VAN DEN BURGER, DIE MELIS-STOKE, LANDSTORMPLICHTIGE, GEWORDEN IS.

Hier moet ik, geduldige lezer, mijn militaire-zelf ter zijde springen,

en wel als burger.

De zaak is, dat hijzelve zich schamen zou, de bekentenis te doen die ik,

als civilist, zonder mij of hem te blameeren, te boek kan stellen.

De landstormplichtige heeft zich, nadat hij acht-en-een-halve maand (den

verplichten oefentijd) »onder de wapenen heeft doorgebracht,« eenigen

tijd in het burger-leven teruggetrokken.

Men achtte hem voorloopig voldoende bekwaamd in het wapenbedrijf, en hij

toog huiswaarts.

Onderweg, van de kazerne naar zijne woning, kwam hij reeds vagelijk en

uitsluitend innerlijk met mij, zijn burgerlijk-zelf, in aanraking.

Ik was verbaasd over de verandering, die in hem had plaatsgegrepen.

Er was een zekere goedmoedigheid in de plaats getreden van de ietwat

koele reserve, die hem voorheen kenmerkte. Hij sprak luid en lachte gul;

hij keek met zekere ironie naar de reeksen fleschjes en doosjes op zijn

toilet-tafel, en ergerde zich niet, toen hij zijn hond slapend aantrof

op zijn hoofdkussen.

»Dat zijn allemaal kleinigheden,« verklaarde hij, »de hoofdzaak is, dat

je gezond bent.«

Nog nooit had ik hem zulk een gemeenplaats hooren bezigen; hij scheen

dat te voelen, en legde zijn hand op mijn hart, terwijl hij me ernstig

toevoegde:

»Mijn waarde, het is een kenmerkend verschil, tusschen de beschaafde en

onbeschaafde klassen, dat deze gemeenplaatsen als zoodanig voelen en

begrijpen, terwijl gene langs allerlei vreemde omwegen tot die simpele

waarheden moeten terugkeeren! Waarom dan niet direct de gemeenplaats in

al haar consequenties aangenomen?«

Hiertegen wist ik niets in te brengen.

Vervolgens ontkleedde zich mijn militaire-ik, stapte in een

ongeparfumeerd bad, en schoor zich daarna; ik merkte op dat hij niet,

zooals vroeger, na het scheren zijn gezicht insmeerde met vinaigre en

drie verschillende evenzeer geurige zalfjes.

Na een korte aarzeling schoot hij een mij toebehoorende zéphir pijama

aan, en ging te bed.

Den morgen daarna, toen ik ontwaakte, wist ik, dat mijn militaire-zelf

in mijn burger-ik was opgelost.

In langen tijd had ik mij niet zoo wèl gevoeld.

Om zeven uur stond ik op, en om halftien was ik, in een eenvoudig pak,

en zonder button-hole of lichte slob-kousen onderweg naar mijne

bezigheden.

Dat leven duurde een maand.

* * * * *

Na een maand stond ik weer laat op, droeg weer een button-hole en lichte

slobkousen.

Na drie maanden herinnerde ik mij nauwelijks nog de sociale gevoelens

van mijn militaire-ik.

Ik zweeg halsstarrig, wanneer iemand achter-op-de-tram mij toesprak, of

als mijn kapper zei, dat het mooi weer was.

Eens, toen ik Gerrit ontmoette, groette ik hem met meer welwillendheid

dan gevoelens van vriendschap. Kogelfleschjes, Quatta-reepen en

Cats-boonen waren nog slechts vergeefelijke jeugdfouten in mijne

oogen, en Zondags in het Concertgebouw herinnerde ik mij nauwelijks de

aangename uren, die mijn militaire-ik daar eenmaal met zijne kameraden

gesleten had.

Zelfs ondervond ik niet meer het genoegen van de vroegere meerderen van

mijn dubbel-ik te kunnen negeeren. Ik zàg ze niet meer...

Het lag àchter mij als een droom; ik leefde weer in koele

maatschappelijkheid, zooals de reiziger, die de luchtige hoogten van een

Alpenpas bereikt heeft, en niet meer achter zich ziet naar het warme

Italiaansche land...

De koele wind der maatschappelijke kronkelpassen woei mij om de ooren,

en in dien wind stak ik mijn gecultiveerde civiele neus...

Toen kwam de slag...

De slag was een groot officieel papier, dat mij andermaal tot den

werkelijken dienst opriep.

Toen ik den brief gelezen had, stond ik tegenover mijn lang vergeten

militaire-zelf, zooals een eerbiedwaardig rechter zich gevoelt, wanneer

plotseling een vergeten schuldeischer uit zijn studententijd zijn deftig

studeervertrek binnentreedt...

Ik kènde zijn gelaatstrekken nauwelijks meer, maar de herinnering bracht

mij op dat oogenblik honderd realiteiten in de gedachte, die als

onverbiddelijk harde hamers mijn net-gekapte hoofd troffen.

En, vreemd, maar ik haatte mijn militaire-ik. Ik haatte mijn dubbel-ik,

zooals men een afgedragen, vuil kleedingstuk haat, dat men vindt bij het

opruimen van zijn garderobe.

Ik snoof de geur op die uit den brief kwam, en het was me, alsof het de

reuk van aardappelenwater, en soep en dwijlen en zeepsop was...

Dien nacht sliep ik niet.

Mijn militaire-ik sarde mij, zooals een opdringerige, onsmakelijke

kennis iemand hinderen kan. Hij drong zich aan mij op, en strekte zijn

viese, zwarte handen naar mij uit; hij fluisterde mij dingen in het oor

over »marschen« en »wachtkloppen« en »kribben« en »aardappelen en

uien«... en ik háátte hem.

Den volgenden morgen kwam zijn oppasser, om het geweer van zolder te

halen en te poetsen.

Hij hield mij voor hem, en zeide vriendelijk goeden morgen; hij wist

niet, hoe mijn burger-ik hem verfoeide en verachtte.

Hij wist niet, dat daar iemand ànders voor hem stond, een trotsche en

pretentieuse burger, en hij heeft niet begrepen, waarom ik hem op dat

oogenblik niet, zooals vroeger, hartelijk de hand drukte....

Ditmaal wisselden wij geen verstandige brieven, mijn militaire- en mijn

burger-ik.

Wij accepteerden elkanders hinderlijk gezelschap, zooals doodsvijanden,

die toevallig in dezelfde spoorwegcoupé moeten reizen.

Nog drie dagen gingen wij grimmig zwijgend naast elkander voort...

Toen gaven wij elkander, noodgedwongen, de hand; maar mijn militaire-ik

bleek, misschien wel door de macht der onverzettelijke omstandigheden,

de sterkste.

Op zekeren dag greep hij me bij den strot, en wierp mij verre van zich.

Nog zag ik, hoe hij haastig wegsnelde, om zijn soldaten-pak weer aan te

trekken....

Toen wierp hij zijn ransel om, nam zijn geweer, en stopte zijn zakboek

in den zak van zijn overjas. En hij ging met driftige, maar vastberaden

stappen weg....

Van Aardappel-mes tot Officiersdegen Uit het Dagboek van een Landstormplichtige. · 第 39 / 60 题