XLI.

Zijn beeweg vervolgend, trad hij in dienst bij zekeren Judocus, de

kwabakker geheeten, om den wille van zijne zure en norsche tronie. De

kwabakker gaf hem voor eten drie oudbakken brooden per week en deed

hem slapen in een kot onder het dak, waar het regende en waaide dat

het een pleizier was.

Als Uilenspiegel zag, dat hij zoo slecht behandeld werd, bakte hij

zijnen baas verscheidene poetsen en onder andere deze: als men 's

morgens heel vroeg bakt, moet men 's nachts het meel builen. Nu op

een nacht dat de mane scheen, vroeg Uilenspiegel een keers om te zien,

en hij kreeg van zijn meester het volgende antwoord:

--Buil het meel in den maneschijn.

Uilenspiegel gehoorzaamde, en builde het meel op den grond, daar waar

de maan scheen.

Als de kwabakker 's morgens kwam zien naar Uilenspiegel's werk,

vond hij hem nog aan 't builen.

--Kost het meel dan geen geld meer, sprak hij, dat gij het nu op den

grond built?

--Ik heb het meel in den maneschijn gebuild, gelijk gij mij geheeten

hebt, antwoordde Uilenspiegel.

De bakker antwoordde:

--Ezel, die ge zijt: 't was door eene zeef dat gij het moest doen.

--Ik meende, dat de maan eene zeef van uwe vinding was, antwoordde

Uilenspiegel. Maar er zal niet veel verloren gaan, ik zal het meel

opscheppen.

--'t Is nu te laat, antwoordde de bakker, om deeg te maken en te

bakken.

Uilenspiegel sprak:

--Baas, het deeg van onzen buurman is gereed in den trog, wil ik het

gaan nemen?

--Loop naar de galg, antwoordde de kwabakker, neem wat er te vinden is.

--Ik ga, baas, antwoordde Uilenspiegel.

Hij liep naar het galgeveld en vond er de verdroogde hand van een

dief. Hij bracht ze aan den kwabakker en sprak:

Dit is eene gelukshand, die onzichtbaar maakt, wie ze draagt. Wilt

gij uwe slechte inborst verbergen?

--Ik zal u zwart maken bij het gerecht, antwoordde de kwabakker,

en gij zult zien dat gij het heerenrecht hebt overtreden.

Toen zij getweeën vóór den burgemeester stonden, wilde de kwabakker al

de misdaden van Uilenspiegel opsommen, maar deze zette groote oogen

op en maakte den kwabakker zoo grammoedig, dat hij zijne aanklacht

onderbrak om te vragen:

--Wel, wat is er?

Uilenspiegel antwoordde:

--Gij hebt mij gezegd, dat gij mij zoodanig zwart gingt maken, dat

ik zou zien. Wel, ik zie niemendal....

--Uit mijne oogen! riep de bakker.

--Was ik in uw oogen, antwoordde Uilenspiegel, dan zou ik, als gij

ze toedeedt, er langs de neusgaten moeten uitkruipen.

De burgemeester dacht dat men hem voor den aap hield en wilde hen

niet langer aanhooren.

Uilenspiegel en de kwabakker kwamen samen buiten, de bakker hief zijn

stok op, doch Uilenspiegel sprong ter zijde en sprak:

--Baas, daar het met slagen is dat men mijn meel built, neem gij

de zemelen: dat is uwe norschheid; ik houd de bloem: dat is mijne

vroolijkheid.

En zich omkeerende, zei hij: Als ge bakken wilt--hier is de oven.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 46 / 195 题