Kleilust, Einde Maart '17.
Dit is, lezer, mijn slotzang... Voor den laatsten maal heb ik boven deze
regelen den titel neergeschreven, onder welken ik u het lief en leed heb
uitgezongen van een simpele soldatenziel.
Ge kent mijn besluit reeds; ik ga officier worden.
Na een jaar--de jubileumsdag ligt vlak achter mij--na een jaar van
gehoorzaamheid, ga ik mij op mijn beurt onder hèn voegen, die op dit
ijdel ondermaansche met een schijn van gezag en een zeer reëele
verantwoordelijkheid bekleed zijn. Ik heb begrepen, dat ieder de taak
te vervullen heeft, waartoe het lot hem beschikt heeft.
Maar ik heb méér begrepen... ik heb iets begrepen van wat er in een
ruwen soldaat omgaat; zoo'n soldaat is moeilijker te doorgronden dan
een sphynx... want een sphynx zwijgt, en een soldaat is geneigd het
tegendeel te zeggen van wat hij gevoelt.
Misschien zal die tak van wetenschap in den verlofsofficier Stoke de
lacune aanvullen die in zijn krijgswetenschap zal blijven bestaan. Want
om de hoogere krijgsschool te bezoeken heb ik tijd, noch gelegenheid.
Ik ben er mij zeer wèl van bewust, dat mijn dagboek niet anders geweest
is, dan eene losse aaneenschakeling van notities; het geeft dan ook
evenmin de »psyche« van den Nederlandschen soldaat, als het foto'tje op
uw buitenlandschen pas die geeft van uw persoon.
Maar er zit wat van hem in, en zijne grove trekken zijn te herkennen. Er
blijft mij nu nog één ding over, en dat is u te zeggen, wàt een officier
is, wàt ik zijn zal, in de oogen van hen, die tot op dezen dag mijne
kameraden zijn.
* * * * *
_De officieren._
Het was op een warmen zomer-namiddag; ik was nog niet lang in dienst.
Uit een venster van de kazerne gebogen, overzag ik het zonnige
exercitie-terrein, waar recruten eener jongere lichting hunne eerste
lessen genoten.
Naast mij leunde Gerrit tegen de vensterbank, en verlustigde zich in
hetzelfde schouwspel.
De commando's klonken tot ons over op de lauwe lucht.
Aan de overzijde van het water schoof bel-tinkelend een tram voorbij.
[Illustratie]
Plotseling werd ons beider blik getrokken tot een lichtend punt; het was
de zon, die even schel reflexeerde in een officiers-sabel.
De officier stond op eene kleine verhevenheid, en overzag vandaar het
terrein; hij rookte een cigarette, en heel zijn houding drukte rust,
doch tegelijkertijd latente macht uit. Hij scheen er zich niet van
bewust, dat Gerrit en ik en wellicht nog vele anderen, naar hem keken.
»Fijn leventje toch, zoo'n luit',« zeide Gerrit naast me.
»Maar niks doen, en kommedeere... en 'n hoop cente in de maand...!«
»Daarvoor moet hij voor jou denken!« waagde ik.
»'n Ofcier en 'n ofcier zijn twéé«, ging Gerrit voort. »Je heb er 'an
wie je merkt wat ze van je wille, maar d'r zijn d'r óók die maar eische
dit en eische dàt, zonder dat je weet waar et goed voor is. As me vrouw
ziek is, en de luit' wil me niet late weggaan, dan weet ik dat ie zelf
weer knijpt voor de kaptein. Maar assie zegt >vooruit, wees weg<, dan
voel ik, dat ie z'n eige der an waagt voor mijn!
»En assie zegt >ga ligge, gauw< dan denk ik >ik ben je hond niet<, maar
assie zegt >'n granaat, gauw ligge<, dan doen ik et graag!
»Die daar staat te rooke zet een gezicht of ie zegge wil >wat gaat mijn
dat beestespul an<; as ik dat zie, dan krijg ik de pest in.
