XLIV.

De slachtmaand kwam te Damme en elders, maar 't was een late

winter. Noch sneeuw, noch koude, noch regen; de zonne scheen van 's

morgens tot 's avonds, de kinderen stoeiden in het stof van straten en

wegen; en kooplieden, kramers, goudsmeden, wagenmakers en werklieden

kwamen 's avonds na het eten, op de zulle hunner deur, kijken naar den

immerblauwen hemel, naar de boomen, die nog hunne bladeren hadden,

naar de ooievaars, die op de daken zaten en de zwaluwen, die nog

niet vertrokken waren. De rozen hadden driemaal gebloeid en botten

voor de vierde reize; de nachten waren zoel, de vogeltjes kweelden

in de bosschen.

Die van Damme zegden:

--De winter is dood, laat ons hem verbranden.

En zij maakten een grooten man met een berensnoet, een langen vlassen

baard en haar van schavelingen. Zij deden hem witte kleederen aan en

verbrandden hem in groote plechtigheid.

Klaas was weemoedig; hij zegende geenszins den immerblauwen hemel,

noch de zwaluwen die niet wilden vertrekken. Want te Damme brandde

niemand meer kolen, tenzij voor de keuken, en daar iedereen er

daarvoor genoeg had, ging niemand er koopen bij Klaas, die al zijne

spaarpenningen uitgegeven had om zijn voorraad in te doen.

De kooldrager stond op de zulle zijner deur, toen hij zijn neus door

een koel windeken voelde streelen,

--Ha! sprak hij, daar komt mijn brood aanwaaien.

Maar het koel windeken bleef niet waaien, en de hemel bleef immer

blauw, en de bladeren wilden niet vallen. En Klaas weigerde zijn

wintervoorraad voor halfprijs te verkoopen aan den gierigaard

Grijpstuiver, den deken der vischverkoopers. En weldra was er gebrek

in de arme stulp.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 49 / 195 题