Te Damme werd Uilenspiegel's vader "Klaas de kooldrager"
geheeten. Klaas had zwart haar, schitterende oogen; zijn vel was van
de kleur zijner koopwaar, uitgenomen op Zon- en feestdagen, als er
veel zeep in de stulp was. Hij was klein, hoekig, sterk en blijgezind.
Als zijn werk gedaan was en hij met den valavond naar eene taveerne
van den Brugschen steenweg ging, om met kuite zijn keelgat te spoelen,
dat zwart was van koolstof, riepen al de vrouwen, die, op den dorpel
van heur deur den koelen avond genoten, hem vriendelijk toe:
--Goên avond en klaar bier, kooldrager!
--Goên avond en 'nen man die niet slaapt, antwoordde Klaas.
De meisjes die in troepjes van het veld kwamen, stelden zich vóór hem,
lieten hem niet door en vroegen hem:
--Wat geeft ge om er door te mogen: een scharlaken lint, een vergulden
gesp, fluweelen schoentjes of een gulden in ons beursje?
Maar Klaas nam er eene om haar middel en kuste heur wangen of heur
hals, al naarvolgens zijn mond het dichtst bij de donzige huid was,
en dan zegde hij:
--Vraagt, mijne hertjes, vraagt de rest aan uwe minnaars.
En schaterlachend gingen de joelende meisjes voort.
De kinderen herkenden Klaas aan zijn grove stem en aan zijn zwaren
stap. Zij liepen naar hem toe en zeiden:
--'n Avond, kooldrager!
--Van 's gelijken, mijne engelkens, zei Klaas; maar komt niet te dicht,
of 'k maak U zwart als moorkens.
De stoute kaboutermannekens kwamen toch nader; dan nam Klaas er een
bij zijn wambuis, streek zijn zwarte hand over 't gladde gezichtje
en liet hem zoo loopen, tot groote vreugd van de schaterende bende.
Soetkin, Klaas' wijf, was een brave, wakkere vrouw, die opstond met
de zon, en vlug en vlijtig was als een bij.
Zij en Klaas bebouwden getweeën hunnen akker en spanden zich als ossen
vóór den ploeg. Zwaar was het om hem voort te trekken, doch zwaarder
nog trok de egge, die met hare houten tanden den harden grond moest
scheuren. Toch deden zij het blij te moede, met een liedeken op
de lippen.
En de grond mocht nog zoo hard zijn en de zon hare heetste stralen
op hen neerschieten: zij konden water en bloed zweeten als zij de
egge trokken dat hunne knieën knikten--al hun lijden vergaten zij,
als zij even stil stonden en Soetkin heur zacht gelaat naar Klaas
keerde, want dan kuste Klaas den spiegel van die teedere ziele.