IX.

Kleilust, Einde Maart '17.

Dit is, lezer, mijn slotzang... Voor den laatsten maal heb ik boven deze

regelen den titel neergeschreven, onder welken ik u het lief en leed heb

uitgezongen van een simpele soldatenziel.

Ge kent mijn besluit reeds; ik ga officier worden.

Na een jaar--de jubileumsdag ligt vlak achter mij--na een jaar van

gehoorzaamheid, ga ik mij op mijn beurt onder hèn voegen, die op dit

ijdel ondermaansche met een schijn van gezag en een zeer reëele

verantwoordelijkheid bekleed zijn. Ik heb begrepen, dat ieder de taak

te vervullen heeft, waartoe het lot hem beschikt heeft.

Maar ik heb méér begrepen... ik heb iets begrepen van wat er in een

ruwen soldaat omgaat; zoo'n soldaat is moeilijker te doorgronden dan

een sphynx... want een sphynx zwijgt, en een soldaat is geneigd het

tegendeel te zeggen van wat hij gevoelt.

Misschien zal die tak van wetenschap in den verlofsofficier Stoke de

lacune aanvullen die in zijn krijgswetenschap zal blijven bestaan. Want

om de hoogere krijgsschool te bezoeken heb ik tijd, noch gelegenheid.

Ik ben er mij zeer wèl van bewust, dat mijn dagboek niet anders geweest

is, dan eene losse aaneenschakeling van notities; het geeft dan ook

evenmin de »psyche« van den Nederlandschen soldaat, als het foto'tje op

uw buitenlandschen pas die geeft van uw persoon.

Maar er zit wat van hem in, en zijne grove trekken zijn te herkennen. Er

blijft mij nu nog één ding over, en dat is u te zeggen, wàt een officier

is, wàt ik zijn zal, in de oogen van hen, die tot op dezen dag mijne

kameraden zijn.

* * * * *

_De officieren._

Het was op een warmen zomer-namiddag; ik was nog niet lang in dienst.

Uit een venster van de kazerne gebogen, overzag ik het zonnige

exercitie-terrein, waar recruten eener jongere lichting hunne eerste

lessen genoten.

Naast mij leunde Gerrit tegen de vensterbank, en verlustigde zich in

hetzelfde schouwspel.

De commando's klonken tot ons over op de lauwe lucht.

Aan de overzijde van het water schoof bel-tinkelend een tram voorbij.

[Illustratie]

Plotseling werd ons beider blik getrokken tot een lichtend punt; het was

de zon, die even schel reflexeerde in een officiers-sabel.

De officier stond op eene kleine verhevenheid, en overzag vandaar het

terrein; hij rookte een cigarette, en heel zijn houding drukte rust,

doch tegelijkertijd latente macht uit. Hij scheen er zich niet van

bewust, dat Gerrit en ik en wellicht nog vele anderen, naar hem keken.

»Fijn leventje toch, zoo'n luit',« zeide Gerrit naast me.

»Maar niks doen, en kommedeere... en 'n hoop cente in de maand...!«

»Daarvoor moet hij voor jou denken!« waagde ik.

»'n Ofcier en 'n ofcier zijn twéé«, ging Gerrit voort. »Je heb er 'an

wie je merkt wat ze van je wille, maar d'r zijn d'r óók die maar eische

dit en eische dàt, zonder dat je weet waar et goed voor is. As me vrouw

ziek is, en de luit' wil me niet late weggaan, dan weet ik dat ie zelf

weer knijpt voor de kaptein. Maar assie zegt >vooruit, wees weg<, dan

voel ik, dat ie z'n eige der an waagt voor mijn!

»En assie zegt >ga ligge, gauw< dan denk ik >ik ben je hond niet<, maar

assie zegt >'n granaat, gauw ligge<, dan doen ik et graag!

»Die daar staat te rooke zet een gezicht of ie zegge wil >wat gaat mijn

dat beestespul an<; as ik dat zie, dan krijg ik de pest in.