»As mijn baas tege me zegt >Gerrit maak die planke es zoo en zoo pas<,
dan doen ik dat misschien verkeerd, maar assie zegt >dat mot 'n kassie
worde<, dan snap ik hem direct! Kijk, an 'n ofcier zie je van buite: dat
is me baas... da's glad genoeg, daar zorgt de kleeremaker voor. Maar
waar de kleeremaker niet voor ken zorge, dat is dat ik zeg >ik
gehoorzaam je graag<, daar mot ie zelf voor zorge.«
[Illustratie]
Gerrit heeft gelijk. Ge weet niet, burger, hoe hoog een personage een
officier is in den troep. Wij zien onze meerderen hem naar de oogen
zien, en wij bemerken, hoe een kort woord van hem door onzen sergeant
tot een wet wordt uitgewerkt, die onze belangen dienen of breken kan en
onzen vrijen tijd bekrimpen of verlengen.
Het instituut tucht maakt hem het bevelen gemakkelijk, en opent hem de
kansen op bemindheid.
De exploitatie daarvan, wordt aan hem zelf overgelaten, en dat is
minstens zoo belangrijk als de meest volledige kennis van den inwendigen
dienst.
* * * * *
_De sergeant._
De sergeant staat ons nader. In hem gehoorzamen wij niet den meester,
maar den ouderen broer. Hij doet alles met ons mee; de officier ziet of
onze ransels goed hangen, de sergeant of ze wel model gepakt zijn.
Met den sergeant wonen de soldaten in één straat, en ze kennen zijn
meisje; het gemeenschappelijk ontzag voor den officier verbindt
manschappen en onder-officieren. Zij bezigen dezelfde taal en waardeeren
denzelfden humor; onder hen zijn de verschillen nuancen geworden en
geen contrasten meer.
Daardoor wordt het bevel van den sergeant gecenseerd te zijn een uiting
van gezond verstand, en dat van een officier eene openbaring van
wijsheid.
Waar het de behartiging van particuliere soldatenbelangen geldt, kan
een officier zeer zeker te rade gaan bij onderofficieren; te weten bij
onderofficieren, die niet onder één deken liggen met een zeker soort
soldaten, die voortdurend verklaren: »dat 't toch maar een rotzoo« is.
* * * * *
_De korporaal._
De korporaal is een kindermeid. Geen gouvernante wel te verstaan,
maar een kindermeid, zoo een van zestien jaar, met een paar nuchtere
vlechtjes op het achterhoofd. Als hij serieus zijn plicht doet, of gezag
laat gelden, wordt hij uitgelachen; en als hij een standje krijgt, in
presentie zijner minderen, wordt hij óók uitgelachen.
Een korporaal kan alléén goed doen, wanneer hij vertelt van meerderen,
met wie hij uit hoofde van zijn rang in iets nader contact gekomen is
dan zulks den soldaat vergund is.
Hij mag vertellen, hoe duur de sigaren zijn, die de kaptein rookt of
weggeeft, en ook hoeveel stukken vleesch de kok wederrechtelijk mee naar
huis genomen heeft.
De korporaal draagt het uiterlijk kenmerk van een volleerd manschap te
zijn.
En die pretentie wordt, onbewust, door de soldaten op hem gewroken.
Een korporaal spreekt over zijne ranggenooten als: korporaal X en
korporaal IJ.
Een sergeant over de zijnen als collega P en Q.
Een officier spreekt tegenover minderen niet over andere officieren.
* * * * *
En nu, geduldige lezer, vaarwel.
Ik ga studeeren.
Hiermede is de serie kantteekeningen van een landstormplichtige
geëindigd.
Een burger, die soldaat geworden is, mag tegenover burgers van zijne
indrukken vertellen.
Maar een soldaat, die officier wordt, kan zich, waar het dienstbelangen
treft, nog slechts met een ernstig gebaar tot zijne collega's wenden.
En dat zal dan niet zijn in een burgerlijk blad, maar mondeling of in de
Militaire Spectator...
Waar de actie begint, eindigt de beschouwing...
Vaarwel, en dank voor uw aandacht!