Kleilust, einde Maart 1917.
_Waar ik woon._
Ruggelings lig ik uitgestrekt op mijn stroozak. Ik kijk en denk en rook.
Mijn boek ligt gesloten naast mij. Het is te donker om te lezen; mijne
oogen doen mij pijn. Ik rook, denk en kijk, zooals ik dat geleerd
heb in de laatste maanden: bijna onbewust. De gedachten, die mijne
onbewuste oogen projecteeren in mijn rustig brein vermaken mij, zooals
een bioscope-voorstelling dat doen zou. De beelden zijn niet van
sensationeelen aard, maar er is een wonderlijk spel van verrassende
en boeiende détails; het zijn héél kleine, fijn genuanceerde détails,
waarvan ik geniet als een botanicus die aan de dorre heide-gewassen
onder zijn microscope bloemen en levensteekenen in overvloed herkent.
[Illustratie]
Ik staar om mij heen, op mijne slapende kameraden. En ik vind bloemen
en levensteekenen in overvloed op hunne oogenschijnlijk
dierlijk-dom-snurkende gelaten.
Ik zie lijden en verlangen om hunne in den slaap half geopende monden;
ik hoor verlangen en streven in hunne onbeheerscht-natuurlijke
ademhaling: en hunne vuile soldatenhanden, die slap rusten op de
groezelige dekens, zijn vol verrassende karaktertrekken.
Het is één uur na den middag; ergens ver weg, op een weiland buiten het
fort, kraait een haan.
Langs de kleine vensters gaat een schaduw, en voetstappen schuiven zwaar
door het grint; dan klinkt een jolige stem, en een deur slaat dicht. Het
is weer stil.
De kameraden snurken.
Over een half uur zal een schetterend trompet-signaal ze tot het leven
terugroepen, of liever tot den dienst, de actie.
Want ik geloof dat ze nu, in hun slaap, levend zijn. Ik geloof niet, dat
die luidruchtige grappenmakerij van straks hun leven is, ik geloof niet
dat hun getier en buitenmatig gemor kenmerken van hun werkelijk wezen
zijn.
Ik geloof, dat zij slechts in den slaap, in den volkomen rust, in hun
onbewustheid, hunne primaire en simpele instincten tot uiting kunnen
brengen.
Nu zijn zij eerlijk; de lippen van den schreeuwer tegenover mij zijn nu
ontspannen; hij snurkt, en op zijn bruut gelaat is een trek van krachtig
willen; zijn hand ligt tot een vuist gebald op zijn dekens.
Het pretentieuse mannetje naast hem schijnt nu verzakt te zijn tot een
onbelangrijk hoopje zwakheid. Zijn lippen zijn half geopend en rood en
dik; er zijn slappe groeven langs zijn neus, die op geen smart, maar
hoogstens op een lichamelijk onbehagen duiden.
De slappe hand op zijn deken is knokig, en de vingertoppen dragen de
sporen van veel knagens' en kluivens'. Mijn blik waart rond, en ik zie
er nog velen, die àllen slapen, en àllen in hun slaap iets verraden van
smart of strijd of huiselijk leed... of van absoluut niets.
Plotseling vind ik ze àllen belangrijk.
Van de slapers gaan mijne oogen naar hun schamele, en grootendeels
uniforme have, die op een plank, boven het hoofdeinde der bedden, als
uitgestald ligt.
Boven den slappeling staat een jam-potje, en een kopje met vet, dat hij
den vorigen dag uit het eten gespaard heeft; er liggen
glacé-handschoenen en een viezige veldflesch en een bestoft stuk
wittebrood.
Er zijn er, die gekleurde prentbriefkaarten en snuisterijtjes op hun
plank hebben, en anderen die een gebarsten scheerspiegel exposeeren....
Al die willige doode dingen harmonieeren met de onbewuste openhartigheid
hunner snorkende bezitters.
Aan de zoldering hangen, als hammen aan een lange rij, de ransels; de
zware zakken hangen daar al maandenlang leeg en slap, en wij hebben ze
al dien tijd niet gedragen.
Het invallend namiddag-licht werpt lange slagschaduwen van de slappe
ranselzakken uit langs de gewitte zoldering; de schaduwen hebben vreemde
vormen. En mijne onbewuste oogen tooveren plotseling een verrassend
beeld op mijn rustig-blank brein.
Het is me opeens, alsof al die slapende kerels hunne zorgen voor een
tijdlang afgehangen hebben. Ze hangen daar aan de zoldering, die zorgen,
op een lange rij, naast elkander.
En het invallend namiddaglicht mengt de vreemd gevormde slagschaduwen
tesamen en dooréén... tot een grauwe wolk, die langs de zoldering
vervaagt tot een verre hoek van het vertrek...
* * * * *
Daar schettert het appèl-signaal.
Bijna gelijktijdig verroeren zich de rustende lichamen op de kribben.
De deur wordt met een slag opengeworpen, en het is opeens veel lichter
onder het gewelf.
»Verdorie d'r uit,« schreeuwt de schreeuwer en hij schudt het
slappelingetje naast hem door elkaar.
»Jawèl, jawèl, hou je poote maar thuis,« zegt het slappelingetje
slaperig.
»D'r uit, Stoke, suffe mafkop!« roept de schreeuwer mij toe.
»Hou je groote smoel,« geef ik kribbig terug.
Ik ben weer ruw. Ik heb mijn liefderijke gevoelens weer verloren. Maar
ik kàn er niets aan doen... Ze spreken zoo luide en onbezonnen...
... Ach, waren ze maar blijven slapen. Ze waren zoo sympathiek, en zoo
eerlijk... _in hun slaap_.
* * * * *
_Jubileum-dag._
In alle stilte heb ik, goede lezer, vandaag den dag herdacht, die nu
juist een jaar achter mij ligt, en waarop ik mij voor het eerst soldaat
mocht noemen.
Ik behoef u niet te zeggen, dat ik dit feit zonder eenig feest- of
uiterlijk vertoon geconstateerd heb. Maar het wàs een jubileum.
En bij een jubileum behooren een feestredenaar en een toespraak.
Om nu mijn jubileum bescheidelijk, en in zoo beperkt mogelijken kring te
vieren, besloot ik mijn eigen feest-redenaar te zijn.
's Morgens, in bed, sprak ik mij zelf binnensmonds ongeveer als volgt
toe:
»Melis Stoke! Jubilaris. Het is vandaag de dag... enz. enz. In
het afgeloopen jaar waart ge soldaat, daarmee is alles gezegd.
Het Vaderland heeft, om eerlijk te zijn, niets aan uw diensten
gehad. Daarin moet verandering komen! Ge moet uwe contemplatieve
houding in het legerverband opgeven! Ge moet actief worden! Ge
moet het Vaderland nuttig zijn.
Melis Stoke, laat ik kort en duidelijk zijn.
Dit nieuwe jaar moge u zien als officier! Al is er bij de
landstorm geen wettelijke--dan is er toch een _moreele
kaderplicht_.
Aan toeschouwers hebben wij niets: wij moeten kerels hebben die
wat _doen_!