XIX.

Bloei- en Zomermaand waren dat jaar oprecht de maanden der

bloemen. Nooit zag men, in Vlaanderen, zulke welriekende hagedoornen,

in de hovingen zooveel rozen, jasmijn en kamperfoelie. Als de

Westenwind de geuren van dat bloemenland naar 't Oosten dreef, stak

iedereen, en meest nog in Antwerpen, verrukt den neus omhoog, zeggende:

--Riekt gij dien goeden wind, die uit Vlaanderen waait?

Onverpoosd waren de vlijtige bijen bezig met honig uit de bloemen te

zuigen, was te maken, het broedsel te verzorgen in de korven, te weinig

in aantal om al de zwermen te bergen. Heerlijke muziek van den arbeid

onder den blauwen hemel, die schitterend den rijken bodem overdekte!

Men maakte rieten, strooien, wisschen bijenkorven. Mandenmakers,

kuipers, stroovlechters arbeidden van den vroegen morgen. En de

kastenmakers konden bijlange het bestelde werk niet afdoen.

De zwermen bestonden uit dertig duizend werkbijen en twee duizend

zevenhonderd hommels. De honigraten waren zoo lekker en van zulke

zeldzame hoedanigheid, dat de deken van Damme er elf zond aan keizer

Karel, als dankzegging omdat hij, door zijne ordonnantiën de Heilige

Inquisitie weder ingevoerd had. Philippus at de honigraten op, maar

hij had er geen genot van.

Schooiers, bedelaars, rabauwen en heel die bende luiaards, die vadsig

langs de wegen slenteren en zich liever laten opknoopen dan zich aan

eenigerhande bezigheid over te leveren, kwamen van heinde en verre

aanloopen, verlekkerd door den honiggeur. En 's nachts zwierven zij

in groote menigte door velden en hoven.

Klaas had korven gemaakt om er bijenzwermen heen te lokken; eenige

waren gevuld, andere nog ledig. Klaas bleef heel den nacht waken om

op zijn goed te letten. Als hij moede was, zegde hij tot Uilenspiegel

zijne plaats in te nemen. Deze deed het gewillig.

Nu, op een nacht dat het koel was, kroop Uilenspiegel in een ledigen

korf, en gansch ineengedrongen, keek hij door de gaten die er van

boven in waren.

Op 't punt van insluimeren, hoorde hij de haag kraken en de stemmen

van twee manslieden, die hij voor dieven aanzag. Hij keek door een

der gaten van den bijenkorf en zag, dat de beide mannen lang haar

en een langen baard hadden, hoewel een lange baard te dien tijde een

teeken van adel was.

Zij gingen van korf tot korf, en zoo kwamen zij aan den zijnen en

hem optillende, spraken zij:

--Deze is de zwaarste; vervolgens staken zij er hunne stokken onder

en droegen hem mee.

Uilenspiegel vond het geenszins aangenaam, aldus in een bijenkorf

vervoerd te worden. De nacht was donker en de dieven spraken geen

woord. Alle vijftig stappen bleven zij staan om adem te scheppen en

zich vervolgens weder op weg te begeven. Die vóór ging gromde van

kwaadheid omdat de last zoo zwaar woog, en die van achteren, kermde

weemoedig. Want in de wereld zijn twee soorten luiaards: zij, die

kwaad zijn op den arbeid, en zij, die jammeren als er te werken valt.

Uilenspiegel, die niets te doen had, trok den dief, die vóór ging,

bij zijn haar, en den anderen bij zijnen baard, zoodat de grommer

den janker toeschreeuwde:

--Als gij niet ophoudt, aan mijn haar te trekken, geef ik u eene smete

op den kop, dat hij in uwe borstkas valt en gij door uwe ribben kunt

zien, als een dief door de traliën van het Steen.

--Ik deed het niet, vriend, jammerde de janker, gij zijt het die aan

mijnen baard trekt.

De grommer antwoordde:

--Ik zoek geen ongedierte in een schurftigen baard!

--Maat, sprak de janker, doe de korf niet zoo schommelen, mijne armen

houden het niet langer uit.

--Hewel, ik zal ze u van het lijf rukken. En hij trok zijnen riem over

zijn hoofd, zette den korf op den grond en sprong op zijn makker. En

zij vochten, de eene vloekend, de andere om genade smeekende.

Toen Uilenspiegel de slagen hoorde vallen, kroop hij uit den korf,

sleepte dien in een boschje, waar hij hem terugvinden kon, en keerde

toen huiswaarts.

En zoo is het, dat de slimmen voordeel halen uit twist en krakeel.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 24 / 195 题