden.
En zij maakten een grooten man met een berensnoet, een langen vlassen
baard en haar van schavelingen. Zij deden hem witte kleederen aan en
verbrandden hem in groote plechtigheid.
Klaas was weemoedig; hij zegende geenszins den immerblauwen hemel,
noch de zwaluwen die niet wilden vertrekken. Want te Damme brandde
niemand meer kolen, tenzij voor de keuken, en daar iedereen er
daarvoor genoeg had, ging niemand er koopen bij Klaas, die al zijne
spaarpenningen uitgegeven had om zijn voorraad in te doen.
De kooldrager stond op de zulle zijner deur, toen hij zijn neus door
een koel windeken voelde streelen,
--Ha! sprak hij, daar komt mijn brood aanwaaien.
Maar het koel windeken bleef niet waaien, en de hemel bleef immer
blauw, en de bladeren wilden niet vallen. En Klaas weigerde zijn
wintervoorraad voor halfprijs te verkoopen aan den gierigaard
Grijpstuiver, den deken der vischverkoopers. En weldra was er gebrek
in de arme stulp.