»As mijn baas tege me zegt >Gerrit maak die planke es zoo en zoo pas<,

dan doen ik dat misschien verkeerd, maar assie zegt >dat mot 'n kassie

worde<, dan snap ik hem direct! Kijk, an 'n ofcier zie je van buite: dat

is me baas... da's glad genoeg, daar zorgt de kleeremaker voor. Maar

waar de kleeremaker niet voor ken zorge, dat is dat ik zeg >ik

gehoorzaam je graag<, daar mot ie zelf voor zorge.«

[Illustratie]

Gerrit heeft gelijk. Ge weet niet, burger, hoe hoog een personage een

officier is in den troep. Wij zien onze meerderen hem naar de oogen

zien, en wij bemerken, hoe een kort woord van hem door onzen sergeant

tot een wet wordt uitgewerkt, die onze belangen dienen of breken kan en

onzen vrijen tijd bekrimpen of verlengen.

Het instituut tucht maakt hem het bevelen gemakkelijk, en opent hem de

kansen op bemindheid.

De exploitatie daarvan, wordt aan hem zelf overgelaten, en dat is

minstens zoo belangrijk als de meest volledige kennis van den inwendigen

dienst.

* * * * *

_De sergeant._

De sergeant staat ons nader. In hem gehoorzamen wij niet den meester,

maar den ouderen broer. Hij doet alles met ons mee; de officier ziet of

onze ransels goed hangen, de sergeant of ze wel model gepakt zijn.

Met den sergeant wonen de soldaten in één straat, en ze kennen zijn

meisje; het gemeenschappelijk ontzag voor den officier verbindt

manschappen en onder-officieren. Zij bezigen dezelfde taal en waardeeren

denzelfden humor; onder hen zijn de verschillen nuancen geworden en

geen contrasten meer.

Daardoor wordt het bevel van den sergeant gecenseerd te zijn een uiting

van gezond verstand, en dat van een officier eene openbaring van

wijsheid.

Waar het de behartiging van particuliere soldatenbelangen geldt, kan

een officier zeer zeker te rade gaan bij onderofficieren; te weten bij

onderofficieren, die niet onder één deken liggen met een zeker soort

soldaten, die voortdurend verklaren: »dat 't toch maar een rotzoo« is.

* * * * *

_De korporaal._

De korporaal is een kindermeid. Geen gouvernante wel te verstaan,

maar een kindermeid, zoo een van zestien jaar, met een paar nuchtere

vlechtjes op het achterhoofd. Als hij serieus zijn plicht doet, of gezag

laat gelden, wordt hij uitgelachen; en als hij een standje krijgt, in

presentie zijner minderen, wordt hij óók uitgelachen.

Een korporaal kan alléén goed doen, wanneer hij vertelt van meerderen,

met wie hij uit hoofde van zijn rang in iets nader contact gekomen is

dan zulks den soldaat vergund is.

Hij mag vertellen, hoe duur de sigaren zijn, die de kaptein rookt of

weggeeft, en ook hoeveel stukken vleesch de kok wederrechtelijk mee naar

huis genomen heeft.

De korporaal draagt het uiterlijk kenmerk van een volleerd manschap te

zijn.

En die pretentie wordt, onbewust, door de soldaten op hem gewroken.

Een korporaal spreekt over zijne ranggenooten als: korporaal X en

korporaal IJ.

Een sergeant over de zijnen als collega P en Q.

Een officier spreekt tegenover minderen niet over andere officieren.

* * * * *

En nu, geduldige lezer, vaarwel.

Ik ga studeeren.

Hiermede is de serie kantteekeningen van een landstormplichtige

geëindigd.

Een burger, die soldaat geworden is, mag tegenover burgers van zijne

indrukken vertellen.

Maar een soldaat, die officier wordt, kan zich, waar het dienstbelangen

treft, nog slechts met een ernstig gebaar tot zijne collega's wenden.

En dat zal dan niet zijn in een burgerlijk blad, maar mondeling of in de

Militaire Spectator...

Waar de actie begint, eindigt de beschouwing...

Vaarwel, en dank voor uw aandacht!

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 57 / 60 题